bundel
Start Omhoog

                 


 

 

 

 

 


 

Het huis

De tafel, mijn kind, is bereid

in romig, rustig wit,

en aan de vier wanden, blauw,

glanzend zwak, de potten van aardewerk.

Dit is het zout, en dit de olie

en in het midden het brood, dat bijna tot ons spreekt.

Mooier goud dan het goud van brood

heeft de vrucht en de brem niet.

Er is een geur van aren en haard,

het verzadigt ons nooit dit geluk.

Met harde vingers en zachte hand

snijden wij het samen, kind,

en je bekijkt het, vol verwondering,

hoe witte bloesem uit zwarte aarde breekt.

Doch strek de hand niet uit om te eten, mijn kind,

je moeder houdt ook de hare omlaag.

De tarwekorrel, kind, behoort aan de lucht,

aan de zon en de mussen,

alleen dit brood 'Gods Aangezicht'

bereikt in veel huizen de tafel niet.

En als het andere kinderen ontbreekt,

laat jij het beter ook onaangeraakt

en houd je handen stil in dit niet-nemen

ineen gestrengeld in schaamte.

De honger, mijn kind, dat grimassengezicht,

draait als een wervelwind om de dorsvloer,

ze zoeken elkaar en ontmoeten elkaar niet,

het brood en de honger, de gebochelde gekromde.

Opdat hij het zal vinden, als hij nu zou binnenkomen,

laat ons het brood tot morgen bewaren.

Het brandende vuur wijst de deur,

die de Quechua-indiaan nooit op slot doet,

en laat ons de honger eten zien

om slaap te hebben aan lichaam en ziel.

Gabriela Mistral


Lieder von einer Insel

(1954)

...

Wenn einer fortgeht, muß er den Hut

mit den Muscheln, die er sommerüber

gesammelt hat, ins Meer werfen

und fahren mit wehendem Haar,

er muß den Tisch, den er seiner Liebe

deckte, ins Meer stürzen,

er muß den Rest des Weins,

der im Glas blieb, ins Meer schütten,

er muß den Fischen sein Brot geben

und einen Tropfen Blut ins Meer mischen,

er muß sein Messer gut in die Wellen treiben

und seinen Schuh versenken, 

Herz, Anker und Kreuz,

und fahren mit wehendem Haar!

Dann wird er wiederkommen.

Wann?

Frag nicht.

...

Ingeborg Bachmann


Hoe de zee er die dag 

zou kunnen bijliggen,

wordt niet vermeld.

Zo er iets beweegt

 

is dit eerder een siddering

die door het gras gaat,

of een ooglid dat knippert

tegen zo veel licht.

 

Hetzelfde: voor altijd hetzelfde,

al zijn veranderingen ten spijt -

 

Als moest ik mij steeds opnieuw

in éen enkel woord kunnen uitputten,

mij vasthoudend aan alles waarin ik

al; ontbonden scheen, en sindsdien

 

voorgoed voortvluchtig bleef. 

HANS FAVERY


Niet moedig

De moedigen weten

dat zij niet verrijzen

dat er geen vlees om hen groeit

op de jongste dag

dat zij zich niets meer herinneren

niemand terugzien

dat hun niets te wachten staat 

geen zaligheid

geen foltering

ik 

ben niet moedig.

Marie Luise Kaschnitz


 

Het land van amen

De bomen in gebed boven de aarde

met ingetogen takken en gebaren

zonder uitbundigheid, woorden van blaren

tegen de lucht gezegd, innig bewaarde

gevoelens van verknochtheid in de wortels.

Door wind gevormd en zijdelings bewogen

de kruinen en de toppen in den hoge.

 

Het gras geknield. En in de tijd der tortels

wanneer de jagers door de weide waden

alom ontroerend roepen om genade.

Anton van Wilderode


Spreken en zwijgen

'Boom - daad van warme gronden, jouw stam verheft zich stijl, lucht-splijtend, en is toch rond, een teken Gods. en boven jou de heilige bladerkroon, uit de diepte opgehoopt. Hij wiegt zachtjes als Gods droom, ik sta voor je en peins, boom, boom, boom! En ben in louter benauwenis, brand en snikken'.

Arno Nadel - vermoord in Auschwitz  


De Jood

Uit alle wouden dezer wereld een boom

Draagt hij zijn kroon aardwaarts, als in een droom.

Het blad, de bloesem met het groen, de geurige wasem

In de aarde diep, weren zij licht en asem.

De wortel, machtig reikt tot in 's hemels baldakijn

Gevoed in 't paradfijs met Godes wijn.

Diep in de stam sijpelt hij tot de verstikten.

In 't graf, groen, bloeien de verkwikten.

Simon Kronberg 1891-1947


Achtergelaten

Achtergelaten

in een onbewoonbare wereld

rinkelend van kleuren

en geluiden

waar de dag te licht is

en geen nacht donker genoeg

om het verborgen tumult

te bedaren.

 

In alle straten, alle kamers

blijf ik je zoeken.

 

Tussen ontelbare mensen

vind ik je nergens.

 

Verlos mij

uit dit luchtledig.

Laat mij toe tot de aarde

die je bedekt.

Dicht bij je wil ik slapen

en tot stof vergaan

 

Onder water

Onder water

grif ik je naam

in de granieten bedding

van mijn stroomgebied.

Tussen de wieren

van het verleden

flitsen pijlsnelle vissen

als mensen voorbij.

 

Alleen in de diepte

mag ik je voortaan ontmoeten:

mijn warme tegenstroom,

mijn lief.

 

Het staat vast

dat je dood bent.

Maar wat is dood?

 

Kokhalzend wakker worden

Kokhalzend wakker worden

tussen de gestolde feiten

van gisteren en eergisteren.

 

Opstaan, het licht trotseren.

Onder het oorverdovend

carillon van herinneringen

optornen tegen een geheugen

dat geen duimbreed wijkt.

 

Lachen, praten, overmoedig

denken dat het zo wel gaat.

Merken dat men zich vergist

ook hierin. Heel het treiterend bedrijf

van deze dag en alle volgende

in vier woorden samengebald:

iemand is niet gekomen.

H. Michaelis


De tijd daarentegen

heeft al den tijd

van komen en van gaan.

Zij groeit - ongemerkt -

de grassen

dwarsdoor het grind.

 

Zij zet luisterpunten

achter heur zinsneden

om te wachten

of iemand wat zeggen wil.

 

Want de Tijd

is bidden, bad, gebeden,

dat zich niet

van leven onderscheidt.

Duizend psalmen van monialen

van gregoriaanse pissebedden

onder vochtige plavuizen.

 

De Tijd:

Vinger in je mond

Een slok water.

Leunen over het hek van de wei,

je neus gedrukt

tegen het oneindig uitstalraam.

 

Voor haar intimi

houdt zij ruggelings

een besloten vernissage

van de stillevens

der scheuren in 't plafond.

 

De Tijd heeft het eeuwige leven.

Haar ogenblikken zijn zachte billen

zonder begin en zonder einde.

 

De Tijd heeft al den tijd.

Zij hangt met heur ellebogen

over de reling van de open brug.

En na 't sterven van de dag

bewaart zij geliefden

in elkanders schoot.

Zij is het rustige asemen

van dingen die bestaan.

B.P. de Roeck


GROEI

Zo veel wordt bij het winnen ook verloren
lerend liefdes heel te houden vergeet je
hoe ze horen.

Eerlijkheid, in volle bloei bij de geboorte,
ontrijpt bij het volwassen worden
tot een knop. (Winnicott)

O rare makreel die je bent schreef je een keer
en kijk eens wat er is gebeurd
makreel niet meer.

Groei, wat zullen we met je doen
we kunnen je niet snoeien het beste is misschien alweer
niet mee bemoeien.

Tenslotte kraakt toch elk bestaan zich een bestaan door
de bestaande lagen. En bonen doppen zelfs
hun eigen boontjes.

Judith Herzberg


L'épitaphe

J'ai vécu dans ces temps et depuis mille années

Je suis mort. Je vivais, non déchu mais traqué.

Toute noblesse humaine étant emprisonnée

J'étais libre parmi les esclaves masqués.

 

J'ai vécu dans ces temps et pourtant j'étais libre.

