|
|
Het varken dat niet wou gaan of 't moest gedragen worden
Daar was er 's een mannetje, dat veegde zijn stalletje. Wat vond hij er in? Een gouden, gouden stuivertje, Wat kocht hij ervoor? Een vet, vet varken. Maar 't varken wou niet gaan of 't moest gedragen worden.
Toen ging hij naar de hond: -Hond, wil jij varken bijten? Varken wil niet gaan of 't moet gedragen worden.
-Neen, zei de hond.
Toen ging hij naar de stok: -Stok wil jij hond slaan? Hond wil varken niet bijten varken wil niet gaan of 't moet gedragen worden.
-Neen, zei de stok.
Toen ging hij naar het vuur: -Vuur, wil jij stok branden? Stok wil hond niet slaan, hond wil varken niet bijten, varken wil niet gaan of 't moet gedragen worden.
-Neen, zei het vuur.
Toen ging hij naar het water: -Water wil jij vuur blussen? Vuur wil stok niet branden, stok wil hond niet slaan, hond wil varken niet bijten, varken wil niet gaan of 't moet gedragen worden.
-Neen, zei het water.
Toen gij hij naar de os: -Os, wil jij water slobberen? Water wil vuur niet blussen vuur wil stok niet branden, stok wil hond niet slaan, hond wil varken niet bijten, varken wil niet gaan of 't moet gedragen worden.
-Neen, zei de os.
Toen ging hij naar de man: -Man, wil jij os dollen? Os wil water niet slobberen, water wil vuur niet blussen vuur wil stok niet branden, stok wil hond niet slaan, hond wil varken niet bijten, varken wil niet gaan of 't moet gedragen worden.
-Neen, zei de man.
Toen ging hij naar de galg: -Galg, wil jij man hangen? Man wil os niet dollen, os wil water niet slobberen, water wil vuur niet blussen vuur wil stok niet branden, stok wil hond niet slaan, hond wil varken niet bijten, varken wil niet gaan of 't moet gedragen worden.
-Ja, zei de galg.
En de galg hing de man, En de man dolde de os, en de os slobberde het water en het water blustte het vuur, en het vuur brandde de stok, en de stok sloeg de hond, en de hond beet het varken, en het varken vertrok en liep recht naar zijn hok.
Wachtende aarde.
Ik sta verloren in het wijde land Waar nog de grauwe grond bezond moet worden en waar de wind, al zingend, hand in hand de vlakke velden dicht aaneen wil gorden.
’t Oneindig land dat overal wil einden, maar bij het einde weer opnieuw begint, het is ’n water dat na elke golf weer deinde, het is ’t lachen van het liefste kind.
Ik hef mijn hand op naar een naakte tak die zwaar en zwijgend wacht als ’t land daaronder op ’t ademen van een nieuw getij, want zonder dit zachte suiz’len van de ademtocht die brak door kille eenzaamheid kan ’t nieuwe leven geen bloesem en geen jonge vruchten geven.
Elisabeth Chausséé
|
|
|
paintings: http://landscape.candanann.nltexts: http://mystiek.canandanann.nlblog: http://waarnemingvandewerkelijkheid.blogspot.com
Share |
canandanann 26-08-2010
|