|
|
dichtbundel rond rouw en verdriet 1 - 2004 favoriete gedichten rond dood en verdriet bijeengebracht om te troosten in situaties waarin troost niet genoeg is...
een avond in de herfst ik denk alleen maar aan mijn ouders Buson
Ik zou graag slapen deze nacht Nu jij dood ligt, slapen, slapen, slapen terzijde van jouw volkomen slaap om te zien of ik je zo bereiken kan! Slapen, een morgenstond in de avond bron van de rivier, slapen; twee dagen die samen opgaan in het niets, twee stromen die aan het eind samenvloeien; twee eenheden alsof het één is tweemaal niets alsof het niets is. Ik zou zo graag je dood verslapen. Juan Ramón Jiménez Nee, wij zijn niet aan het einde, ons begin is nog innig-dichtbij, wij zetten onze voettocht naar elkander voort, en de nieuwe horizon is vrij. Wij zullen vast elkander weer ontmoeten in een spiegel: daarachter in het gras zullen sonore cellotonen sproeien en de spiegel zal niet zijn van glas. Niet van glas maar van een weefsel vertrouwd en onvervreemdbaar waar: daarachter ligt een nieuw beleven en de dood zal hangen aan een haar. Is het dan mogelijk dat wij ons vergissen, dat ons mooiste uur toevallig was, zal een blinde worm dat uur wegknagen en blijven er slechts scherven in het gras? Nee, wij zullen vast elkander weer ontmoeten als voorbestemde klanken in een rijm. Sonore cellotonen zullen sproeien over witte wouden van Oneindigheid. Abraham Sutzkever Toen ik bij dageraad door het woud wandelde, in mei, vroeg ik me af waar jullie waren, zielen van de doden. Waar zijn jullie, jonge vermisten, waar zijn jullie, de volledig veranderden? In het bos heerste grote stilte, en ik hoorde de groene bladeren dromen, ik hoorde de droom van de schors waaruit boten, schepen en zeilen zullen ontstaan. Dan, langzaam, begonnen de vogels te herleven, distelvinken, lijsters, merels, verborgen op balkons van takken, elk in een andere taal, elk met een andere stem, niets vragend, zonder bitterheid of spijt. En ik besefte dat jullie zang zijn, onvatbaar als muziek, onbegrijpelijk als muzieknoten, ver verwijderd van ons zoals wij van onszelf. Adam Zagajewski In mijn verdriet niets dat beweegt Ik wacht en geen mens komt Overdag noch 's nachts En ook nooit meer wat ik zelf was Mijn ogen zijn gescheiden van jouw ogen Zij raken hun vertrouwen raken hun licht kwijt Mijn mond is gescheiden van jouw mond Mijn mond is gescheiden van het plezier En van de zin in de liefde en de zin in het leven Mijn handen zijn gescheiden van jouw handen Mijn handen laten alles los Mijn voeten zijn gescheiden van jouw voeten Zij verzetten geen stap er zijn geen wegen meer Zij kennen mijn gewicht niet meer noch de rust Ik kan mijn leven een einde zien nemen Samen met het jouwe Mijn leven in jouw kracht Die ik oneindig dacht En de toekomst mijn enige hoop is mijn graf Net als het jouwe omringd door een onverschillige wereld Ik was je zo na dat ik het koud heb bij de anderen. Paul Éluard Nu
deze eerste dag van een nieuw jaar, nu
zonder haar. Strijklicht
grijpt het bevroren land. Het
is niet waar dat zij daar in de diepte ligt, dat
zij is weggedaan in een besneeuwde stee van
een bij twee. Maar het is waar. Wij
slijpen haar in steen, wij kerven in
het hout haar naam, wij schrijven tegen
beter weten in haar taal; ik spreek
haar stiekem toe. IJdele onzin, valse
vlijt. Een plaats. En het besef dat zij zich
niet meer uitbreidt in mijn tijd. Anna
Enquist We
kruisten de Styx. De
veerman lag dronken in zijn schip. Ik
hield het roer en we zonken als stenen. Water
bestaat als de aarde in
lagen, transparante linten, glanzende strata van
steeds kleiner leven, minder warmte. In
je haren bloeiden luchtbellen, de
stroom trok je hoofd naar achter en
streelde je hals. Stenen
wuifden met armen van algen en varens, zongen
zachtjes gorgelend 'vrede'. Ze
sneden je kleren los. Vissen
likten het bloed van je benen. Ik
hield je hand vast. Ik wilde je troosten maar
we vielen te snel en er zijn geen woorden die
zonder lucht bestaan, mijn liefde bleef
boven, blauwe ballonnen, bakens voor even, de
plaats markerend van het ongeluk voordat
ze verder dreven. Je mond ging open. Je
gezicht werd rood, je handen zochten evenwicht,
zochten mijn armen. Je
probeerde in me omhoog te klimmen. Je
was een glasblazer met een wolk van diamanten aan
zijn mond. Ik hield je vast als een katje. Ik
aaide je vingers. Je
liet niet los. Je
sliep en ik aaide je vingers, liet los. Esther
Jansma Ik zie haar
klein geworden schreden in de verte; nog een
kwartier en zij is aan de wateren; ik kan het nu
niet meer beletten. Dwalende zal ik
haar nagaan als de verten haar hebben
ingeademd uit mijn ogen; de weg ligt van
een heengaan overtogen; wij zagen het
onzichtbaar wenken. G.Achterberg In dit bitter
heldere, de dood, kelder aan
kelder grondlicht dwaal ik rond, een zwemmer
onder water, een verbond met bodemen die
nimmer zijn ontbloot. Ik draag
gestorven zonlicht in mijn mond, waardoor, uit
het weleer, de tijd de beelden in
de wanden bijt, die wijken voor
mij uit; verbruikend
deze zekerheid, worden de
woorden afgerond tot eeuwigheid. G.Achterberg Allen gaan
voorbij, groen, rood... Jij bent daar
boven, wit. Allen
strijdlustig, bars... Jij bent daar
boven, vredig. Allen gaan
voorbij, luchthartig... Jij bent daar
boven, rein. J.R.
Jiménez Heel klein was
mijn moeder als de
pepermuntstruik, het gras. Nauwelijks
wierp zij een schaduw op de dingen, nauwelijks. De aarde hield
van haar, omdat zij licht
voor haar was, omdat zij haar
toelachte in geluk en in
verdriet. De kinderen
hielden van haar en de ouden en
het gras en het licht,
dat lieftalligheid bemint en haar zoekt en haar vlijt. Om haarentwille
is het, dat ik liefheb,
wat niet naar trotse hoogten streeft, wat zwijgend
spreekt: nederig,
breedstammig kruid en de geest van
het water. Wie vertel ik
van jou uit vreemde
aarde? De ochtend
vertel ik over jou, dat hij op haar
gelijkt. Op mijn
eindeloze weg vertel ik de
aarde over jou. Gabriela
Mistral Er vallen
klappen in het leven, zo'n harde.. . Ik weet niet! Klappen als van
Gods haat; alsof in hun aanschijn, de branding van
al het geledene de ziel drassig
zou maken... Ik weet niet! Er vallen er
weinig; maar ze vallen...
