|
|
Gedichten rond de Dood 2 - Badhoevedorp 1997
Wij
gaan ieder
voor zich de
smalle weg over
de hoofden der doden ‑bijna
zonder angst‑ op
de maat van ons hart als
waren wij veilig, zolang
de liefde niet
aflaat. Zo
gaan wij tussen
vlinders en vogels in
verbazingwekkend evenwicht naar
een morgen van boomtoppen ‑groen,
goud en blauw‑ en
naar het ontwaken van beminde ogen. De
engelen hebben zich aan u gehecht en
gij zijt bijna onvindbaar meer. De
grote perspectieven van weleer staan
in mijn ogen, leeg en recht. Blauwe
zoeklichten van de ziel bij nacht schuiven
hun cirkel het geheugen door: vleugels
bewegen in het witte spoor; overal
is het vol van uw gezicht. 1. Wie
zal onze dromen komen begrijpen? En
wie zal verstaan: wij missen zijn stem die
hij nog niet had. Wij missen de
liefde die hij ons zou geven en
meer nog: onze liefde voor hem. Hulpeloos
vogeltje, nietige engel, voor
even maar van God gekomen. Een
naam, een kleine mensenzoon en
toen: herinnering, gestorven dromen‑ wie
zal begrijpen; wie zal komen? Elk
woord nu is
het verkeerde. En
stilte verdragen wij niet. Alles
doet pijn‑ onze
ogen; de huid van ons lichaam; ons
hart. Wij
hebben gehuild en
wij houden verdriet. Elk
woord is verkeerd; het
schiet tekort, het
komt van ver, het
treft ons pijnlijk: het
brengt ons terug bij het kind ‑ hoe
lief wij het hadden, hoe
vertrouwd het ons werd; dag
na dag, maand na maand. En
konden wij 's nachts niet slapen, dan
waren wij samen met ons kind. Elk
woord nu is het verkeerde, en
stilte verdragen wij niet. 2. Hoe
leeg ook van vragen, hoe blind van tranen: wij
moeten verder door de dagen. Wij
hopen niet op troost maar op genade. Er
is gezegd, er staat geschreven dat
van Gods liefde niets ons scheiden kan, ook
niet dit mateloos verdriet. De
wegen van God ‑ ze zijn zo duister en
wij begrijpen ze niet. 3.
God
die het leven draagt en elke dode, en
alles wat ons treft en pijnigt van de dood; God,
die ons tilde uit de slaap, de
doodse stilte van nog niet geboren zijn; God,
die het kleinst geborene uit
onze armen in Zijn handen nam; Gedenk
ons kind, gedenk
zijn naam en onze namen. Zie
met erbarmen, hoe wij kwamen‑ gedenk
ons kind en onze namen. Overvloeiende
gouaches leven van
de smalle grenzen tot
de dood. Harde,
scherpe randen van
een ongewenst bestaan tussen
zwarte, zware wanden. Elders
zijn de levenden met
de goden en hun liefde, maar
aanwezig niet. Water
roept de verre aarde, roept
vergeefs een mens, een hemel. Dode
moeder‑ kinderdood. Wij
lopen op beton en
bijna in de trage regelmaat van
voeten die op weg zijn naar een graf. Gelukkig
zijn het licht en ook de wereld grijs
als de steen van dit gebouw. Nevel
over de resten van wat eens polders waren. Gehavend
land van aarde, gras en onkruid. Dit
werd je wereld maar
was je wereld niet. Het
is hier vol van jou. Hier wil ik thuis
geweest zijn. Sporen van je vinden‑ zij
zijn er niet meer om nog aan te raken. Ik
wil hier ziek zijn in een bed, hier
wil ik liggen, zoals jij. En