Je regardais le fleuve et la terre et le ciel

Tourner autour de moi, garder leur équilibre

Et les saisons fournir leurs oiseaux et leur miel.

 

Vous qui vivez qu'avez-vous fait de ces fortunes?

Regrettez-vous les temps où je me débattais?

Avez-vous cultivé pour des moissons communes?

Avez-vous enrichi la ville où j'habitais?

 

Vivants, ne craignez rien de moi, car je suis mort.

Rien ne survit de mon esprit ni de mon corps.

Robert Desnos 

Epitaph  

Ich bin der Tote, der durch jene Zeiten schritt.

Vor tausend Jahren. Aufrecht und gejagt.

Das Menschliche, von Mauern war‘s umragt.

Vermummte Sklaven rings - ich lebte mit.

 

In jenen Zeiten lebt ich - lebt ich frei.

Mein Auge sah die Erde, es sah zum Himmel auf,

ich sah, wie alles kreiste, ich sah den Wasserlauf.

Die Blüte gab den Honig, der Vogel zog vorbei.

 

Mit alledem, ihr Menschen, was fingt ihr damit an?

Die Zeit, in der ich's schwer hatt', tragt ihr sie noch im Sinn?

Sät ihr die Saat gemeinsam und erntet jedermann?

Ist sie durch euch jetzt schöner, die Stadt, aus der ich bin?

 

Ihr Lebenden, ich leb nicht, ihr braucht nicht bang zu sein.

Mein Leib, er lebt nicht weiter, mein Geist nicht, nichts, was mein.

vertaling: Paul Celan


Ik sluit mijn ogen

Ik sluit mijn ogen en de zwarte nacht

is opgehouden nacht te zijn, een teken

hoezeer de lichtjes die zij kwam ontsteken

de grond zijn van 't geluk dat juicht en lacht;

 

nachtelijk raadsel dat met zulke kracht

zijn zegels voor mijn ogen weet te breken

nu uit het diepst ravijn zijn wonderbleke

getintel opflitst dat de dood minacht.

 

Ik sluit mijn ogen. En steeds blijft gegeven:

een wereld, oogverblindend in haar luister,

waaruit een zee van ruis is weggevloeid.

 

Het donker staaft de waarheid van mijn leven,

de bliksem is te meer van mij in 't duister:

zie hoe bij nacht zowaar een roos opbloeit.

Jorge Guillën (1893-1984) 


De zee: hoe is de zee zo geworden?

De zee: hoe is de zee zo geworden?

Jaren heb ik verdaan in de bergen:

de glimwormen verblindden me.

Nu wacht ik op dit strand

op de aankomst van een mens,

een overblijfsel, een vlot.

 

Kan de zee dan gewond raken?

Ooit doorkliefde haar een dolfijn

en een andere keer

de punt van de vleugel van een meeuw.

 

toch waren de golven zacht

waarin ik sprong en zwom als kind

en ook nog toen ik een jonge man was

terwijl ik figuren zocht in de kiezelstenen,

speurend naar patronen,

sprak de Oude Man van de Zee tot me:

Ik ben je land:

misschien ben ik niemand

maar ik kan worden wat je wilt. 

Giorgos Seferis (1900-1971) 


Wij zijn gezichten

wij hebben het licht gestolen

van de hoogbrandende ogen

of gestolen van de rode bodem

 

ik ben

veel vuur

veel golven van vuur

vissen die stil zijn als het gezicht dat

alleen is

ik ben

veel van steen en vaag als

vissen in watervallen

ik ben alleen alleen beenlicht en

steendood

 

wij zijn gezichten

open en rood zijn wij

licht

zijn wij

open

wij zijn

ontplofbaar

 

ik weet niet wat

steen werd

ik weet wel wat

dood is

 

dood is ik word

ik word recht weer

ik word geroofd en ben weer

echt licht

lucebert 

het licht is dichter dan

het lichte gezicht van de mens

met gespierde vlagen sluit

het de deuren van de huid

op wacht staat buiten de nacht

 

hol water fluit en lokt

in golven vervaard en hard

onder de straal aan zijn haard

de straal van't gegrendeld gezicht

in zijn gegrendeld gezicht ligt de mens

 

een kamer voor de eenzaamheid

een voorhof voor de duisternis

daartussen trilt op elke drempel

de wimpel van de heugenis

lucebert   


 

Vincent van Gogh

I.

Profeet van Paturâges en zuiderzonminnaar,

maar meer dan dit: diepbewogen dichter

die de zware dingen van buiten licht schiep,

herschiep als de kompleet blauwe lucht,  -

herder die het onvruchtbare gebeuren

van buiten, naar het grote centrum dreef, de oasis, de keuze

van frisheid... In ons zelve hebben wij de Jordaan;

allen die nog Godsvreemd en belâan

met de erfzonde zijn, -

de dubbele machteloosheid van het naar buiten kijken

en de loutering, dit is de permanente zege in ons:

patos en tragiek,

dit het innerlijke, daarom het heilige 'veni, vidi, vici', -

al die machteloze vreemdelingen van buiten,

al de gebeurtenissen

zullen wij godskinderen verfrissen

door het heiligmakende water van onze Jordaan.

Kunst is de alles overstelpende liefde

en de alomvattende.

Als de zoon van tobias die ter genezing van zijn vader

uittoog naar een ver land, en daar de vis

haalde met de kieuwen uit het water:

de ogen van zijn vader het licht schonk.

 

Kunst is de liefde in elke daad.

Kwintessens. En het volledige liefde zijn.

En dit is liefde als Vincent deed:

de talenten die hij kreeg, tot de waanzin, tot het leed

dat vreugde wordt, levend maken.

 

Niet het zijn of niet te zijn is de levensopgaaf,

maar het misterie van het zijn vult alles.

Het eigen zijn. Dat over alles te leggen.

Wordt eigen zijn van de omgeving.

Alles te vervormen, te martelen, te doden

tot schoonheid.

Je zelf dood rekenen voor de wet, om de wet van je zelf te

verbreden.

Abstraksie van je zelf, want deze kosmiese liefde vult gans je

zelf:

Bron van den aardbal.

Vincent. Zo is hij.

Hij is niets en hij is alles.

Als de priester: meester en dienaar.

En de wijn die eenvoudig perelt in de kelk

is plots onder de adem van liefde, bloed geworden.

Levende drank.

II

Meer dan uw werk. Dit is het grote,

het oneindige. Het venster

op de ganse wereld.

Ook alles wat in de verte schijnt

strekt zich daarbinnen deinend uit.

Een venster is alles.

De ganse wereld ligt binnen éeeen venster.

Men zal dan van uw werk houden,

wanneer het beurtelings met de geslachten

bloem, steen of eik zal geweest zijn.

 

Heel jong, -  nauwliks had ik je herkend, - heb ik gevraagd:

'Vader, die kiezel is zo schoon,

hoor je zijn schoonheid onder de trage tred van mijn laarzen?

Maar zie deze ronde schijf in de zon.'

 

Door wouden gaan. Pijnboomnaalden vallen

als vingers van de bomen.

Vingers zijn verlangen van lange, lome

lust. In de boomgaard hangen kersen,

aan lange, stramme takken,

vruchten die zich saampersen

als kinderlippen. Niet tastbare gloed

waarin zij bloeden als een zinnelike boetedoening.

 

'Maar alle schoonheid, mijn zoon, is in de brand

van je ogen. Ogen zijn steeds blauw als de zeestrandrand.  

III

Leed als de golven van de oceaan

die baren witte blaân

van bloesems. Leed als van blaren aan

de bomen. Bomen die kruinen worden,

kruinen: der bergen wit gehelmde horden.

 

Het arme leed wanneer het wordt ontzaggelik

in het dragen aller leed,

wordt scheppend leven weer.

Wie al de noodbaren in zich stort,

tot een fontein van helder water wordt hij weer.

Wie leed als landen torst

draagt in zijn flank de vruchtbaarheid

van honderdduizend zielen.  

IV

De stem van Vincent

 

Laat ons de blaren

van alle leed vergaren.

De aarde, ook vermoeid,

heeft nooit dode

blaren gedragen.

De aarde wondt

om, in de driedagestond,

te laten herrijzen

onder de loodzware kus van de liefde.

 

En is die kus weerom licht leed,

leed, dat alles is, - Ik ben Die is, -

o, laat deze zoen niet verloren gaan

want elke zoen is gloên van goed.