[ Ze trekken donkere groeven in het hardste
gelaat en in de sterkste rug. Zullen ze
misschien de veulens zijn van barbaarse attila's; of de zwarte
herauten die de Dood ons zendt. Het zijn de
diepe vallen van de Christussen van de ziel, van een
aanbiddelijk geloof belasterd door het Lot. Deze bloedige
klappen zijn het geknisper van een brood
dat voor ons verbrand wordt
[ aan de deur van de oven. En de mens...
Sukkel... sukkel! Hij draait de ogen, zoals wanneer een
schouderklopje ons roept; hij keert zijn
dolle ogen, en al het geleefde wordt drassig,
als een poel van schuld, in onze blik. Er vallen
klappen in het leven, zo'n harde.. . Ik weet niet! Cesar Vallejo In de vlucht de wijdte
zoeken waar alle
woorden verloren gaan woorden vinden die jou
liefhebben Rose
Ausländer De aarde voert
door de aarde; maar jij, zee, voert door de
hemel. Met welke
zekerheid wijzen de zilveren en gouden
lichten van de sterren de weg! - Men
kan zeggen, dat de aarde de
straat van het lichaam
is, dat de zee de
weg van de ziel is. Ja, het
schijnt, dat de ziel de
enige reiziger van de zee is;
dat het lichaam alleen achtergebleven
is, daar, aan de oever, zonder haar,
nadat het tot ziens heeft gezegd, plomp,
zielloos, als dood. Hoeveel lijkt de zeereis op
de reis in de dood, in het eeuwige
leven! Juan
Ramon Jiménez Wij gaan ieder voor zich de smalle weg over de hoofden
van de doden - bijna zonder
angst - in het ritme
van ons hart, als waren wij
beschermd, zolang de
liefde duurt. Zo gaan wij tussen vlinders
en vogels in een
verbazend evenwicht naar een morgen
van boomtoppen - groen, goud
en blauw - en naar het
ontwaken van de geliefde
ogen.
Hilde Domin
Kokhalzend wakker worden tussen de gestolde feiten van gisteren en eergisteren. Opstaan, het licht trotseren. Onder het oorverdovend carillon van herinneringen optornen tegen een geheugen dat geen duimbreed wijkt. Lachen, praten, overmoedig denken dat het zo wel gaat. Merken dat men zich vergist ook hierin. Heel het treiterend
bedrijf van deze dag en alle volgende in vier woorden samengebald: iemand is niet gekomen. Hanny Michaelis Zoveel
soorten van verdriet, ik
noem ze niet. Maar
één, het afstand doen en scheiden. En
niet het snijden doet zo'n pijn, maar
het afgesneden zijn. Nog
is het mooi, 't geraamte van een blad, vlinderlicht
rustend op de aarde, alleen
nog maar zijn wezen waard. Maar
tussen de aderen van het lijden niets
meer om u mee te verblijden : mazen
van uw afwezigheid, bijeengehouden
door wat pijn en
groter wordend met de tijd. Arm
en beschaamd zo arm te zijn. M.
Vasalis 'De
gevoelens springen over de gedachten.' ECKHART in je
licht niet zichtbaar, niet verwekt, enig,
de enige. Je blik
legt zich op de
afwezigheid van jou of in het niet ontcijferbar, onverhoedse
binnenstromen van je vorm in je leegte En daar
laat je je stapspoor achter. Ik liep
achter je aan. Geef me
terug aan je ogen die ik
draag in mijn ingewanden gegrift. José
Angel Valente 1
Het
is herfst nu, fruit ligt in het gras, tijd
voor de lange reis naar het einde. De
appels vallen als grote druppels dauw, kneuzen
zich een uitgang uit zichzelf. En
het is de tijd van heengaan, om zichzelf vaarwel
te zeggen, een uitgang te vinden uit
het gevallen ik. 2
Uw
dood-schip, hebt ge het gebouwd? Zeker? Bouw
het, uw dood-schip, de tijd dringt. De
norse vorst nadert, wanneer alle appels vallen,
zwaar vallen op de hardere grond. Dood
is aanwezig als de geur van as. Wordt
ge hem gewaar? En
in het gekneusde lichaam krimpt de
angstige ziel, huivert in de kou die
door de openingen binnendringt. 3
Kan
een mens zijn eigen stille dood zelf maken eenvoudig
met een priem ? Met
dolken, priemen, kogels, kan hij kwetsen
en een uitgang voor zijn leven maken; maar
is dat het stille einde, zeg mij, is dat het stille einde? Neen.
Want hoe kunnen doodslag, zelfs zelfdoding ooit
een eigen stil einde brengen ? 4
Laat
ons spreken van de stilte die we kennen, die
we begrijpen, de diepe en lieve stilte van
vrede in een sterk hart. Hoe
maken we dit, ons eigen stil einde? 5
Bouw
uw dood-schip, uw langste reis vangt
aan, naar het einde. En
sterf de dood, de lange pijnlijke dood die
ligt tussen het oude ik en het nieuwe. Onze
lichamen zijn reeds gevallen, gekneusd, onze
zielen glijden reeds weg door de opening van
de wonde. De
donkere en éindeloze oceaan van het einde Stroomt
in ons lichaam door de bressen van onze wonden, de
vloed dreigt. Bouw
uw dood-schip, uw kleine ark, voorzie
het van voedsel en wijn voor
de donkere vlucht naar het einde. 6
Langzaam
sterft het lichaam, en de beschroomde ziel heeft
geen steun meer in de stroming nu
de zwarte vloed stijgt. We
sterven, allen gaan we dood en
niets houdt de rijzende vloed in ons tegen, nog
even en hij stijgt over de wereld, over
de wereld daar, buiten ons. We
sterven, langzaam sterven onze lichamen onze
kracht ebt weg, en
onze ziel krimpt ineen onder
de zwarte regen over de vloed, angstig
klampt ze zich vast aan de laatste takken van
de boom van ons leven. 7
We
gaan dood, al wat overblijft is gewillig
zijn en het dood-schip bouwen dat
de ziel zal dragen tijdens de langste reis. Een
bescheiden schip, met roeispanen en voedsel met
schoteltjes en de nodige kledij passend
en klaar voor de ziel die heengaat. Laat
uw klein schip te water nu
het lichaam sterft en het leven wegglijdt; ga
nu, de fragiele ziel in het fragiele moedige
schip, de ark van het geloof, met
zijn voorraad voedsel en kookgerei en
nieuwe kleren, op
de zwarte leegheid van de vloed op
de wateren van het einde op
de zee van de dood waar we varen, blind,
want een roer hebben we niet, en
geen thuishaven. Er
is geen thuishaven, we kunnen nergens heen, niets
dan het altijd dieper wordend zwart over
deze geluidloze stroom, donker
op donker, boven en onder en
opzij, volledige duisternis : welke
koers we volgen weten we niet. En
het scheepje is er nog, en toch is het verdwenen. Het
is onzichtbaar, want om te zien bestaat er niets meer. Het
is verdwenen. En toch ergens
is het aanwezig. Nergens. 8
En
alles is verdwenen, het lichaam verdwenen, ten
onder gegaan, alles. De
zwarte bovenlaag weegt op de zwarte onderlaag; daartussen
is het scheepje verdwenen, het
bestaat niet meer. Dit
is het einde, alle herinnering is verdwenen. 9
En
toch, uit de eeuwigheid maakt een draad zich
los, op de duisternis een
horizontale draad, op
het zwart een bleke klaarte. Illusie?