vloeken, huilen van verraad en dood‑ het
is nog maar één voorjaar later. De
grijze paden onder
mijn rond schedeldak‑ jij
liep ze alle af: niet
voor altijd ben
ik daar allen gebleven. Mijn
ogen‑ eens zijn
ze geweest verzadigd van
je gestalte, van je
armen als een wieg. Mijn
oren bleven nog lang wachten op
je stem, die
eens daarin gevallen was als
zachte balsem, als muziek. En
ergens buiten mij beweeg
je weer en leef je toch. En
in mij huilt
om jou wie ik eens was‑ De
zachtste mens die
ik ooit ben geweest: met
jou. Een
horizon waarachter
niets en niemand kwijt
zal raken of verloren‑ het
oude landschap van je ziel, bewaard
in stille nevel: het
grasland en de sloten; de heuvels; twijgjes
aan oude bomen; de
lage zon, scherende over rivierenland. Het
oude hopen en het oud verlangen dat
je zult rusten, omdat beloofd is dat
je rusten mag. Zie:
alles is voor even haast volmaakt; het
scheiden en het afscheid zijn voorbij en
alle dingen liggen klaar. Hij
heeft gezegd: ik
wacht altijd totdat je komt. Klein
mensen kind, gezegende, speel
voor mijn Aangezicht. Voorbij
de wereld en de tijd zal
ik er zijn; wees
niet alleen, blijf
bij elkaar totdat
ik kom, heeft
Hij gezegd. Gebed
aan de Grens
(H. Stufkens) Gegaan
tot waar wij kunnen ‑ aan
de grens van het Licht staan wij, in
wezen onbegrensd, in het gezicht van de dood. En
wij herinneren ons de oude woorden dat
leven verandert maar
niet wordt weggenomen, dat
niets en niemand verloren gaat. Zielsverbonden
zijn wij met jou van
wie wij hier afscheid nemen, en
die ons in leven en dood zo dierbaar was
en is en blijven zal. Verbonden
zijn wij ook met elkaar en
met alle levende wezens, klein en groot, met
vogels en vissen, velden en bossen, met
zon en maan, met het land vlak en golvend, de
onmetelijke diepzee, met
al wat is en verandert, dag
en nacht, en
eindeloos komt en gaat ‑ verwacht,
onverwacht, gedragen,
geboren, gewiegd in liefde. Met
heel ons hart vertrouwen we je lichaam toe aan
de tijd die alles heel maakt en
de goedheid van moeder aarde, en
we begeleiden je met het
onzegbare achter onze woorden, de
welsprekendheid van ons zwijgen, de
warmte van onze tranen, de
troostrijke kleuren van onze bloemen. Hier,
aan de grens van het Licht, zeggen
wij: vaarwel en tot ziens, reisgenoot, nu
geroepen te gaan langs andere wegen, maar
onafscheidelijk onze metgezel, en
op dezelfde tijdloze reis geleid
door dezelfde Geest. En
brengen wij ons in herinnering dat
wij niet voor niets leven, en
niet voor niets hier en nu verzameld
zijn, op deze plek. Dat
wij geroepen zijn, zolang het duurt, om
deze aarde bewoonbaar te maken en te bewonen, om
te leren liefhebben met hart en ziel en huid en
haar. Bidden
wij dat dit uur ons mag breken en helen, verzachten,
vermurwen, verbinden tot leven met elkaar. Oeroud
is licht in je gezicht en
alle pijn die je bevrijdde. Ze
noemen je 'mahatma': grote ziel. Je
keerde terug omdat het
paradijs je niet beviel zolang
je nog een mens zag lijden. Je
sterft als het moet opnieuw, en