 

Nooit wassen dode vruchten

aan de bomen.

De pijnen snikken eeuwig

en laten hun lange tranen als vingers vallen.

Weet dit, mijn zoon: wanneer alle leed leven wordt,

houdt op het leven leed te zijn.

V

Kristus, Verlosser. Het Kruis

vergaarde al het leed.

Toen wierp hij weg het huis

van zijn leed.

Drie dagen en de schildwacht schrok.

De kunst is groot.

Een kruis van leed...

dan valt het huis

maar alles blijft.

 

En telkens woont

't woord onder ons

dat ons beloont,

nieuw.

De weg van de Verlosser,

de weg van het leed:

een hoogvlakte van geluk.

Paul van Ostayen 


   

Quatre Poèmes

translated from French by the author

1. Dieppe

again the last ebb
the dead shingle
the turning then the steps
toward the lighted town

2.

my way is in the sand flowing
between the shingle and the dune
the summer rain rains on my life
on me my life harrying fleeing
to its beginning to tis end

my peace is there in the receding mist
when I may cease from trreading these long shifting thresholds
and live the space of a door
that opens and shuts  

3.

what would I do without this world faceless incurious
where to be lasts but an instant where ebery instant
spills in the void the ignorance of having been
without this wave where in the end
body and shadow together are engulfed
what would I do without this silence where the murmurs die
the pantings the frenzies toward succour towards love
without this sky that soars
above it's ballast dust

what would I do what I did yesterday and the day before
peering out of my deadlight looking for another
wandering like me eddying far from all the living
in a convulsive space
among the voices voiceless
that throng my hiddenness  

4.

I would like my love to die
and the rain to be falling on the graveyard
and on me walking the streets
mourning the first and last to love me

Samuel Beckett


ENIGE WOORDEN OVER DE ZIEL

Een ziel heb je nu en dan.

Niemand heeft haar ononderbroken

en voor altijd.

 

Dagen en dagen,

jaren en jaren

kunnen zonder haar voorbijgaan.

 

Soms verwijlt ze alleen in het vuur

en de vrees van de kinderjaren

wat langer bij ons.

Soms alleen in de verbazing

dat we oud zijn.

 

Zelden staat ze ons bij

tijdens slopende bezigheden

als meubels verplaatsen

en koffers tillen

of wegen afleggen in knellende schoenen.

 

Bij het invullen van formulieren

en het hakken van vlees

heeft ze doorgaans vrij.

 

Aan één op de duizend gesprekken

neemt ze deel,

maar zelfs dan doet ze niet echt mee,

want ze zwijgt liever.

 

Wanneer ons lichaam begint te lijden en lijden,

verlaat ze stilletjes haar post.

 

Ze is kieskeurig:

ziet ons liever niet in de massa,

onze strijd om hoe dan ook te winnen,

onze radde woordenvloed wekken haar afkeer.

 

Vreugde en verdriet

zijn voor haar geen verschillende gevoelens.

Alleen als deze zich verbinden,

is ze bij ons.

 

We kunnen op haar rekenen,

wanneer we nergens zeker van zijn,

maar alles willen weten.

 

Wat materiële zaken betreft,

houdt ze van klokken met een slinger

en van spiegels, die vlijtig hun werk doen,

zelfs als niemand kijkt.

 

Ze vertelt niet waar ze vandaan komt -

en wanneer ze weer van ons verdwijnt,

maar lijkt zulke vragen beslist te verwachten.

 

Het ziet ernaar uit,

dat net zoals wij haar

ook zij ons

ergens voor nodig heeft.

W. Szymborska  


PSALM 10501

In u schuil ik. Rond mij zijn wolken en donkerheid. Hier valt al het bonzen dood,

de woorden van mijn achtervolgers klinken niet, hun wapens bereiken nooit de

kern. U geeft mijn ziel niet aan het dodenrijk. Dood of leven, het maakt voor u

niet uit. Angstig wentel ik mij rond in kamers die onbereikbaar zijn voor 

mensenogen. Met draaiende gebaren paai ik de ruimte.

Laten mijn vijanden niet om mij juichen. Laat

ze niet denken dat ik vlucht voor mijn

verantwoordelijkheden. Een ronde plek, een

pan en zeven stokkende adems. De dood heeft een mond maar

spreekt niet. De dood heeft een oog maar ziet enkel

de loop. Hij heeft oren maar horen kan hij niet. De dood

heeft een neus maar ruikt alleen zichzelf.

Trek mij door uw gangen, god. Leer mij

wandelen op paden die bewegen. Leid mij

in uw waarheid en leer mij zweven. Want

deze weg moet ik gaan, langs deze ravijnen

loopt mij lot, op deze weg schuifelen mijn

ontaarde voeten. Afdrukken zijn er niet. Het gaapt, maar

ik heb geen tijd voor verveling of het pulken van eelt.

Eenzaam ben ik, de hele dag met mijzelf. Ik

wacht op de stortvloed die mij overmant, ik wacht

op de kracht van absolute stilte. Maak

mij kleiner, maai mij weg. Los mij op. Bevrijd

mij van plaats en tijd. Van eeuwigheid. Alleen in uw

gangen wil ik leven, alleen in uw ruimte bestaan. Ik

prijs u om het vergezicht. U bent zo licht.

Mijn ziel is ontkomen als een vogel uit de val van zijn

belagers. Hoog zweefde ik en zag dat een dochter werd

doorstoken, een andere dochter doodgeslagen, de zoon

aan de tafel vastgespijkerd. Waarom moet een man zien

hoe zijn vrouw wordt opengeritst en de tweeling in haar

buik er uit getrokken, doodgeschopt? Bestaat

er dan geen recht, geen levend water, geen geweten?

Eenzaam ben ik, de hele dag met mijzelf Ik

wacht op u, in u schuil ik. U prijs ik, in u is

licht, u lost mij op. Doe mij recht, voer

het geding dat ik aanspan. Spaar hen niet, mijn

achtervolgers. Maak ze groot en machtig, laat ze binnen in de

waan. Des te harder zal de klap zijn, des te schrijnender

hun nietigheid. Doe mij recht en

dood hen niet. Neem hun geliefden, de mannen en

vrouwen, de zonen en dochters, neem hun bezit, maar

spaar hun levens. Ze moeten zien. Toon

ze mij. Ik in u.

Nooit was ik zo volkomen.

Nooit zo loos.

Nooit zo ziel.

Waarom stoot u mij weg? Ziet u niet hoe goed het is

als wij samenwonen? Ik geef alles, ik geef mee, maar

uw antwoord is er niet. In de stilte waai

ik en geniet van kleur. Ik ledig de kelk, knijp

in mijn lijf. Ik voel niet, zwakte pakt me. Mijn

benauwdheid maakt mijn spreken stamelen. Ben

ik nog een mens?

Een echo is mijn antwoord: emen.

En ik schreeuw: bederf

En hoor: erf.

Ik roep: stik.

En hoor: ik.

Ik terg: niets.

En hoor: iets.

Is er niets meer heilig? Waarom

noemt u niet alles? Waarom laat u

ons bestaan? Ik ben een pootaardappel op

een gloeiende rots. Vol vertrouwen bouw ik

wortels, mijn loof opent zich naar zon. Mijn

lof verstikt in stof Mijn grijsgroene

bladeren spannen zich. Hoe

lang houd ik dit vol? Hoor

toch mijn smeken, hoor

mij zuchten in uw leegte, hoor

mijn vijanden aan de poort, hoor

hen aanleggen, ik ben de roos, ik

ben in de kern die zij raken willen. Maar

mij raakt u alleen.

U raken ze nooit. U

bent zo diep in mij. Zo

in de diepste leegte, zo

ver van hen. Uw lachen doet hen

kleuren, uw adem maakt hen

ademloos.

O, god, haast u.

Haast u om mij te redden.

Laat die mij haten zich branden

aan uw gloed, laat die mij

naar het leven staan terugdeinzen en

het zout zoeken in hun zakken. Laat

wie 'haha' roepen eeuwig lachen. Goed,

ik ben ellendig en arm, ik

ben nietig, minder dan een neet. Ik

ben het niet waard genoemd te worden, mijn

woord gaat ten onder in het uwe, mijn lichaam

siddert bij het noemen van uw naam. Toch bent u

mijn schuilplaats. In u woon ik. Om u bouw ik

mijn tempel. U bent groot door niet te zijn.