of hangt de schemering hoger? Wacht,
wacht, het is dageraad, de
pijnlijke dageraad: het herleven uit
de dood. Wacht,
het scheepje drijft
mee onder de asgrijze lucht van
deze dageraad over de stroom. Wacht,
er rijst onmiskenbaar een gele gloed en,
vreemd, een roze schemering. Een
roze schemering, en alles begint opnieuw. 10
De
vloed zinkt, en het lichaam als
een gesleten zeeschelp herrijst,
mooi en vreemd. En
het scheepje, als op vleugels, drijft naar zijn tehuis, onzeker,
verdwalend soms, op
de roze stroom, en
de broze ziel bewoont haar huis opnieuw en
brengt het hart vrede. Ze
haalt het in vrede hernieuwde hart uit
het niets terug. Bouw
uw dood-schip, bouw het, het
is dringend. Want
ook U wacht de reis naar het einde. David
Herbert Lawrence Als
paarden sterven-snuiven ze, Als
grassen sterven -verdrogen ze, Als
zonnen sterven -doven ze uit, Als
mensen sterven-zingen ze liederen. Velimir
Chlebnikov Er
is een stoppelveld waarin een zwarte regen valt. Er
is een bruine boom die er eenzaam staat. Er
is een lispelwind die om lege hutten draait. Hoe
treurig deze avond. Voorbij
het gehucht Raapt
de goedige wees nog schaarse aren. Haar
ogen kijken zich uit en goudachtig in de schemer En
haar schoot verwacht de hemelse bruidegom. Bij
de terugkeer Vonden
de herders het zoete lijf Vergaan
in de doornstruik. Een
schaduw ben ik ver van duistere dorpen. Gods
zwijgen Dronk
ik uit de bron van het woud. Op
mijn voorhoofd komt koud metaal Spinnen
zoeken mijn hart. Er
is een licht dat mijn mond uitdooft. ‘s
Nachts vond ik mij op een heide, Vol
vuil en stof der sterren. In
het hazelaarsbos Klonken
weer kristallen engelen. Georg
Trakl
ALLES
WAT DOOD IS, IS WONDERBAAR De
maan, achter het meer tot staan gekomen, Doet
denken aan een raam dat open staat In
een verlicht, stil huis, des avonds laat, Waar
't lot een nare wending heeft genomen. Ging
daar de eigenaar zo-even dood, Of
nam zijn vrouw soms met haar lief de benen, Of
is het kleine dochtertje verdwenen, En
vonden ze haar schoentje bij de sloot. .. We
kunnen het niet zien vanaf de aarde, Maar
delen zwijgend in de droefenis. De
uilen krijsen luid een dodenmis, Een
zoele wind raast heftig in de gaarde. Anna
Achmatova Wanneer
de lente komt, En
als ik dan al dood ben, Zullen
de bloemen net zo bloeien En
de bomen zullen niet minder groen zijn dan het vorig voorjaar. De
werkelijkheid heeft mij niet nodig. Ik
voel een enorme vreugde Bij
de gedachte dat mijn dood volstrekt onbelangrijk is. Als
ik wist dat ik morgen zou sterven En
het was overmorgen lente, Zou
ik tevreden sterven, omdat het overmorgen lente was. Als
dat haar tijd is, wanneer dan zou ze moeten komen tenzij op haar tijd ? Ik
houd ervan dat alles werkelijk is en alles zo als het moet zijn; Daar
houd ik van, omdat het zo zou wezen ook als ik er niet van hield. Daarom,
als ik nu sterf, sterf ik tevreden, Want
alles is werkelijk en alles is zo als het moet zijn. Men
mag Latijn bidden boven mijn kist, indien men wil. Indien
men wil, mag men rondom dansen en zingen. Ik
heb geen voorkeur voor wanneer ik toch geen voorkeur meer kan hebben. Dat
wat zal zijn, wanneer het zijn zal, zal zijn dat wat het is. Fernando
Pessoa
ZWARTE
STEEN OP EEN WITTE STEEN 'Ik
zal sterven in Parijs bij striemende regen, op
een dag die ik me nu al herinner. Ik
zal sterven in Parijs - en ik heb geen haast - wellicht
een donderdag, zoals vandaag, in de herfst. Een
donderdag, omdat vandaag, donderdag, terwijl ik deze
regels opschrijf, mijn vingers weerspanniger zijn dan
ooit en ik vandaag, zoals nog nooit voordien, omkijk
en mezelf met heel mijn weg alleen vind. César
Vallejo is dood. Ze mishandelden hem, allemaal,
zonder dat hij hen wat gedaan had; ze
sloegen op hem met knuppels en ook met
een riem. Getuigen daarvan zijn de
donderdagen, de stroeve vingers, de
eenzaamheid, de regen, de wegen...' César
Vallejo Ik
zou mijn hart zó het
dak op kunnen gooien : het
rolde dan ongezien
weg. Ik
zou mijn pijn kunnen
uitschreeuwen tot
mijn lijf zou breken : dat
zou dan verglijden in
de stroom van de rivier. Ik
zou op het platte dak de
zwarte dans van de dood kunnen
dansen: de
wind zou mijn dans meevoeren. Gaf
ik de vlam in mijn borst vrij spel, dan
kon ik die laten
tollen als
een dwaallicht: de
straatlantaarns zouden
hem doven. Alfonsina
Storni op een heldere middag vol nuchtere geluiden en bezigheden in een huis dat je nooit heeft gekend, herinner ik mij plotseling hoe zacht je ogen werden als je me aankeek. En even verschijn je mij ten voeten uit, onverwacht overgekomen uit het tijdloze. Zo zacht zijn je ogen dat ze mij verzoenen met je weggaan, sneller en onverwachter dan je komst. Hanny Michaelis De
keuken is zo stil Een
restje kille regen Maakt
van de rust een zegen Die
zondag in april. De
lente leunt naar binnen, Lacht
als zij in de kast Die
glanst zoals het past Haar
spiegelbeeld ziet glimmen. De
stoelen staan verlegen De
tafel slaapt weer in De
kroppen sla gaan wegen De
dauw hangt er nog in. En
amper opgeschrikt Door
't klokje, stille hoeder, Hoor
je het hart van moeder Dat
in de kamer tikt. Maurice
Carême hunkerend binnengeslopen dwaal ik in je rond. Een barbaars landschap dragend de schaarse tekens van je aanwezigheid: de ontbladerende boom die geen schaduw werpt, het zwartgeblakerd struikgewas, de verdroogde kreek tussen de rotsen en diep onder de grijze dorstige aardkorst het gesmoorde ruisen van murmurend water dat geen uitweg vindt. Hanny Michaelis een
begrafenislied Misschien
ben je echt moe van het huilen, misschien
wil je even slapen -misschien - laat
dan de uil niet krassen, kikvorsen
niet kwaken, vleermuizen
niet vliegen. Het
zonlicht mag je wimpers niet beroeren, de
koele wind mag niet langs je voorhoofd strijken, niemand
mag jou wakker maken. Laat
een parasol van dennenloof je beschutten
terwijl je slaapt. Misschien
hoor je de wormen de aarde omwoelen, wortels
van jong gras water opzuigen, misschien
zijn zulke klanken voor jou mooier
dan vloekende mensenstemmen. Knijp
nu je ogen stijf toe, dan
zal ik je laten slapen, ik laatje slapen; ik
zal je zachtjes met gele aarde toedekken en
geld van papier laten neerdwarrelen. Wen
Yiduo Buiten
ons sterven de dingen. Uit
de nacht hoor je waar je ook gaat een fluistering Bijna
komen uit de straten die je niet betrad, Uit
de huizen die je niet binnenging, Uit
de ramen die je niet opende, Uit
de rivieren die je niet naderde in dorst, Uit
de schepen die je niet bevoer, Buiten
ons sterven de bomen die we niet leerden kennen. De
wind gaat door kaalgeslagen bossen. Buiten
ons sterven de bomen die we niet leerden kennen. De
wind gaat door de kaalgeslagen bossen. De
dieren sterven uit naamloosheid, en uit stilte de vogels. De
lichamen sterven gaandeweg uit verlatenheid. Samen
met onze oude kleren in de linnenkast. De
handen sterven die we niet aanraakten, uit eenzaamheid. De
dromen, die we niet zagen, uit gebrek aan licht. Buiten
ons begint de woestenij van de dood. Y.