draagt het licht tot
aan het eind der tijden Zoek
niet naar mijn graf vraag
me niet wie ik ben en
of jij mij gekend hebt. De
idealen die ik had blijven
ook zonder mij bestaan. Ik
ben dood, maar leef voort in
de idealen die ik had. En
de anderen die blijven strijden zullen
nieuwe rozen doen bloeien. Wanneer
je daarover spreekt, spreek je over mij. Zoek
niet naar mijn graf, want
dat zul je niet vinden. Mijn
handen zijn nu de handen van
anderen die strijden. Mijn
stem roept in andere stemmen, mijn
droom leeft voort bij anderen. En
weet dat ik pas sterf als
jullie de moed opgeven. Want
ieder die in de strijd valt, leeft
voort in zijn vrienden. Een
stille man die stiller werd
(J.H. Leopold) Een
stille man die stiller werd ‑ niets meer. De
rozen bloeiden schaarscher door zijn klagen, De
neevlen werden dichter in de dagen, Herinneringen
vond het pad niet van weleer. Er
was geen gaan, en nergens wederkeer. Naar
verre stilten gleed het laatste vragen. Moe
werden oogen die hun ster niet zagen. Het
moede hart werd moeder, en niets meer. En
toch had hij het leven groot bemind En
het bevolkt met overaardsche droomen, Waarin
hij mateloos zichzelve bood. Werden
zijn gaven nimmer aangenomen? Hij
hoorde het rukkend ruischen van den wind En
week binnen de hoede van den dood. In
memoriam Matris Uw
hand is op mijn schouder. de
nacht is lang, ik weet, dat
gij mij niet vergeet. ik
ben al jaren ouder. het
licht is hard, de wind slaat
achter mij alles dicht: droomen,
stilte, licht en
het schreien van een kind... ik
sta alleen, de nacht wordt kouder nog
dan mijn hart, mijn hand ‑ alles
in mij is lang verlamd ‑ maar
uw hand is op mijn schouder.
Te
Middelharnis is een kind verdronken Requiem Te
Middelharnis is een kind verdronken: sober
berichtje in het avond blad onder
een hooiberg, die had vlam gevat; nevens
een zolderschuit, die was gezonken. Zes
dagen heeft het in mij nageklonken. Op
het kantoor vroeg men; zeg, heb je wat? Ik
werkte door maar steeds weer hoorde ik dat: te
Middelharnis is een kind verdronken. En
kranten waaien weg en zijn verouderd, de
dagen korten, nachten worden kouder maar
over het water komt zijn kleine stem. ‑
Te Middelharnis ‑ denk ik, 'k denk aan hem en
bed zijn hoofdje tusschen hart en schouder, en
zing voor hem dit lichte requiem... Vader,
wij hebben nooit gesproken over
het leven met elkaar, gij
had het uwe, ik het mijne en
beiden wisten wij, 't is zwaar te
leven met een weerloos hart... Zoo
hadden bêi we ons toegesloten en
gingen zwijgend naast elkaar: ik
heb den weg niet kunnen vinden, al
lag uw hand steeds voor de mijne klaar. En
nu gij heengegaan zijt naar dat vreemde en
voor geen levende bereikbaar land, nu
breekt mijn vuist eerst hunkrend open en
zoekt vergeefs uw trouwe hand. De
avond daalt; er
valt een vage schemer. ik
zoek de vrede dien de dag mij nam; en
onweerstaanbaar brengen mij mijn schreden naar
't stille kerkhof waar ik na uw sterven berooid
en eenzaam iedren avond kwam. waarom?