Nog zie ik de ontzielden uw woning

binnendringen. Ze hebben geen ontzag voor

de wonderschone trap, het houten bankje

op de veranda. Ze zien niet de sierlijk bewerkte

deur, de vensterbank met potten, de perfekte

deurknop. De dingen zijn daadloos, schoonheid

is een dood begrip, al het mooie is genade.

Ze treden binnen, zingen lofliederen, en maaien ondertussen

alles wat kracht draagt weg. Ze zoeken u. Maar u

kunnen ze niet raken, u bent zo diep, zo ver. Bij u

kunnen ze niet komen. Uw deuren zijn

zo klein. Maar mij vermoeden ze. En ze zien de mijnen. Ik

vlucht niet, mijn mond beweegt en mijn woorden stromen. Hoe

mooier ze zijn, hoe harder ze schreeuwen. Hoe dieper

de zin, hoe onzinniger hun nukken. Ze vernietigen alles wat

iemand lief kan zijn, de tempel wordt een martelkamer. Mijn

geliefden ontnemen ze het leven en ze slepen de ontzielde

lichamen naar buiten om ze daar te doorzeven met kogels die

geen doel meer raken. Er was niemand die begroef, ik

begroef alleen mijn hoofd. Ze deden alsof ik er niet was.

Waarom

zagen zij mij niet, waarom doden ze mij met hun stilte?

Hoelang nog, god? Hoe lang nog

laat gij hen begaan. Staat gij dit nog langer

toe? Werp u op moordlustigen, verbind u met uzelf, breng bij

elkaar wat niet bij elkaar mag komen. Spring in het vel, verdeel

de kracht die in u is en werp u op de moordende brigades, de

lieden zonder ziel, de onmensen die hun oog niet kunnen leggen

in een deurknop en een vensterbank. Verdelg de mensen die niet

stilstaan bij een ornament, bij een boom, bij een streep

in het gelaat. Doe het snel, wij zijn zo zwak. Help ons,

god. Met bewegende leegte, met negen slagen in het

niets. Laat u kennen, noem uw naam, verschroei

het bloed van hen die bloed doen vloeien. Druk

stom hen die aan stukken snijden. Wij kunnen dat

niet doen, aan ons is alles slap, zwakte pakte ons.

Mijn ziel is verzadigd van rampen, mijn

leven speelt zich af op de rand van het ravijn. Ik ben een

man geworden zonder kracht, een dode bijna, een man onder de

grond. In de diepste kuil hebt gij mij geworpen, zwaar rust

uw adem op mij. Mijn vrienden hebt gij weggejaagd. Ik

ben ingesloten, ontkomen kan ik niet. Waarom

verstoot gij mij?

Arm en ellendig, radeloos ben ik.

Uw leegte omsingelt mij, uw

brandende ogen maken mij as, uw

zware wateren omspoelen mij. Naar

lucht hap ik. Ik klop aan bij vrienden, maar

niemand doet open. Ik roep uw

naam, maar niemand antwoordt.

Gerechtigheid is het beton onder het niets. Een wreker

steekt in u, het scherm dat u wegtrekt het uiterste

gebaar. Alles klapt op elkaar. Een mes wordt in de

leegte gezet. U bent uw eigen rechter, niemand wordt

gespaard, zelfs die geloven maait u neer. Overal branden

braamstruiken. Overal offert u uw eigen

zoon. Wat om u is wordt weggevaagd. En ik? Ik

zeef mijn god en laat mij door hem zeven. Door

een onzichtbaar net word ik gedreven, door een

onzichtbaar leger word ik gedeeld. Ik span mij in om

heel te blijven, maar weet dat ik mij

delen moet, dat mijn ik een deken

is, een mantel die bedekt wat

onbedekt had moeten blijven.

Hoog huis, hoe bereik ik

u, hoe kan ik komen in de

diepte van uw oceaan? Ik

maak mij kleiner, ik

verdwijn bijna. Help mij

bij u uit te huilen. In u schuil

ik, uw huis is klein genoeg, uw mond

zo woordloos, zo zielbezeten. Ik

hecht niet langer aan het leven, maar

het hecht zich. Genadeloos.  

IRUN SCHEIFES  


De kruiken  

Op de lange tafel van de tijd

drinken de kruiken Gods.

Ze drinken de ogen van de zienden leeg

en de ogen van de blinden,

de harten van heersende schaduwen,

de holle wang van de avond.

Zij zijn de geweldigste drinkers:

zij voeren het lege naar de mond als het volle

en schuimen niet over zoals jij of ik. 

Paul Celan

 

Zo ben je dan geworden

zoals ik je nooit heb gekend:

je hart slaat overal

in een bronnenland,

 

waar geen mond drinkt en geen

gestalte de schaduwen omzoomt,

waar water kwelt voor de schijn

en schijn als water schuimt.

 

Je stijgt in alle bronnen,

je zweeft door elke schijn.

Je hebt een spel verzonnen,

dat wil vergeten zijn.

Paul Celan

 

Landschap  

Jullie hoge populieren - mensen van deze aarde!

Jullie zwarte vijvers geluk - jullie spiegelen ze dood!

 

Ik zag je, zuster, staan in deze glans.

Paul Celan

 

In het laatrood

In het laatrood slapen de namen:

een

wekt je nacht

en voert hem, met witte staven langs -

tastend aan de zuidwand van het hart,

onder de dennen:

een, van menselijke gestalte,

schrijdt naar de pottenbakkerstad toe,

waar de regen zijn intrek neemt als vriend

van een uur van het meer.

In het blauw

spreekt zij een schaduwbelovend boomwoord,

en je lieve naam

rekent zijn letters daartoe.  

Paul Celan   


 

Ontbinding

Het donkert, en het lokt mij niet

Zelfs naar een lamp te tasten.

Waar het de dag te eindigen behaagd heeft,

aanvaard ik de avond.

 

En daarmee aanvaard ik dat opstaat

Een andere orde van wezens

En van dingen niet verbeeld.

Armen gekruist.

 

Ledig van wat wij beminden.

Is de hemel weidser. Bevolkte plaatsen

Doemen in de leegte op.

Woon ik in een ervan?

 

En ik onderscheid zelfs niet mijn huid

Van het toevloeiend duister.

Een unaniem eind concentreert zich

En toeft in de lucht. Aarzelend.

 

En deze agressieve geest

Die de dag met zich sleept,

Drukt nu niet meer. Zo vrede,

Verbrijzeld.

 

Zal zij duizend jaren duren, of

Doven met de kleuren van de haan?

Deze roos zij is definitief,

Al is zij schamel.

 

Fantasie, valse waanzinnige,

Alreeds veracht ik u. En ook u, woord.

Op de wereld, eeuwige doorreis,

Zwijgen wij.

En zonder ziel, lichaam, zijt ge zacht.

Carlos Drummond de Andrade  (vert. A. Willemsen)


 

De toebedeelde tijd   

Een minuut, een minuut van hoop, niet meer,

En ’t einde komt. En reeds is elke zekerheid

In botten opgegaan. Slechts rest het teer

Besluit tussen de dood en onaandoenlijkheid.

 

De tijd vermoeit, dus een minuut, niet meer,

En nimmer overwint liefdes scherpzinnigheid

Deze doren, deze naald die, fijne speer,

Ons op ’t onmetelijke strand in stukken splijt.

 

Nog slechts één minuut, en die komt laat.

Nog slechts van jou iets, die onbuigzaam bent,

Terwijl, lafaard, ik door mijzelf mij duwen laat.

 

Een minuut, en ’t eind is daar. Klok ongeremd,

Vaag zichtbaar visioen in troebel zwerk,

Zij een minuut genoeg, mij en mijn werk.

Carlos Drummond de Andrade  (vert. A. Willemsen)

 

Sonnet van de verloren hoop   

Ik heb de tram gemist en de hoop.

Bleek keer ik terug naar huis.

De straat is nutteloos, geen auto

Zou over mijn lichaam rijden.

 

Ik loop de trage helling op

Waarlangs de wegen samenvloeien.

En alle leiden zij naar het

Begin van drama en van flora.