Themelis Ik
klopte op de poort van de verloren tijd, niemand deed open. Ik
klopte een tweede keer en nog een keer en nogmaals. Geen
antwoord. Het
huis van de verloren tijd is voor de helft bedekt met
klimop; de andere helft is as. Een
huis waar niemand woont, en ik maar kloppen en maar roepen om
het verdriet van roepen zonder iemand die mij hoort. Alleen
maar kloppen. De echo weerkaatst mijn
aandrift deze ijspaleizen op een kier te zetten. Dag
en nacht versmelten in het wachten, in
het kloppen en kloppen. De
verloren tijd bestaat waarschijnlijk niet. Ze
is het lege en verdoemde herenhuis. Carlos
Drummond de Andrade in
memoriam Hans Henny Jahnn De
sneeuw jaagt, het
grote sleepnet van de hemel, het
zal de doden niet vangen. Nu
heeft de sneeuw zich weer
bedacht. Hij
stuift van tak tot tak. De
blauwe schaduwen van
vossen loeren vanuit
de hinderlaag. Ze ruiken de
witte keel
van de eenzaamheid. Peter
Huchel Twee
handen waren als een huis. Ze
zeiden : trek
bij mij in. Geen
regen, geen vorst, geen angst. Ik
heb in dat huis gewoond zonder
regen, zonder vorst, zonder angst tot
de tijd het af kwam breken. Nu
zwerf ik weer langs de wegen. Mijn
jas is dun. Er is sneeuw op
komst. Rolf
Jacobsen De
dood zal komen en jouw ogen hebben - deze
dood die altijd bij ons is van
de ochtend tot de avond, wakend, doof,
als een oud gevoel van spijt, of
een dwaze ondeugd. En jouw ogen zullen
een ijdel woord zijn, een
verzwegen schreeuw, een stilte. Zo
zie je ze elke ochtend als
je je naar jezelf toebuigt in
de spiegel. O dierbare hoop, die
dag zullen ook wij weten datje
het leven bent en het niets. Voor
iedereen heeft de dood een blik. De
dood zal komen en jouw ogen hebben. Het
zal zijn als het stoppen met een ondeugd, als
in de spiegel een dood gezicht opnieuw
te zien verschijnen, als
luisteren naar gesloten lippen. Stom
zullen we afdalen in de stroom. Cesare
Pavese
WIJ
ZIJN MAAR EEN AKKOORD IN HET CONCERT Ga
in die nacht niet al te licht Ga
in die goede nacht niet al te licht. De
oude dag moet laaien en weerstaan; Raas,
raas tegen het sterven van het licht. De
wijze, die eens voor het duister zwicht, Omdat
zijn woord geen bliksemstraal kon slaan, Gaat
in die goede nacht niet al te licht. De
goede, na de laatste golf, wellicht Trok
hem een groene baai tot dansen aan, Raast,
raast tegen het sterven van het licht. De
woeste, die zong van de zonneschicht, Tot
ook hij leerde treuren om haar baan, Gaat
in die goede nacht niet al te licht. De
sombere, die met doods verblind gezicht Ogen
als meteoren op ziet gaan, Raast,
raast tegen het sterven van het licht. En
jij, mijn vader, die daar droevig ligt, Vloek,
zegen, mij met een verbeten traan. Ga
in die goede nacht niet al te licht. Raas,
raas tegen het sterven van het licht. Dylan
Thomas Mijn
leven had de vorm genomen van dat kleine plein In
die herfst waarin je dood meticuleus werd uitgezet Ik
klampte me aan dat plein jij hield van De
bescheiden en weemoedige menselijkheid van kleine winkels Waar
bedienden garen band en stoffen vouwen en ontvouwen Ik
probeerde jou te worden omdat jij sterven ging En
heel mijn leven hield daar op van mij te zijn Ik
probeerde te lachen zoals jij lachte Tegen
de krantenventer en de sigarenman En
de vrouw zonder benen die viooltjes verkocht Ik
vroeg de vrouw zonder benen voor jou te bidden Ik
brandde kaarsen op alle altaren Van
alle kerken op dit plein Want
nauwelijks gingen mijn ogen open of ik las De
aanleg voor de eeuwigheid op je gezicht geschreven Ik
deed een beroep op straten plaatsen mensen Die
ooit je gezicht hadden gezien Om
je te roepen om het weefsel te ontrafelen Dat
de dood in jou vervlocht Sophia
de Mello Breyner kom je mij tegemoet op mijn moeizame tocht door het maanlandschap van de tijd. Onhoorbaar dringt je stem door tot mijn geheimste luisterpost. Jij die al mijn wegen kent, die mij ontcijferd en gelezen hebt, blijf bij mij onzichtbaar, onhoorbaar en leid mij over de drempel van de dood. Hanny Michaelis Zwarte
melk van de vroegte we drinken haar 's avonds we
drinken haar 's middags en 's morgens we drinken haar 's nachts we
drinken en drinken we
graven een graf in de lucht daar ligt men niet krap Er
woont een man in dit huis hij speelt met de slangen hij schrijft hij
schrijft als het schemert aan Duitsland je goudblonde haar Margarete hij
schrijft het en komt uit z'n huis en de sterren beginnen te flonkeren hij
fluit z'n honden naar buiten hij
fluit z'n joden naar voren beveelt ze een graf in de aarde te graven hij
beveelt ons speel dat de dans kan beginnen Zwarte
melk van de vroegte we drinken je 's nachts we
drinken je 's morgens en 's middags we drinken je 's avonds we
drinken en drinken Er
woont een man in dit huis hij speelt met de slangen hij schrijft hij
schrijft als het schemert aan Duitsland je goudblonde haar Margarete Je
asgrauwe haar Sulamith we graven een graf in de lucht daar ligt men niet krap Hij
roept steek dieper de grond in jullie hier jullie daar zing en speel hij
rukt aan het staal van z'n riem hij zwaait het z'n ogen zijn blauw steek
dieper d.e spaden blijf spelen opdat men zal dansen Zwarte
melk van de vroegte we drinken je 's nachts we
drinken je 's middags en 's morgens we drinken je 's avonds we
drinken en drinken er
woont een man in dit huis je goudblonde haar Margarete je
asgrauwe haar Sulamith hij speelt met de slangen Hij
roept speel de dood eens wat zoeter de dood is een meester uit Duitsland hij
roept strijk de violen wat triester dan stijg je als rook naar de hemel dan
krijg je een graf in de wolken daar ligt men niet krap Zwarte
melk van de vroegte we drinken je 's nachts we
drinken je 's middags de dood is een meester uit Duitsland we
drinken je 's avonds en 's morgens we drinken en drinken de
dood is een meester uit Duitsland en blauw zijn z'n ogen hij
raakt je met kogels van lood hij staat daar onbewogen er
woont een man in dit huis je goudblonde haar Margarete hij