ik weet te goed dat ik u niet kan wekken en
dat gij daar zijt en ik hier en dat dit graf ons scheidt; dat
ik aan deze steen niets kan onttrekken van
uwen staat van ongenaakbaarheid dooden
zijn ver en koud en dichters eenzaam, maar
zij beluisteren elkanders lied; ik zing en
gij en ik worden opnieuw gemeenzaam; zegen
‑ en vloek der verhoovaardiging. schuw
dus dit lied, vergeef het, blijf mij wachten; bid
voor mij al de dagen uwer eeuwigheid, opdat
mijn boot bij 't zwichten mijner krachten niet
nog in 't zicht der kust te pletter splijt. De
nachten waaien. Een vreemde regen verschrikt
mijn gedachten. Een vreemde regen raast
in den tijd. Ik denk aan U ‑ Lichten
spoken ‑ Ik hunker naar U die
zoo ver weg zijt... Ik zoek de sterren: de
nacht staat gesloten. En van verre komen
de winden, machtig en zwart, en
breken de rozen, die nog leven ‑ Ik
denk aan U en de regens beven wild
en stormachtig aan mijn hart. De
regens maken de wankele huizen tot
blinde vreezen, verstild in steen. De
nachten waaien, de winden ruischen. Ik
denk aan U, en ik lig alleen... Ik
lig alleen met een verzwegen roep
om U in de duisternis. Altijd
de wind. Altijd de regen. Altijd
de nacht en mijn hunkering. Het
was een koude, glinsterende nacht. Wolken
en duisternis, sneeuw en sterren waren
er, en wij hoorden verre klokken.
Haar einde werd verwacht. Het
venster was in de nacht een smal, veeg licht. Zij
was kleiner geworden, lieflijker dan ooit, het
blonde haar langs het voorhoofd geplooid, en
een glimlach over haar wit gezicht. Zij
was zoo ver van ons als sneeuw en sterren. Voorbij
het smalle, verlichte raam staarden
wij in het grondelooze verre. Hier
was haar lichaam, klein en zonder naam. Het
was geen lentelied
(P. Verbruggen) Het
was geen lentelied wat
ik zoeven heb verzonnen. Het
licht is er niet en
om de hoge bomen hangt
dik getast de mist. De
merel hurkt in 't hout en
tript en tinkt, maar mist de
blijdschap van een lied. De
winter hangt weer grijs en koud boven
het schraal gazon en
hard zijn alle wegen. Het
was geen lentelied dat
wij te horen kregen, toch
bleef er iets ‑ wat weet men niet ‑ toch
bleef iets achter van de zon. Zo
hangt een nevel rondom ons een
nevel tussen U en mij; De
winter laat niet los toch
voel ik U nabij.
Laat
mij alleen als de engel komt Laat
mij alleen als de engel komt. Gij
noemt met een ondankbaar woord stoel
en tafel, water en brood, en
zoo zoudt gij de engel noemen ‑ de dood. Laat
mij als het nacht bij dage en
het dag bij nacht voor mij zal zijn; en
er komt bij tijden een vernietigende klaarte die
in mijn uitgebrande lichaam binnen schijnt. als
de engel mij verlaat na
dit bitterschóon bezoek: noem
niet met een ondankbaar woord geest
en lijf, gebeente en bloed. In
droom zult ge mij wedervinden, schrikaanjagend
in mijn gloed - maar heet mij uw beminde. Wanneer
ik in een stillen nacht den berg beklim alleen,
zelfs zonder schaduw en blijf staan dat
'k ook den echo van mijn stem verlies en ik een
ding word
tussen aarde en hemel zonder naam. Niets
dan een bleke vlek in dezen nacht waarop
het licht van duizend sterren valt, niets
dan een mens die nog begeert en wacht wien
ondanks alles nog de aard' bevalt. Spreek
dan tot mij vanuit Uw hemels rijk, Laat
er een kruis zijn dat mijn oog verblindt, geef
mij een enkel teken maar, een blijk dat
Gij mij duldt, en, als het kan, bemint. Zo
roep ik U, terwijl de stilte rond mij
op de loer ligt en mijn woorden hoort, geen
antwoord dan in 't diepe dal een hond door
de eeuwge onrust in mijn slaap gestoord. Gij
zendt tot dezen mens geen teken meer, want
onze tijden zijn U vreemd en ver; hier
in den nacht voel ik opnieuw hoezeer de
aard' verdwaalde van haar tweelingster. Ten
overstaan van het einde
(G.v.d. Graft) Ten
overstaan van het einde en
met het oog op U beleef
ik de laatste termijn, de stilte
van het uur U. Omdat
ik niet meer kan leven en
nochtans leven moet, heeft
God mij met U verweven, liefste
en dit voorgoed. En
wil ik bij U verblijven, liefste
en dit voortaan, Hij
zal mij van U verdrijven tot
Hem vandaan. Einde
(J. W. Schulte Nordholt) De
woorden voeren ons verwonderd mee als
schepen naar een onbekende zee, als
waren wij als kinderen op reis naar
een in glans verscholen paradijs. Ouderen
wijzer wordend varen wij de
wereld en haar razernij voorbij, naar
een voltooiing, maar die is er niet, niet
binnen in ons, niet in het verschiet. Ons
wacht alleen maar de ontluistering, de
schemering, de godsverduistering, wanneer
een mens tot zweet en wonden wordt, de
mond verdroogt, het bloed wordt uitgestort, de
handen hulpeloos worden uitgestrekt en
door het duister worden toegedekt, en
in de hersens door een dichte mist de
laatste dromen worden uitgewist. De
stem van Vincent (P.