 

Ik weet niet of dit lijden is

Of iemand die – en waarom niet? –

Zich in de smalle nacht vermaakt

 

Met een onmogelijke fluit.

Intussen het lang geleden

Dat wij ja! riepen tegen de eeuwige.

Carlos Drummond de Andrade  (vert. A. Willemsen)

 

Droefheid in de hemel   

Ook in de hemel is een melancholisch uur.

Moeilijk moment, waarin twijfel de zielen doordringt.

Waarom heb ik de wereld gemaakt? vraagt God zich af

En antwoordt zich: Ik weet het niet.

 

De engelen kijken hem verwijtend aan,

En veren vallen.

 

Alle hypothesen: genade, eeuwigheid, liefde

Vallen, zijn veren.

 

Nog een veer, de hemel valt uiteen.

Zo zachtjes, geen geraas verraadt

Het moment tussen alles en niets,

Ofwel, de droefheid Gods.

Carlos Drummond de Andrade  (vert. A. Willemsen)


Hoe weinig ik van nut ben,

Ik hef mijn vinger en laat

Niet de kleinste streep achter

In de lucht.

 

De tijd doet mijn gezicht vervagen,

Ze is reeds begonnen.

Achter mijn voetstappen in het stof

Wast de regen de straten blank

Als een huisvrouw.

 

Ik was hier.

Ik ga voorbij

Zonder spoor.

De olmen langs de weg

Wenken me toe hoe ik nader,

Groen blauw gouden groet,

En vergeten mij,

Voordat ik voorbij ben.

 

Ik ga voorbij –

Maar misschien laat ik achter

De zachte klank van mijn stem,

Mijn lachen en mijn tranen

En ook de groet van de bomen in de avond

Op een stukje papier.

En in het voorbijgaan

Helemaal zonder bedoeling,

Steek ik de een of andere

Lantaarn aan

In de harten aan de rand van de weg.

Hilde Domin  

 

Voorbijtrekkend landschap 

Men zou moeten kunnen weggaan

En toch zijn als een boom:

Alsof de wortel in de bodem bleef

Als trok het landschap voorbij en wij stonden vast.

Men moet de adem inhouden,

Tot de wind nalaat

En de vreemde lucht om ons heen begint te draaien,

Tot het spel van licht en schaduw,

Van groen en blauw,

De oude vormen toont,

En wij thuis zijn,

Waar dat ook is,

En kunnen neerzitten en aanleunen.

Hilde Domin


Ghi smaect mi suete

Ghi smaect mi suete boven honechraten.

Ende boven alle suetecheit van maten.

Altoes blijft in mi hongher ende begheeren,

Want ic en kan u niet verteeren.

Etdti mi, ochte etic u, dats mi onkond,

Want beide dunct mi in minen grond.

Ghi eischt mi ‚‚n met u te sine

Ende dat gheeft mi grooete pine,

Want ic en wille mine ufeninghe niet laten

Ende in uwen arme slapen.

Ic moet u danken, lof ende eere gheven,

Want dat es mijn eewegh leven.

Ongheduer vendic in mi;

Ic en can gheweten wat dat si.

Mochtic eenegheit met gode verkrighen

Ende altoes in mijn werken bliven,

Soe soudic al mijnre klaghen swighen.

God die alle nooet bekint,

Hi doe met mi al dat hi wilt.

Ic gheve mi te-male in sijn ghewoud.

Soe blivic in allen dooeghene stout.

Jan van Ruusbroeck


Armando De veldtocht Gedichten

Misschien de steen,

De bodem van de binnenplaats:

Het gebouw, het terrein.

Meestal met de stem bekeken:

De tred van de steen.

Lopend

De gedachte betasten.

Hoe ik het weet, hoe ik het nooit

Te weten kom.

Het is grijs, het wordt vierkant:

Dit denkbeeld.

Stokstijf wachten op de storm.

De tong,

De listen van de wang,

De oogholte,

De mond een hok.

Nu.

Een beval van enige lengte.

Het teken wil bewegen.

 

De vuist

Sluipt naar links,

De huid wijkt naar rechts:

Ademloos uit lijfsbehoud.

 

Wapenfeit. Vluchtpoging.

We gaan het zeggen,

Zei hij.

Dezelfde berg.

Als ik het zeg, zei hij,

Gaan we klimmen,

Ik wil het mijne, ik wil

De treden van de hemel.

Een land, een land,

Achttien dagen onbegaanbaar.

 

De trilling. Twaalf eeuwen.

De jammerklachten werden weggehoond,

Het handgebaar verboden.

 

Een voetstuk,

Straatgewoel, het stramme spel.

Over de leeftijdsgrens en de ommekeer,

De geur van het geschut,

Over de buit en

Het gekletter der woorden.

 

De kokende rug der kudden.

 

Terloops

Gesproken over het schootsveld,

Over mijn aandeel in de vervoering.

De voorhoede,

Waaiend langs de grens.

 

Geen onbezonnen vraag, geen

Samenspraak.

 

Ze vallen bedachtzaam aan.

 

’s Nachts. De bomen.

Het zoeken van de storm.

De plechtige arm op jacht.

Het vaandel woedend opzij.

 

Het wapen hijgend naar voren.

 

Het rolde voorbij,

Op hoge wielen rakelings voorbij:

Een giftig harnas.

 

Gepantserd dansend.

 

Vuur, riep hij, vuur.

Het rolde voorbij, het verdween.

 

Waar ze,

Naast de haveloze boom,

Met z’n allen haastig graven,

Weerloos tegen de schedel.

 

Wat blijft: armen en benen in marmer.

 

Wat begaanbaar was: de stapels takken.

 

Wat overzichtelijk was:

Het woeste weefsel van de bossen.

 

Klanken,

die de vader voorzichtig beschreef.

 

Ver weg, een land op stelten.

 

Hij vertelde

Hoe de wond de knie genas, hoe

Het hoofd verschoven werd.

 

Elders:

De afdruk van een wespennest.

Een been en meer dan zeven rompen als

Bemanning,

Ze vergelen in de sneeuw.

 

Onbesuisde kledingstukken:

Een voorval.

Deze boom is haast groter dan een wolk, de

Wolk is bleker dan de maan.

 

Hier wordt overnacht.

 

Morgen, als het vriest, wordt de groep

verwoest:

een tafereel, een tafereel.

 

 

Nee, de meeste stenen zijn verdwaald.

Ze zijn opgetild en weggesmeten.

Daarom zijn ze hees en achterdochtig.

 

Ze hebben geen spijt, ze werden opgeleid.

Daarom kunnen ze spreken en wenen.

 

Struikelend viel de soldaat in slaap.

Bij bezeerde zich en bevroor.

 

Straks:

De groep die volgens zeggen de hemel bedwelmt,

Vanuit de maanstand de hebzucht bekijkt.

   

Ze branden, hoe ze bijgelovig branden,

Opgestapeld overeind.

 

De tempel zwaait.

 

Hoe ze bewogen, hoe ze

Hopelijk omhoog bewegen.

 

Ja, de groep rekt zich uit,

Een tongval op de landweg wordt

Plotseling groen.

 

Het begon,

Daar denk ik aan.

 

Het eindigt.

Vaarwel, onhoorbare voorouders.

Hoe onvoorzichtig dit meer,

Het water dat de takken wurgt.

Hoe onvoorzichtig dit dwaallicht.

 

Hoe vochtig het struikgewas:

Een handgemeen, een handgemeen.

 

Zichtbaar:

De handen van de stam.

 

Hoorbaar:

Het gonzende zand.

 

Herkenbaar:

Verminkt achtergelaten.

 

De witte ingang, de deur brak,

Niemand sprak,

De looppas, de vraag waar het was.

 

Het was waar ik wil: een dode jas.

 

Nam z´n armen nooit omhoog,

z´n mond niet meer opzij,

sloot z´n hoofd,

stak z´n handen in de stam.

 

Dat de vader notabene aan de deur,

Aan de deur,

Te horen kreeg dat hij sterven moest.

zelf.

Nooit te weten kwam of hij werkelijk wilde of

Dat het door de vijand vriendelijk verzocht werd.

 

Vroeg hij nog iets?

 

Nee, korte metten alsjeblieft.

Daar stonden ze, hij werd meteen gemeten.