hitst z'n bloedhonden tegen ons op hij schenkt ons een graf in de lucht hij
speelt met de slangen en droomt dat de dood is een meester uit Duitsland je
goudblonde haar Margarete je
asgrauwe haar Sulamith Paul
Celan Mijn
dood is van geldstukken gemaakt en
van papiergeld Mijn
dood is van wegen gemaakt naar
school en naar het werk Mijn
dood is van een prikklok gemaakt en
van plichten Mijn
dood is van kranten gemaakt en
van agenten van
sigaretten en jenever van
suiker en brood en boter van
liefde van geluk en van ongeluk van
woede en geduld Mijn
dood is van mijn ouders gemaakt en
van mijn kinderen van
mijn mislukken en
van mijn slagen van
mijn horigheid en
van mijn vrijheid van
mijn gezelschap en
van mijn alleen zijn van
mijn ongeloof en
van mijn geloof van
mijn hoop en
van mijn teleurstelling van
mijn denken en
van mijn vergeten Mijn
dood is van mijn geslacht gemaakt en
van mijn hart Mijn
dood is van mijn nachten gemaakt en
van mijn dagen Van
mijn leven en
van jullie leven en sterven Erich
Fried Op
het soms bewoonde eiland dat we zijn, zijn er avonden, nachten en
ochtenden waarop we niet hoeven te sterven. Dan
weten we alles wat was en zal zijn. De
wereld is definitief verklaard en er welt een grote rust in ons op, en
voor alles is een woord. We
pakken een handvol aarde en drukken de aarde samen. Zachtjes. Daarin
zit de hele verdraaglijke waarheid gevat: de omtrek, de wil en
de begrenzing. Dan
kunnen we zeggen dat we vrij zijn, met de vredigheid en de
glimlach van iemand die zichzelf herkent en onvermoeibaar de
hele wereld is rondgereisd, omdat hij in de ziel heeft gebeten tot
op het bot. Laten
we langzaam de aarde bevrijden waar wonderen gebeuren zoals het
water, het steen en de wortel. leder
van ons is voorlopig het leven. Daar
hebben we genoeg aan. José
Saramago Drie
grote droefenissen kent deze wereld Drie
droefenissen zo groot en niemand weet Hoe
deze grote droefenissen te ontwijken De
eerste droefenis Ik weet niet waar ik doodga De
tweede droefenis Ik weet niet wanneer En
de laatste Ik weet niet waar ik aan gene zijde beland Zo
hoorde ik het in een lied Laat maar zo Laat
maar zoals het lied het zingt Durf De
huiver als een deurknop te pakken en binnengaan Jan
Skácel De
afdeling kleine graven op het kerkhof. Wij
die lang leven lopen deze stil voorbij, zoals
rijken de armenbuurt voorbijlopen. Hier
liggen ze, Zosia, Jacek en Dominik, vroegtijdig
aan de zon, de maan ontnomen, aan
de rondgang van het jaar, de wolken. In
hun retourbagage hebben ze niet veel verzameld. Flarden
van uitzichten, in
een niet al te menigvuldig meervoud. Een
handvol lucht met een vlinder die voorbijvliegt. Een
lepeltje bittere kennis, met de smaak van medicijn. Kleine
ongehoorzaamheden, waarvan
er eentje dodelijk was. Een
vrolijke ren de bal achterna, over de weg. Het
geluk van glijden op nog breekbaar ijs. Hij
hier en zij ernaast, en de hele rij: voor
ze bij de deurknop konden komen, een
horloge kapot maken, hun
eerste ruitje breken. Malgorzatka:
vier jaar, waarvan
twee liggend en kijkend naar het plafond. Rafaël:
een maand later zou hij vijf zijn geworden, en
Zuzia : vlak voor de kerstdagen met
hun waas van adem in de vorst. Maar
wat kun je dan zeggen over één dag leven, één
minuut, seconde: donker,
dan een lampflits en weer donker? KOSMOS
MAKRÓS CHRONOS
PARÁDOKSOS Alleen
het stenen Grieks heeft hiervoor woorden. Wislawa
Szymborska Schrijf
de winter staat stil, lees een dag zonder dood spel
de sneeuw als een kind, smelt de tijd als
een klok die zich spiegelt in ijs het
is ijskoud vandaag, dus vertaal wat men schrijft in
een klok die niet loopt, in het vlees dat
bestaat als sneeuw voor de zon en
schrijf hoe haar lichaam bestond en zich boog gelenigd
in vlees en keek achterom in
het oog van vandaag, en lees wat hier staat de
zon op de sneeuw, het kind in de slee het
dichtgewaaid spoor, de onleesbare dood - Gerrit
Kouwenaar o
vader wij zijn samen geweest in
de langzame trein zonder bloemen die
de nacht als een handschoen aan - en
uittrekt wij zijn samen geweest vader
terwijl het donker ons dichtsloeg. waar
ben je nu op een klein ritje in
de vrolijke bries van een groene auto of
legde de dag haar handschoen niet
op een tafel waar schemering en zachte
genezing zeker zijn in de toekomst. mijn
lippen mijn tedere lippen dicht. 16 juli 1950 Hans Lodeizen 1 Heb
zopas mijn allang gestorven moeder opgegraven. En wat
ik opgroef was een kist vol rozen, vers en geurig, als kwamen
ze uit kassen. Wat
is dit alles vreemd! 17
Je
zult regenen bij regenweer, je
zult warmte geven 's zomers, je
zult koelte zenden 's avonds. Je
zult nóg sterven duizend maal. Je
zult bloeien in de bloeimaand. Je
bent niets, niemand, moeder. Van
ons zal blijven een zelfde spoor, een
zaadje van wind in het water, het
skelet van bladeren op de aarde. Over
de rotsen, tatoeage van schaduwen. In
het hart van de bomen het woord liefde. We
zijn niets, niemand, moeder. Leven
is nutteloos maar
nog nuttelozer is sterven. Jaime
Sabines gestorven
in een inrichting voor geesteszieken, één jaar oud Iets
heeft opgehouden bij mij te blijven, iets
als een persoon, iets dat daar veel op leek. Toch
was er geen adeldom in of
iets dergelijks. Er
was iets als een huis, gebouwd een jaar geleden,
stom als steen. Terwijl de gebouwen ernaast zongen
als vogels en lachten omdat
zij met de stilte een
dwingende afspraak hadden. Maar hij zong
niet en lachte niet. Hij zegende de stilte niet als
brood, met woorden. Hij
brak de stilte niet. Eigenlijk,
als een huis in rouw, keerde hij zijn oog
naar binnen om op de stilte te letten terwijl de
andere huizen als vogels zongen
om hem heen. En
de ademende stilte bewoog niet, maar
was ook niet stil. Ik
heb hardsteen gezien, ik heb baksteen gezien, maar
dit huis was niet van hardsteen of baksteen, het
was een huis van vlees en bloed met
vlees van hardsteen en
bloed als baksteen. Een huis van