van Ostaijen) Laat
ons de blaren van
alle leed vergaren. De
aarde, ook vermoeid, heeft
nooit dode blaren
gedragen. De
aarde wondt om,
in de driedagestond, te
laten herrijzen onder
de loodzware kus van liefde. En
is die kus weerom licht leed, leed
dat alles is, ‑ Ik ben Die is, ‑ o,
laat deze zoen niet verloren gaan want
elke zoen is gloeien van goed. Nooit
wassen dode vruchten aan
de bomen. De
pijnen snikken eeuwig en
laten hun lange tranen als vingers vallen. Weet
dit, mijn zoon: wanneer leed leven wordt houdt
op het leven leed te zijn. De
dood is als een regenbui ‑plaatselijk‑ de
hemel blauw en
hier en daar een
wolk witgrijs een
plas op straat geeft
stil getuigenis is
echo van
een voorbij moment hij
valt als regen tussen ons in doet
zo zijn krachtig werk wij
blijven ‑
wachten ‑ weten
niet ons
verdriet zwelt
tot een stormvloed aan beukt
met slagen tegen
ons hart geen
deur sterk genoeg geen
ziel te zwaar een
windvlaag neemt ons allen mee totdat
de stilte daalt In
de wand van dit gedicht
(Swidbert) "Zingend
en zonder herinnering Ging
ik uit het eerste land vandaan".
Martinus Nijhoff In
de wand van dit gedicht staat
mijn skelet gebrand; en
mijn hersenen gegrift, dood,
maar in muziekschrift. Hier
ben ik, als
door sterren gezakt, met
wat de wind over mij waait; dieren
springen over mijn abstrakt. dit
is alles, en daarom alles zonder
meer; langzaam
wordt het mij verwant; zie,
ik schrijf nog gesteent neer, maar
het wordt mijn vaderland. Ik
weet niet beter of
met mijn haar groei ik vast aan
de wind, aether van
een lege engel. ik
weet niet beter of
ik kan niet vliegen. dit
doen de lijsters al, achter
het regenen dat
turquoise is en
van adem. Ik
heb zwijgen, de
vogels hebben bloeden, de
vogels hebben hijgen, zij
hebben grote golven. ik
heb zwijgen, de
stenen hebben kwetsuren, de
stenen teren op de dood die
in hen blijft duren. ik
heb hun denken, hun
diepst, hermetisch lood. De
stilte naar binnen staan
namen in
het steen dieper
nog dieper roest
een engel die
in het daglicht niet
scheen verder
is niemand gegaan de
stilte naar binnen komt
men laveloos aan
de achterkant van
het bestaan. Diep
in ons bloed staat
het skelet, het
broze, dat ons bezet
en stil maakt. wij
zijn over onszelf met
onze adem van
streek geraakt, en
buiten alle wanen. diep
in het niets staan
gigantische manen, varens
van donker ‑ alleen
wij zijn er iets. Het
is weer avond; het
is weer licht in
de vitrine van maan en zee; de
dieren die doorschemeren door
mijn denken zijn op
trek naar nieuw gebied. de
hemel is volstrekt; ik
droom in de dierenriem van
mijn gedachten, gewekt door
de bloedstorting van
een lied. Was
het licht maar van licht, de
vogel van vogel, de
hemel van hemel gemaakt, en
het steen van steen. ik
zou het een na
het ander gezicht, mijn
adem en ook de luchten losweken
van het gedicht. Dit
kan niet lang meer duren: wij
huilen langs woorden of