 

Toen ze klaar waren greep ie de spiegel

En nam wraak, het evenbeeld was

Niet te spreken.

 

Kwam ie terug? Nee.

 

Dacht ik dat

Het verstand de smalste weg,

De gladde toekomst uit gevangenschap

Was.

 

Hij wil het daglicht zien: de betekenis.

 

Dacht dat het verstand

De platte kant van de aandacht was,

Dat het zich zou verzetten tegen

Het getij of tegen de avondstemming.

 

Er

Was sprake van de terugkeer,

Van de angstige ontvangst.

 

Hoe verongelijkt hij deed.

 

Er was sprake

Van letsel in de levensloop.

 

Dacht je dat. Dat wij nooit met tegenzin,

Dat wij slechts gehoorzaam waren, dat wij zelden

Iets te weten kwamen.

 

Werkelijk?

 

Of dacht je dat wij eensgezind, dat wij ooit

Berouw hadden.

Nee?

En of wij nooit in uniform het een en ander zagen,

Dat niet of nauwelijks door ons veroorzaakt was.

Daarom heb ik nooit geaarzeld.

 

Bewierookt immers.

 

Zelfs als je bevelen kreeg dan moesten we, als je

Bevelen kreeg dan wou je.

 

Hoe of het werd?

Nou, we hebben geholpen, dat zie ik.

 

Dat niemand enige aandacht, ja haast lachend,

Geen moment gezwegen heeft, dat

Niemand tijd heeft om te weten

Wat er gaande was, dat ook wij

Niet keken.

Liever geen berouw.

 

Wat moest ik,

We hadden immers bekend,

Doen.  


Gewone dromen

Het examen waar allen maar jij alleen weet dat

en moet het nog doen allang voor geslaagd zijn –

 

Om een lezing te houden de zaal binnengaan

maar de tekst ben je kwijt en zelf in je hemd –

 

Je komt in dat huis waar de toekomst op slot ging

bij vreemden te gast en je plek is daar weer niet –

 

Jij of die ander die elders met anderen

het betere leeft wat geen naam heeft en beeld blijft –

 

Spijts het gedachten verplaatsende landschap (Toscane)

waar ben je de noodzaak Spinoza te lezen wie ben je –

 

Wordt de dolende geest van de doden niet dringend

gestoord door dat draadloze praten van ons in de ether –

 

In zelfkennis houdt zich de godheid verborgen

of heeft een vlinder nog weet van zijn rups?

C.O. Jellema: 


De laatste bevindingen

Er waren zoals we dachten te weten

twee werelden – de echte en die andere

dit onderscheid is onlangs bij nader onderzoek

een overbodige illusie gebleken:

deskundigen hebben in menselijke hersenen gezocht

en geen verschillen gehoord of gezien

integendeel, wat zij vonden

was met geen pen te beschrijven,

zo ongelooflijk eenvoudig zo mooi

zij noteerden:

‘De nacht viel in de ramen van ons instituut,

maanlicht streek over de jonge borsten

van onze v rouw elijke proef pers oon

 

en ja, de door haar hersencellen aangedreven

apparaten

zuchtten en in onze microscopen zagen we

in haar moleculen melkwegen van verlangen.

Wij zoeken nog koortsachtig naar formules.’

Rutger Kopland


Die Wirklichkeit

Die Wirklichkeit

Die ich durch die schmutzige Fensterscheibe

Im Wartesaal

Betrachtete

 

Sah ich

Auge in Auge

 

Schwach

Wandte ich mich um

Von meiner Schwäche

 

Wandte mich um

Von den Täuschungen

In den Sand

Meiner Worte

Zeichnete jemand das Zeichen

Des Fisches

Und ging

Tadeusz  Rózewicz


Het water

Vooraf bestaat het water.

Achteraf bestaat het water;

het duurt, het duurt voort.

 

- Het water van het meer?

- Het water van de rivier?

- Het water van de zee?

 

Nooit water op water.

Nooit water voor water;

water echter, waar geen water meer is;

water echter in de dode herinnering van het water.

 

Leven in de levende dood

tussen de herinnering aan het water en het

vergeten ervan,

tussen

de dorst en de dorst.

 

Het water treedt binnen:

ceremonieel.

Het water grijpt om zich heen,

het vloeit:

vruchtbaarheid.

Steeds water voor water.

Steeds water op water.

Overvloed.

 

- de woestijn was mijn land.

De woestijn is mijn weg,

mijn dwalen.

 

Steeds tussen twee horizons;

tussen de horizon en

het roepen van de horizon.

Hiernamaalsgrens.

 

Het zand glinstert als water

in onstilbare dorst.

 

Kwelling, door de nacht tot rust ge­bracht.

 

Onze stappen besprenkelen de dorst.

Afwezigheid.

   

- Het water van het meer?

- Het water van de rivier?

- Het water van de zee?

 

Spoedig komt de regen,

om de ziel van de doden te wassen.

 

Laat de afgebrande schaduwen voor­bij,

de morgenstonden met de geofferde bomen.

Walm. Walm.

 

(Schreeuw eens als vruchten,

als bloesem,

als bladeren

en hun lange uitgestrekte armen.)

 

Elke arm zijn horizon.

Elke bloesem, elke vrucht

haar jaargetijde.

Het blad zijn neiging.

 

De hemel kijkt neer op de aarde.

Schrijven wil zeggen, de woorden uit­lopen laten,

om de bodem te bevloeien.

Elke zin bestaat uit regen

en uit licht.

 

Ik schrijf de woestijn.

Zo sterk is het licht,

dat de regen zich vervluchtigd heeft.

 

Er blijft alleen het zand,

waar ik wandel.

 

Edmond Jabès

uit: Das gedächtnis und die Hand

Münster 1992


IN MEI

 

Toen ik bij dageraad door het woud wandelde,

in mei, vroeg ik me af waar jullie waren,

zielen van de doden. Waar zijn jullie, jonge

vermisten, waar zijn jullie,

de volledig veranderden?

In het bos heerste grote stilte,

en ik hoorde de groene bladeren dromen,

ik hoorde de droom van de schors waaruit boten,

schepen en zeilen zullen ontstaan.

Dan, langzaam, begonnen de vogels te herleven,

distelvinken, lijsters, merels, verborgen

op balkons van takken, elk in een andere taal,

elk met een andere stem, niets vragend,

zonder bitterheid of spijt.

En ik besefte dat jullie zang zijn,

onvatbaar als muziek, onbegrijpelijk

als muzieknoten, ver verwijderd van ons

zoals wij van onszelf.

 

Adam Zagajewski


DE STILTE

Er komt een moment waarop je merkt

dat de stilte helemaal niet opgezocht hoeft te worden,

dat ze er allang was

vlakbij,

ja, dat wij haar met ons meedroegen

in het zachtmoedig bezig zijn van ons lichaam,

in zijn geduldige reis door de tijd.

De stilte hoeft nooit zelf te reizen,

zij valt altijd samen met haar doel

en haar wachttijden kan niemand meten.

*

De stilte bestiert de geluiden

houdt ze in bewaring,

zorgt voor hen gedurende hun korte leven

en laat hen nooit in de steek.

Zelfs de meest ingetogen geluiden,

die zich niet opdringen

en nauwelijks weet hebben van zichzelf;

krijgen in de stilte de hun toegemeten tijd

zoals het zachte krabben van nagels over de vloer

toen de hond zijn poten al dromend bewoog

of het geritsel uit de mierenhoop

toen de grote trek begon in de zonnewarmte

van een ochtend in april.

Geduldig te zijn als de steen

in zijn afwachting van het mos,

diens traag tastende wortels

die in alle rust

hun houvast zoeken -

te weten dat iets je zoekt

en op je wacht

daarbinnen in de stilte,

dat je tenslotte wellicht

voor een soort ontmoeting zult staan,

voor een tastend begin.

Carl-Erik af Geijerstam


Journey of the Magi

 

‘A cold coming we had of it,

Just the worst time of the year

For a journey, and such a long journey:

The ways deep and the weather sharp,

The very dead ofwinter.'

And the camels galled, sore-footed, refractory,

Lying down in the melting snow.

There were times we regretted

The summer palaces on slopes, the terraces,

And the silken girls bringing sherbet.