steen en bloed, met adem van stilte, en de andere vogels
waanzinnig zingend op zijn schoorsteen. Maar
dit was stilte, dit
was iets anders, dit was iets luisterend
en sprekend, hoewel het een huis was, gehuld in
stilte, er was iets
godsdienstigs in zijn stilte, iets
dat glansde in zijn rust. Dit
was iets anders, dit was iets volstrekt anders; hoewel
hij nooit sprak, had dit
iets van doen met de dood. En
toen hield het oog langzaam op naar binnen te
kijken. De stilte rees en viel stil. De
blik keerde zich naar buiten en keek, de
vogels kwetterend om hem heen. En
alsof hij kon spreken keerde
hij zich om op zijn zijde met zijn ene jaar rood
als een wond, hij
keerde zich om alsof hij er zich voor schaamde, en
uit zijn ogen rolden twee grote tranen, als stenen, en
hij stierf. Jon
Silkin Ik
droomde dat je thuis was lief je
kwam licht uit de auto, ik sliep, ik
hoorde vogels, rook seringen, jij
draaide aan de knop van de radio die
aan mijn hoofdeind stond. Uit
elk station kwamen verwonderlijk belangwekkende
fragmenten. Ik
droomde ook dat ik gedroomd had dat
ik in de keuken stond en
dat het aanrecht in stukken brak - marmeren
brokken. Ik nam in elke hand een
scherf want dacht ik, misschien is"dit
een droom, en bracht mijn handen langzaam
bij elkaar, om het marmer te
horen ketsen, maar het ketste niet. Ik
vond het prettig datje thuis was kon
je de droom vertellen. Ja zei jij, ja
dat doet een droom, je voelt iets in je hand dat
er niet is, dat is bekend. Toen
ging de telefoon. Zo heerlijk, dacht ik dat
jij thuis bent, ik slaap nog even door. .Jij
neemt wel op. Ik hoorde je spreken. Hij
rinkelde en rinkelde totdat ik wakker werd en
rende. Verdriet om sterven is bekend verdriet
van scheiden niet geacht. En doden
weten niet hoe ze ontbreken. Judith
Herzberg Tijd
-het is vreemd, het is vreemd mooi ook nooit
te zullen weten wat het is en
toch, hoeveel van wat er in ons leeft is ouder dan
wij, hoeveel daarvan zal ons overleven zoals
een pasgeboren kind kijkt alsof het kijkt naar
iets in zichzelf, iets ziet daar wat
het meekreeg zoals
Rembrandt kijkt op de laatste portretten van
zichzelf alsof hij ziet waar hij heengaat een
verte voorbij onze ogen het
is vreemd maar ook vreemd mooi te bedenken dat
ooit niemand meer zal weten dat
we hebben geleefd te
bedenken hoe nu we leven, hoe hier maar
ook hoe niets ons leven zou zijn zonder de
echo's van de onbekende diepten in ons hoofd niet
de tijd gaat voorbij, maar jij, en ik buiten
onze gedachten is geen tijd we
stonden deze zomer op de rand van een dal om
ons heen alleen wind Rutger
Kopland dat een
jongeman van
tijd tot tijd je graf komt bezoeken. Hij
wiedt het onkruid. Een
jongeman. zeggen ze, mooi, met een
boerenhoed. Toen ze
het hem vroegen zei hij dat hij
een vriend van je familie is. Wie is
die gedaante die zo opdaagt'? Misschien
ben jij het wel die terugkomt om te
zien waar je bent en die aan de
voet van je as, nat,
een takje regen
of verdriet neerlegt. José
Angel Valente
O
DUISTER DAT MIJ KOMT VERFRISSEN Morgen,
zodra het gloort Ik
weet dat jij daar op mij wacht. Dus zal ik gaan, Morgen,
zodra het gloort, zodra de velden lichten. Hier
blijven kan ik niet, zo ver bij jou vandaan. Door
't bos, over de berg, zal ik mijn schreden richten. Ik
zie niets om mij heen, ik hoor ook geen gedruis, Ik
loop maar en heb enkeloog voor mijn gedachten, Triest
en gekromd, de handen op de rug gekruist, Alleen,
geen die mij kent, mijn dagen zijn als nachten. Ik
zie het avondgoud dat neerdaalt zelfs niet meer, Ook
niet de zeilen ginds die op Harfleur afglijden- En
als ik bij haar graf kom, leg ik voor haar neer Een
tuiltje groene hulst met wat bloeiende heide. Victor
Hugo Eén
van de kleine dingen te zijn een
druppel water of
in de nachtelijke keuken een
kikkererwt op tafel zijn over
de grond te gaan ongebonden
en donker als
een draad losgeraakt van de klos maar
niet te sterven van vermoeidheid en verlangen vlak
voor het licht van het raam als
een bij gedwarsboomd door het glas Homero
Aridjis De
doden kijken altijd op ons neer, zegt men, terwijl
wij onze schoenen aantrekken of een broodje smeren, zij
kijken neer door de glasbodemboten van de hemel wanneer
ze zichzelf langzaam door de eeuwigheid roeien. Zij
kijken naar onze kruinen die beneden op aarde bewegen, en
liggen wij neer in een veld of op een bank, misschien
bedwelmd door het gezoem van een warme namiddag, dan
denken zij dat wij terugkijken naar hen, waardoor
zij de riemen lichten en stilvallen en
wachten, zoals ouders, op ons om onze ogen te sluiten. Billy
Collins Laat
ik nooit vergeten, dat er een
boom op de heuvel staat - ergens,
ver weg, waar
dan ook-een boom zonder naam, bevriend
met de komende avonden. Een
boom op de heuvel. Die
zal me eraan herinneren hoe
wakkere ogen zwerven in het gras, hoe
in de diepten van de dakloze nacht de
stemmen van de krekels aanzwellen. Een
boom op de heuvel. Dat
hij van me zal houden en
me nooit zal vergeten. Hij
is naamloos, ik zal hem geduld
en groene stilte noemen. Een
boom-zulk een ranke belichaming
van mijn gedachte! - staat
op de heuvel, verenigd met de wolken, luisterend
naar de duistere sprookjes, die
de wind hem toefluistert. Ivan
Tzanev De
eikenbladeren bij de begraafplaats Fluisteren
profetisch En
de gerstekorrels komen tot rijping Als
toneelspelers die Voor
de honderdste keer in dezelfde rol Voor
het voetlicht treden. Maar
verhef niet je vaderland tot in de hemel. Verheffen
moet het jou. Vanaf
deze wolk bekeken Zijn
al die akkers en velden Een
album vol postzegels Maar
een mier ziet een kringetje rook Opstijgend
van je sigaret Als
een landschap zonder einde. Dreig
nu niet langer Dit
stuk land zonder geschiedenis Dat
je slechts, maar dan voorgoed, Terug
zult keren als een bronzen beeld. Voordat
je vertrekt: Streel
de schors van deze bomen Die
jou zonder betaling leerden Zo
fier rechtop te blijven staan. Morko
Vesovic Al je
licht stroomt binnen, duurzaam, hard als