bloeden er langs. wij
zijn kleine gestoorden van
nature; de
dingen staan buiten, stil,
op andere aren. Dood
is een
weg die ons afluistert, waarlangs
wij engelen aan ballonnen oplaten
‑ waar
waaien zij heen? zij
komen neer achter ons denken, tussen
bewusteloos steen; zie,
achter in de gehoorgangen van
ons verlangen; men
ziet nog even zee. Avondtijd
(E. Lasker-Schüller) Bleek
geworden is mijn levenslust... ik
viel zo eenzaam op de aarde van
waar ik kwam, heeft nooit een mens geweten, alleen
jij, opdat ik verenigd eens met jou zal zijn. Ik
ben door inhammen ver omgeven, en
elk ding ervaar ik in het schuim. De
mens, die mij als vijand tegemoet treedt, vervalt! En
ik weet slechts van hem in dromen. En
zo beleef ik de schepping van deze wereld, op
aarde reeds ontkomen aan haar schaal. En
jij de ster die hoog uit de hemel valt begraaft
zich diep in het dal van mijn hart. De
avondtijd verdonkert sterk mijn bloed ‑ dooradert
vol kwellingen mijn vermoeide ziel. Naakt
stijgt ze weer uit de voorwereldlijke vloed is
angstig, dat ze lichamelijk hier op aarde zou ontbreken. En
wat de dag nog voordat hij ontwaakt, verzuimde
morgenroodachtig te beleven, reikt
hem het dromende beeldenspel der nacht in
enkel kleurrijke weefsels. Verre
handen brengen mij naar huis uit
gele sikkels een vroom boeket. De
wijzer wandelt langzaam om het
cijferblad de
zonnewijzer, die goud van mijn leven had. Zij
gloeit door het kloppen bewaakt en
luidt tussen nacht en middernacht... Daar
wij ons zagen in het raadselachtige uur ‑ jouw
mond bloeit duizendschoon op mijn mond. Al
mijn levenslust vervloeide in
het donkere gewaad met de avondtijd. Ik
zocht zonder ophouden een hemel waar... Alleen
in de openbaring is de weg tot hem niet ver. Zoveel
soorten van verdriet, ik
noem ze niet. Maar
één, het afstand doen en scheiden. En
niet het snijden doet zo'n pijn, maar
het afgesneden zijn. Nog
is het mooi, 't geraamte van een blad, vlinderlicht
rustend op de aarde, alleen
nog maar zijn wezen waard. Maar
tussen de aderen van het lijden niets
meer om u mee te verblijden: mazen
van uw afwezigheid bijeengehouden
door wat pijn en
groter wordend met de tijd. Arm
en beschaamd zo arm te zijn. Verdriet
kit al mijn krachten samen, zodat
ik roerloos word als steen. Mijn
hele wezen wordt materie, een
ondoordringbaar star mysterie. O
sla de rots, opdat ik ween. Er
zijn dingen, die alleen het oppervlak beroeren, daaronder
blijft de ziel gelijk en blinkt zoals
een vijver waarop blaadren varen, of
als een kinderoog onder verwaaide haren. Men
zingt en luistert hoe het klinkt. Maar
er zijn soorten van verdriet, die
iets veranderen aan het lied. Men
wordt bespannen met heel andre snaren en
wie het niet ervoer, die weet het niet. O
kindje met je zachte witte vingren en
met de blauwe aadren aan je kleine slaap, die
zich als heilige rivieren slingren. Slaap
mijn kindje, slaap.