Then the camel men cursing and grumbling

And running away, and wanting their Iiquor and women,

And the night-fires going out, and the Iack of shelters,

And the cities hostile and the towns unfriendly

And the villages dirty and charging high prices :

A hard time we had of it.

At the end we preferred to travel aII night,

Sleeping in snatches,

With the voices singing in our ears, saying

That this was all folly.  

 

Then at dawn we came down to a temperate valley,

Wet, below the snow Iine, smelling ofvegetation,

With a running stream and a water-mill beating the

darkness,

And three trees on the Iow sky.

And an oId white horse galloped away in the meadow.

Then we came to a tavern with vine-leaves over the lintel,

Six hands at an open door dicing for pieces of silver,

And feet kicking the empty wine-skins.

But there was no information, so we continued

And arrived at evening, not a moment too soon

Finding the place ; it was (you may say) satisfactory.  

 

All this was a long time ago, I remember,

And I would do it again, but set down

This set down

This: were we led all that way for .

Birth or Death? There was a Birth, certainly,

We had evidence and no doubt. I had seen birth and death,

But had thought they were diff.erent; this Birth was

Hard and bitter agony for us, Iike Death, our death.

We returne to our places, these Kingdoms,

But no longer at ease here, in the old dispensation,

With an alien people clutching their gods.

I should be glad of another death.

 

A Song for Simeon

Lord, the Roman hyacinths are blooming in bowls and

The winter sun creeps by the snow hills;

The stubborn season had made stand.

My life is light, waiting for the death wind,

Like a feather on the back of my hand.

Dust in sunlight and memory in corners

Wait for the wind that chills towards the dead land.

Grant us thy peace.

I have walked many years in this city,

Kept faith and fast, provided for the poor,

Have given and taken honour and ease.

There went never any rejected from my door.

Who shall remember my house, where shall live my children's children .

When the time of sorrow is come?

They will take to the goat’s path, and the fox's home,

Fleeing from the foreign faces and the foreign swords.

Before the time of cords and scourges and lamentation

Grant us thy peace.

Before the stations of the mountain of desolation,

Before the certain hour of maternal sorrow,

Now at this birth season of decease,

Let the Infant, the still unspeaking and unspoken Word,

Grant Israel's consolation

To one who has eighty years and no to-morrow.

According to thy word.

They shall praise Thee and suffer in every generation

With glory and derision,

Light upon light, mounting the saints' stair.

Not for me the martyrdom, the ecstasy of thought and prayer,

Not for me the ultimate vision.

Grant me thy peace.

(And a sword shall pierce thy heart,

Thine also).

I am tired with my own life and the lives of those after me,

I am dying in my own death and the deaths of those after me.

Let thy servant depart,

Having seen thy salvation.

T.S.Eliot


De reiskameraad

Op een onaards uur vertrokken,

wars van alles, zonder reisplan,

elke overlegging mijdend

en mij weidend in mijn vrijheid

bij het dansen van de draden,

weet ik feestelijk in mijn jaszak

het kompas, dat onder Arkel

ik als kind eens op een morgen

heb gevonden in de wegberm.

 

Dat mijn trots was, dat het nog is,

dat ik Boreas gedoopt heb.

Waaraan nooit iets gemankeerd heeft.

Of ik zuidwaarts ga of zigzag,

onomkoopbaar, onverbiddelijk

richt zich de magneetnaald noordwaarts.

Eindelijk reizen wij weer samen;

twee die bij elkander horen,

twee die aan elkaar gewaagd zijn.

I. Gerhardt


GROSS SIND DIE WÜSTEN, UND ALLES IST WÜSTE

Gross sind die Wüsten, und alles ist Wüste.

Ein paar Tonnen Steine und Ziegel daruber können doch nicht den Boden verdecken, den Boden, der alles ist.

Gross sind die Wüsten und die Seelen verlassen und gross -

verlassen, weil nichts sie durchzieht als sie selber,

gross, weil man alles von ihnen aus sieht, und alles ist tot.

 

Gross sind die Wüsten, meine Seele! Gross sind die Wüsten.       

                  

Ich hab' keinen Fahrschein fur dieses Leben gekauft,

ich hab' die Tür zum Gefühl verfehlt,

allen Willen, alle Gelegenheiten verpasst.

Heute, kurz vor der Reise, bleibt mir nur noch,

mit offenem Koffer, der auf das lange verschobene Packen wartet,               

mit den Hemden, die nicht hineinpassen, auf dem Stuhle sitzend,

Heute bleibt mir (ausser der Unbequmlichkeit, so zu sitzen) nur eines:

Zu wissen:

Gross sind die Wüsten, und alles ist Wüste.

Gross ist das Leben; dass Leben vorhanden ist, lohnt nicht.

 

Ich packe den Koffer besser, wenn nur die Augen ans Packen denken

als wenn die kunstlichen Hände packen (ich glaube, ich drucke mich richtig aus).

Ich zünde die Zigarette an, um die Reise aufzuschieben, um alle Reisen aufzuschieben, um das gesamte Weltall aufzuschieben.

Komm morgen wieder, Wirklichkeit! Für heute reicht es, ihr Herren!

Vertag dich, allmächtige Gegenwart! Besser nicht sein als so sein.

 

Kauft dem Kinde, aus dem aus Versehen mein Ich entstand , Schokolade

und nehmt das Warenschild weg, denn morgen ist das Unendliche.

 

Aber ich muss den Koffer packen, ich muss unbedingt den Koffer packen, den Koffer Ich kann nicht die Hemden in der Hypothese mitnehmen

und den Koffer in der Vernunft.

Gewiss, mein Leben lang hab' ich den Koffer packen mussen.

Aber mein Leben lang musste ich auch auf der Ecke mit den gestapelten Hemden sitzen, wie ein Stier, der nicht zum Apis gedieh, mein Schicksal käuend.

 

Ich muss den Seins-Koffer packen.

Ich muss existieren, indem ich Koffer packe.

Die Zigarettenasche fällt auf das oberste Hemd des Stapels.

Ich schaue zur Seite und stelle fest, dass ich schlafe.

Ich weiss nur, dass ich den Koffer zu packen habe,

und dass die Wüsten gross sind und alles Wüste,

und denke an irgendein Gleichnis daruber, aber ich habe es schon vergessen.

 

Aufeinmal erhebe ich mich - wie alle Cäsaren.

Ich werde endgültig Koffer packen.

Zum Teufel! Ich muss ihn packen schliessen;

muss sehen, wie man ihn fortträgt,

muss unabhangig von ihm existieren.

 

Gross sind die Wüsten und alles ist Wüste;

Irrtum naturlich vorbehalten.

Arme menschliche Seele, deren Oase nur in der benachbarten Wüste!

 

Besser noch Koffer packen.   

Ende.               

Alvaros de Campos


Si desde que nací cuanto he pensado,

Cuanto he solicitado y pretendido,

Ha sido vanidad y sombre ha sido,

De locas esperanzas engañado,

 

Si no tengo de todo lo pasado

Presente más que el tiempo que el perdido,

Vanamente he cansodo mi sentido

Y torres en el viento fabricado.

 

Cuán engañada el alma presumía

Que su capacidad pudiera hartarse

Con lo que el bien mortal le pormetía :

 

Era su esfea Dios para quietarse,

Y como fuera dél lo pretendía,

No pudo hasta tenerle sosegarse.

 

Lope de Vega (1562-1635)

 

Waar al wat ik gedacht heb in mijn leven,

Al wat ik heb gewild en nagestreefd,

Slechts luchtkastelen opgeleverd heeft,

Door ijdele verwachting ingegeven,

 

En waar van alles wat ik heb beleefd

Alleen de tijd die weg is is gebleven,

Blijkt iedere gedachte om het even,

En waan wat mij voor ogen heeft gezweefd.

 

De dwaze ziel die zich door aardse pracht

En sterfelijke schoonheid liet verblinden

En daar voldoening in te vinden dacht,

 

Versmacht naar God, en wat zij verder in de

Ontreddering ook naar een rustpunt tracht,

Zij zal haar rust tot zij Hem heeft niet vinden.

Vert.: J.P.Rawie


Sterren plukken

Sterren plukken, frambozen ’s nachts van een struik

uit het donker, het fluweel, de tijd van de eenling.