steen. Je komt zo
onbeweeglijk, zo in jezelf gekeerd. Het
diepe. In je
enige bestaan, je
enige licht, brand
je voor altijd. José
Angel Valente
Misschien
in het dorstige, donkere, haastige verbrokkelen
van de dag ben je
langzaam veranderd in iets anders, in iets
wat aan je grenst, niet
jij. Je komt
niet tot
jezelf terug als je
tastend terugkeert naar
het lichaam dat je had, naar de
plek waar tot in het wit van de
droom het metaal van de
liefde schroeide. Leg
neer je aangezicht dat je
nu niet meer kent. Laat je
woorden vluchten, bevrijd
ze van jou en stap
traag, onheuglijk
en blind, onder
de vergulde boog die de
weidse herfst daarboven spant als
laatste eer aan de schaduwen. José
Angel Valente Witte
rotsen steken uit de beek, Door
kilte zijn de rode blaren schaars. Het
bergpad -toch valt er geen regen: Het
hemelblauw doorweekt je kleren. Wang
Wei
OP
DE WIJZE VAN EEN UITGEKNIPTE PRUNUS De
rode lotus geurt niet meer, de jade mat werd herfst - Ik
leg mijn zijden mantel af En
ga alleen de loopplank op. Wie
zendt vanuit de wolken een brokaten brief aan mij? Wanneer
de ganzen zuidwaarts trekken Vervult
de maan de westelijke toren. De
bloemen zijn vanzelf verstrooid, het water blijft maar stromen - Een
en hetzelfde verlangen, IJdele
smart in twee plaatsen. Ik
zou niet weten hoe ik dit verdriet kan laten slijten - Pas
daalt het van mijn voorhoofd, Of
stijgt weer in mijn hart! Li
Qingzhao Grauwe
wolken boven de stad. Op
zoek naar een roest strijken
de raven neer en
krassen tussen de takken. Op
haar getouw weeft zij brokaat zoals
de vrouw van Lin-chuan. Achter
het gordijn van groene tule spreekt
zij in zichzelf. Ze
laat de schietspoel zinken en
denkt aan haar man. Het
is leeg in de kamer, haar
tranen vallen met de regen. Li
bo Van jou
blijft niets, alleen
deze gebroken fragmenten. Dat
iemand ze liefdevol verzamelt, wens ik je toe, ze
koestert en ze niet geheel en al laat
sterven in deze nacht van
gulzige schaduwen, waarin jij al weerloos blijft
trillen. José
Angel Valente
Wijken
voor de trage zon die naar de avond neigt,
zich eraan overgeven. Verval. De
stroom van leven is
stilaan onmerkbaar opgedroogd zoals
de rand van vlucht of streling. Ijl
duurt nog wat van zijn lichte aanraking een
spoor was. Ik weet
niet of ik vertrek of terugkeer . Waarheen'? Het
einde is het begin. Niemand zegt me
vaarwel. Niemand die op me wacht. Nu
binnengaan in de ondergaande zon, opgeslorpt
worden in licht, tot
schaduw geroepen. En jij,
die mij hebt liefgehad, offer aan de
goden van de nacht het
zuiverste deel van mij dat in
je geheime rijk zal overleven. José
Angel Valente als ik
na de dood naar
jou kom zoals ik vroeger kwam en in
mij is er iets wat jij niet herkent omdat
ik niet dezelfde ben, wat een
pijn doet sterven, weten dat ik nooit de
randen zal bereiken van het
wezen dat jij voor mij was zo diep binnen in
mijzelf, als jij
ik zou zijn en jij mij helemaal doordrong waarom
is deze grens dan zo blind, zo
rampzalig deze muur van woorden die
plotseling bevroren nu ik
je het hardst nodig heb, ik zeg
je kom en soms kijkje
me nog aan met een tederheid alleen
uit de herinnering geboren. Wat een
pijn doet sterven, naar jou komen, je kussen wanhopig en
voelen dat de spiegel mijn
aangezicht niet weerspiegelt noch
voel jij van wie
ik zielsveel heb gehouden mijn
hunkerende onaanwezigheid. José
Angel Valente hoewel
ik bijna sterf. Open
nog het raam waartegen de lucht vogels
werpt uit het gele bos waar
het licht nog klaart. Klop op
mijn deur. Zeg me wie je
bent jij die nu komt wanneer
alles lijkt te eindigen. De
haardos van de tijd rukt nachten weg als
rivieren eindeloos op weg
naar vaarwel. Vriendin,
kom tot het
leven terug, jij kunt het nog. Rechtop,
op de andere oever, bewaart je
witte gedaante het enige zekere getuigenis
van mij. José
Angel Valente in een
onbewoonbare wereld rinkelend van
kleuren en geluiden waar de dag te
licht is en geen nacht
donker genoeg om het
verborgen tumult te bedaren. In alle
straten, alle kamers blijf ik je
zoeken. Tussen
ontelbare mensen vind ik je nergens. Verlos mij uit dit
luchtledig. Laat mij toe
tot de aarde die je bedekt. Dicht bij je
wil ik slapen en tot stof
vergaan. H. Michaelis met je dood als
een brok in mijn keel? Hoe kan ik
lachen nu het
onherroepelijke vonnis mijn mond
verzegeld heeft? In een houten
kist gaat de
toekomst tot ontbinding
over. Ik voel hoe ik
langzaam maar zeker
bevries. Toch blijf ik
ademen. Toch lach ik,
oudergewoonte. En dat is
misschien het ergste van
alles. H. Michaelis
Van
alles wat ik eens heb willen zeggen. Ik
wil haast niets meer zeggen. Alleen
iets van het licht. Wat
kan een hamer Die
spijkers in het licht slaat? De
val Uit
het lichaam En
de angst Omdat
het licht Het
niet houdt. Het
lachen van het licht En
van de eindeloze echoos Van
het lachen van het licht. Het
lachen van het licht Omdat
het alles Kan
zien. In
de holten Van
het licht Past
het allemaal Wel: Steen, Boom,
Dier, Mens. Alleen Slaat
nu al Dodelijk
licht daardoorheen. Alle
woorden Om
het licht heen Zijn
er te zacht voor, Bloembladen Om
een zon heen Die
ook onze harde dood sterft Aan
licht dat niet beweegt. Ik
grens aan
twee kanten aan
het licht: ik
word verwekt en
ik ga dood: een
spiegel kijkt
in een spiegel Zoveel
bogen
van
licht, maar
ook zoveel luiders van
klokken. Hans
Andreus
wij hebben het
licht gestolen van de hoogbrandende ogen of gestolen van de rode bodem ik ben veel vuur veel golven van vuur vissen die stil zijn als het
gezicht dat alleen is ik ben veel van steen en vaag als vissen in watervallen ik ben alleen alleen beenlicht en
steendood wij zijn gezichten
open en rood zijn wij licht zijn wij open wij zijn ontplofbaar ik weet niet wat steen werd ik weet wel wat dood is dood is ik word ik word recht weer ik word geroofd en ben weer echt licht lucebert Landschap
Jullie
hoge populieren - mensen van deze aarde! Jullie
zwarte vijvers geluk - jullie spiegelen ze dood!