'In
de oudste lagen' (M.
Vasalis) In
de oudste lagen van mijn ziel, waar
hij van stenen is gemaakt, bloeit
als een gaaf, ontkleurd fossiel de
stenen bloemen van uw gelaat. Ik
kan mij niet van uw bevrijden, er
bloeit niets in mijn steen dan gij. De
oude weelden zijn voorbij maar
niets kan mij meer van u scheiden. Achtergelaten in
een onbewoonbare wereld rinkelend
van kleuren en
geluiden waar
de dag te licht is en
geen nacht donker genoeg om
het verborgen tumult te
bedaren. In
alle straten, alle kamers blijf
ik je zoeken. Tussen
ontelbare mensen vind
ik je nergens. Verlos
mij uit
dit luchtledig. Laat
mij toe tot de aarde die
je bedekt. Dicht
bij je wil ik slapen en tot stof vergaan Onder
water grif
ik je naam in
de granieten bedding van
mijn stroomgebied. Tussen
de wieren van
het verleden flitsen
pijlsnelle vissen als
mensen voorbij. Alleen
in de diepte mag
ik je voortaan ontmoeten: mijn
warme tegenstroom, mijn
lief. Het
staat vast dat
je dood bent. Maar
wat is dood? Kokhalzend
wakker worden
(H. Michaelis) Kokhalzend
wakker worden tussen
de gestolde feiten van
gisteren en eergisteren. Opstaan,
het licht trotseren. Onder
het oorverdovend carillon
van herinneringen optornen
tegen een geheugen dat
geen duimbreed wijkt. Lachen,
praten, overmoedig denken
dat het zo wel gaat. Merken
dat men zich vergist ook
hierin. Heel het treiterend bedrijf van
deze dag en alle volgende in
vier woorden samengebald: iemand
is niet gekomen. Als
straks het rouwrumoer rondom
jou is verstomd de
stoet voorbij is de
schuifelende voeten voel
ik dat er een diepe stilte komt en
in die stilte zal ik je opnieuw ontmoeten en
telkens weer zal ik je tegenkomen we
zeggen veel te gauw: het
is voorbij hij
heeft alleen je lichaam weggenomen niet
wie je was en ook niet wat je zei ik
zal nog altijd grapjes met je maken we
zullen samen door het stille
landschap gaan nu
je mijn handen niet meer aan kunt raken raak
je mijn hart nog duidelijker aan. Dood
heeft vele gezichten. Een
voor hem die sterft en
een voor elk van hen die
achterblijven. Er
is een milde dood die
barmhartig is en goed. Er
is een harde, wrede dood, die
leegte achterlaat en
pijn en tranen. Maar
altijd is de dood barmhartig,
mild of wreed voor
hem die sterft en
voor elk van hen die
achterblijven 'n
breekpunt, 'n
keerpunt soms. Ach,
laten wij geen ogenblik bederven voor
wie van ons het eerst zal moeten sterven, en
laten wij ook nimmer praten van
alles wat wij huichelden en haatten. Zolang
een vlerkgespreide leeuwerik blijft zingen vergeeft
God ons al wat wij beginnen, zolang
wij kersebomen zacht in bloei zien staan dan
hebben we nog niemand kwaad gedaan. Ach,
laten wij het leed dat mens ons deed, vergeten, God
zal het allemaal wel weten, en
laten wij geen ogenblik bederven voor
wie van ons het eerst zal moeten sterven. Velen
vinden troosten moeilijk Velen
vinden troosten moeilijk. Ze
denken vaak dat ze veel moeten doen om
te troosten, veel zeggen, de
ander er overheen beuren. Echte
troost is eenvoudig: enkel
een hand, enkel een gebaar, een
enkel woord misschien. Iemand
bij wie je jezelf mag zijn; iemand