Zachtheid ademen, warmte omhullen

met barmhartige eenzaamheid, die van geraas verlaten,

spreekt door stilte, rijpend met een geheim,

verder gaan, als op poezevoeten

onsterfelijk gemak kennen, gestolen uit de levensbron

een goddelijk ijzeren rantsoen wordt hier niet uitgedeeld

tussen bestaan en bestaan, tussen niets en niets.

Opgerold liggen op de grond, aarde ruiken,

die goeie broodkorst. Groeien en groeien,

een embryo in de schoot van het grote erbarmen.

Amir Gilboa


Ik ben  

Mijn lied zocht verbeten naar draden in het woud,

verborgen vezels, kostbare was,

snoeide takken en liet de eenzaamheid

geuren met lippen van hout.

 

Elk wezen had ik lief, elke druppel

purper of metaal, water en aren,

de dikke lagen, door ruimte en drijfzand bewaakt,

drong ik binnen

en als een dode zong ik met gebroken mond

in de druiven van de aarde.

Klei, slijk, wijn, alles overdekte me,

ik werd gek toen ik de heupen aanraakte

van de huid, haar bloem brandde

als vuur in mijn keel,

mijn zinnen dwaalden in de steen

en haalden gesloten littekens weer open.

Alles werd tederheid en bronnen.

er restte enkel nog nachtmuziek.

 

Ik hield niet van de dode goedheid in de straten.

Ik moest niets weten van haar stinkende water,

ik raakte haar besmette zee niet aan.

Ik groef het goede uit als een metaal, ik wroette

dieper dan de bijtende ogen

en tussen de littekens groeide

mijn hart dat op zwaarden geboren werd.

Ik ging mijn vijanden niet zoeken op het plein,

ik lag niet op de loer met gemaskerde hand,

ik groeide enkel mee met mijn wortels

en de bodem uitgestrekt onder mijn masten

ontcijferde de slapende aardwormen.

 

Ik schrijf voor het volk, ook al kan het

mijn poëzie niet lezen met zijn boerenogen.

Eens komt de dag dat een regel, de melodie

die mijn leven veranderde, ook hun oor bereikt,

dan zal de boer de ogen opslaan,

de mijnwerker zal glimlachend stenen houwen,

de arbeider veegt zijn voorhoofd af,

de visser zal beter zien hoe de vis schittert

die trillend in zijn handen brandt,

de schone, pas gewassen monteur die nog

geurt naar zeep zal mijn gedichten bekijken

en misschien zeggen ze dan: 'Hij was een kameraad'.

Dat volstaat, ik wens geen andere kroon.

Ik wil dat bij de uitgang van mijnen en fabrieken

mijn poëzie aan de aarde kleeft,

aan de lucht, aan de overwinning

van de mishandelde mens.

 

Steeds weer ben ik herboren uit de diepten

van verwoeste sterren, ik nam de draad weer op

van de eeuwigheid die ik met eigen handen bevolkte,

en nu ga ik sterven, zonder meer, met aarde

op mijn lichaam, voorbestemd aarde te zijn.

Ik heb geen stukje hemel gekocht

van de priesters. Ik heb ook de duisternis niet aanvaard

die de metafysicus uitvond

voor de zorgeloze rijken.

In de dood wil ik bij de armen zijn

die geen tijd hadden erover na te denken,

terwijl ze geslagen werden door hen die

de hemel bezitten. netjes verdeeld en geordend.

Ik laat de arbeiders uit de kopermijnen,

de delvers naar steenkool en salpeter,

mijn huis bij de zee is van Isla Negra.

Ik wil dat het een rustplaats wordt

voor de mishandelde zonen

van mijn vaderland, geveld door bijlen en verraders.

in hun heilig bloed gesmoord,

verteerd in vulkanische lompen.

Bij de zuivere liefde die heerste in mijn gebied

wil ik dat de vermoeiden rusten,

de donkeren mogen zich om mijn tafel scharen,

de gewonden mogen slapen in mijn bed.

Broeder, dit is mijn huis, betreed de wereld

van zeebloemen en besterde steen

die ik schiep, vechtend in mijn armoede.

Hier in mijn raam ontstond de klank

als in een groeiende kinkhoren,

later kreeg die klank vastere vorm

in mijn verwarde aardrijkskunde.

Jij komt uit gloeiende gangen.

uit tunnels gebeten door de haat,

doorheen de zwavelsprong van de wind:

hier vind je de vrede die ik voor jou bewaarde.

P. Neruda


Silentium

 

Ze rust nog in de moederschoot,

Ze is muziek en woordenreeksen,

En dus de kern, niet te verbreken,

Van al hetgeen God leven bood.

 

Zeeboezem, kalme ademingen,

Krankzinnig helder is dit uur,

En in een vat van zwart-azuur

Deint schuim, bleekwit zoals seringen.

 

Dat van mijn lippen komen zal

Wat in oerstilte lag verzonken,

Wat altijd zuiver heeft geklonken,

Zoals een noot van puur kristal!

 

Tracht, Afrodite, schuim te blijven,

Weerkeer naar de muziek, o woord,

En hart, laat harten ongestoord

Die één zijn met de bron van leven!

 

Ossip Mandelstam - vertaling Peter Zeeman

 

Silentium

 

Zij is nog ongeboren.

Zij is muziek, maar ook het woord

en daarom de band, niet te verbreken,

van al wat leeft.

 

Kalm ademen de borsten van de zee

maar vol licht, als waanzinnig, is de dag

en bleek seringenschuim

deint in het zwart-azuren vat.

 

Mogen mijn lippen ooit

oer-zwijgen vinden

zoals een toon: helder kristal

en vanaf zijn geboorte zuiver!

 

Blijf zeeschuim, Aphrodite!

Woord, keer terug tot de muziek

en hart, heb beschroomdheid voor een mede-hart,

één met het grondbeginsel van het leven!

 

Ossip Mandelstam - vertaling Kees Verheul


DE LEGE BOOT

 

Hij die mensen regeert

leeft in verwarring;

hij die door anderen geregeerd wordt

leeft in smart.

Daarom wenste Tau

noch de anderen te beïnvloeden

noch door hen beïnvloed te worden.

 

De manier om uit de verwarring

te komen en je te bevrijden

van smart is te leven met Tau

in het land van de Grote Leegte.

 

Als een mens zijn eigen skiff roeit

en zijn boot bij het oversteken

van de rivier omslaat,

dan wordt hij niet kwaad,

al is hij een driftig man.

Maar als hij nog een ander in de boot ziet

dan zal hij hem toeschreeuwen

dat hij beter moet sturen.

Als deze schreeuw niet gehoord wordt,

schreeuwt hij nog eens

en dan begint hij zelfs te vloeken.

En alleen maar omdat er nog iemand

in de boot zit.

Als de boot leeg was geweest

was hij niet uitgevallen

of gaan schreeuwen.

 

Als je eigen boot leeg is

bij het oversteken

van de rivier van de wereld,

dan zal niemand tegen je ingaan;

niemand zal je willen kwetsen.

 

Een rechte boom

wordt het eerste omgehakt.

Een bron van helder water

staat het eerst van alle droog.

Wanneer je wijsheid wilt vergaren

en je schaamt over je domheid,

als je je karakter wilt verbeteren

en anderen verlichten,

dan zal een licht je gaan omstralen,

alsof je zon en maan had ingeslikt -

voor rampen zul je niet uit de weg gaan.

 

Een wijs man heeft eens gezegd:

'Hij die tevreden is over zichzelf

heeft een waardeloos werk verricht.

Succes is het begin van mislukking.

Roem is het begin van schande.'

 

Wie kan zichzelf

zonder succes denken, zonder roem,

en de laagste plaats innemen

tussen de mensen?

Hij zal zijn als Tau, onzichtbaar.

Hij zal als het Leven zelf zijn

en geen naam hebben en geen thuis.

Simpel zal hij zijn, zonder

enige onderscheiding en voor velen

zal hij zijn als een dwaas.

Zijn voetstappen laten geen sporen na.

Macht heeft hij niet.

Hij bereikt niets; hij heeft

geen enkele reputatie.

Aangezien hij niemand oordeelt,

wordt hij door niemand geoordeeld.

Zo vaart de volmaakte mens:

zijn boot is leeg.

Tswang

 


 

 

 

                 

 

    

de Rijn - collage 30 x 40 cm

 

 

  Share |

 

canandanann 31-01-2012