Ik
zag je, zuster, staan in deze glans. Paul Celan
In
het laatrood
In
het laatrood slapen de namen: een
wekt
je nacht en
voert hem, met witte staven langs - tastend
aan de zuidwand van het hart, onder
de dennen: een,
van menselijke gestalte, schrijdt
naar de pottenbakkerstad toe, waar
de regen zijn intrek neemt als vriend van
een uur van het meer. In
het blauw spreekt
zij een schaduwbelovend boomwoord, en
je lieve naam rekent
zijn letters daartoe. Paul Celan
De
toebedeelde tijd
Een
minuut, een minuut van hoop, niet meer, En
’t einde komt. En reeds is elke zekerheid In
botten opgegaan. Slechts rest het teer Besluit
tussen de dood en onaandoenlijkheid.
De
tijd vermoeit, dus een minuut, niet meer, En
nimmer overwint liefdes scherpzinnigheid Deze
doren, deze naald die, fijne speer, Ons
op ’t onmetelijke strand in stukken splijt.
Nog
slechts één minuut, en die komt laat. Nog
slechts van jou iets, die onbuigzaam bent, Terwijl,
lafaard, ik door mijzelf mij duwen laat.
Een
minuut, en ’t eind is daar. Klok ongeremd, Vaag
zichtbaar visioen in troebel zwerk, Zij
een minuut genoeg, mij en mijn werk. Carlos Drummond de Andrade
Droefheid
in de hemel
Ook
in de hemel is een melancholisch uur. Moeilijk
moment, waarin twijfel de zielen doordringt. Waarom
heb ik de wereld gemaakt? vraagt God zich af En
antwoordt zich: Ik weet het niet.
De
engelen kijken hem verwijtend aan, En
veren vallen.
Alle
hypothesen: genade, eeuwigheid, liefde Vallen,
zijn veren.
Nog
een veer, de hemel valt uiteen. Zo
zachtjes, geen geraas verraadt Het
moment tussen alles en niets, Ofwel,
de droefheid Gods. Carlos Drummond de Andrade Ik
hef mijn vinger en laat Niet
de kleinste streep achter In
de lucht. De
tijd doet mijn gezicht vervagen, Ze
is reeds begonnen. Achter
mijn voetstappen in het stof Wast
de regen de straten blank Als
een huisvrouw. Ik
was hier. Ik
ga voorbij Zonder
spoor. De
olmen langs de weg Wenken
me toe hoe ik nader, Groen
blauw gouden groet, En
vergeten mij, Voordat
ik voorbij ben. Ik
ga voorbij – Maar
misschien laat ik achter De
zachte klank van mijn stem, Mijn
lachen en mijn tranen En
ook de groet van de bomen in de avond Op
een stukje papier. En
in het voorbijgaan Helemaal
zonder bedoeling, Steek
ik de een of andere Lantaarn
aan In
de harten aan de rand van de weg. Hilde
Domin
Men
zou moeten kunnen weggaan En
toch zijn als een boom: Alsof
de wortel in de bodem bleef Als
trok het landschap voorbij en wij stonden vast. Men
moet de adem inhouden, Tot
de wind nalaat En
de vreemde lucht om ons heen begint te draaien, Tot
het spel van licht en schaduw, Van
groen en blauw, De
oude vormen toont, En
wij thuis zijn, Waar
dat ook is, En
kunnen neerzitten en aanleunen. Hilde
Domin
De
hele dag groeit De
boom uit leed De
boom uit regen Uit
nevels woorden en zwijgen In
de stalen rib van de brug Sloeg De
sneltrein in In
de nis die de ingenieur De
armen liet Wacht
ik op mijn vertrek Mijn
leed maakt zich los en valt Een
enkele traan lost Deze
wereld uit ijzer Beton
en goud op Jij
echter bent de kroon Van
de boom die groeit In
mij van vroeg Tot
laat. Tadeusz
Rósewicz I Agenda
volgeschreven, toekomst een vraag. De
kabel neuriet een volksliedje zonder vaderland. Sneeuwval
in de loodstille zee. Schaduwen slaan
tegen de kade. II Midden
in het leven komt soms de dood en
neemt mensen de maat. Dat bezoek wordt
vergeten en het leven gaat door. Maar het kostuum wordt
in stilte gestikt. Tomas
Tranströmer bent binnengegaan, ben ik tot de rand van je vervuld. Dwars door de rukwinden van het verdriet voel ik je onder mijn huid bewegen, warm en goed als vroeger toen wij overnachten binnen de omheining van elkanders armen., Wat doet het er dan toe dat de wereld leeg en winters is geworden nu mijn ogen je nooit meer zullen zien en ik mijn hoofd niet langer in je schoot kan leggen? Hanny Michaelis word ik onwetend wakker. Gloednieuwe wolken drijven het raam voorbij. Veelbelovend glimlacht de dag: alles is mogelijk. Maar iedere avond gaat in rook en vlammen de wereld onder. Het langst rekt de stad haar held bestaan, vuurspuwend van leven tegen de intzware achtergrond van je dood.
|
|
|
de Rijn - collage 30 x 40 cm
Share |
canandanann 31-01-2012
|