die bij je blijft. Iemand
die er voor jou wil zijn zoals
je nu bent. Hierna
zal alles anders zijn, nu
jij voorgoed bent heengegaan. Maar
altijd zul jij bij mij blijven, hoog
zal je naam geschreven staan. Hoog
in mijn leven, diep in mijn dromen, in
wolken die je Naam uitschrijven, in
zonlicht dat men stralenbaan jouw
schaduw schildert tussen bomen. Maar
ook zal alles anders zijn als
ik voorgoed ben heengegaan en
winden onze Namen noemen: dan
zal ik je zoenen, zal ik je zoenen. Wachten
moet ik in het donker licht
verwachten van omhoog met
een God verbonden leven die
nog nooit een mens bedroog zal
ik wachten zal
ik hopen zal
ik weggaan? 'mens
waar ben je' zal
ik horen tot
ik op de hoogte kom. Vragen
moet ik om een teken dat
mijn leven gaande houdt afzien
van de dag van morgen lachen
om mijn zelfbehoud zal
ik vragen zal
ik wachten zal
ik hopen zal
ik weggaan? 'mens
waar ben je' zal
ik horen tot
ik op de hoogte kom. Geven
moet ik heel mijn leven zelfs
wat mij het liefste is trouw
zijn aan de stem van binnen mij
verliezen in gemis zal
ik geven zal
ik vragen zal
ik wachten zal
ik hopen zal
ik weggaan? 'mens
hier ben ik' zal
ik horen als
ik op de hoogte kom. Op
de hoogte zal ik komen tot
het einde zal ik gaan waar
ik dood, tot mens geboren oog
in oog met God zal staan zal
ik komen zal
ik geven zal
ik vragen zal
ik wachten zal
ik weggaan? 'mens
hier ben ik' zal
ik horen als
ik op de hoogte kom. Als
je van me houdt, huil niet. Als
je het ondoorgrondelijke mysterie van de hemel waar
ik me bevind zou kennen, zou
je nooit om me huilen. We
hielden voor eeuwig van elkaar in het leven, maar
alles was toen vluchtig en beperkt. Denk
aan deze prachtige plek waar er geen dood is en
waar ik vlak bij de onuitputtelijke bron van
geluk en liefde ben. Als
je echt van me houdt, huil dan niet meer om mij. In
ben in vrede. Je
liefde zal je dood overleven Ze
blijft onder de mensen aanwezig ook
als je al lang gestorven bent. Jijzelf
wordt in je sterven opgenomen
in het geheim van Gods liefde. Gelovig
sterven is afscheid nemen van
de tijd, niet van het leven. Gelovig
sterven is het ene mysterie verlaten
om het andere in te gaan. 't
Is op het woord van Jezus de
hoop verwisselen voor zekerheid dat
God liefde is. De
mensen van voorbij
(A. Nahon) De
mensen van voorbij, ze
blijven met ons leven. De
mensen van voorbij, ze
zijn met ons verweven in
liefde, in verhalen, die
wij zo graag herhalen, in
bloemen, geuren, in een lied, dat
opklinkt uit verdriet. De
mensen van voorbij, zij
worden niet vergeten. De
mensen van voorbij, zijn
in een ander weten. Bij
God mogen ze wonen; daar
waar géén pijn kan komen. De
mensen van voorbij zijn
in het licht, zijn vrij! Ga
niet naar anderen als dát leed u slaat dat
de mens kromt, of als een wig hem splijt: ga
niet naar anderen: raak uw kracht niet kwijt, die
harde kern waarmee ge het bestaat. En
houdt uw huis in stand, gelijk altijd. Ga
niet naar anderen: hun blik verraadt weigering
te beseffen wat er is. Straks
woelt hun onrust om in uw gemis. Mijd
hun bedisselen, hun ergernis dat
ge u blijkbaar niet gezeggen‑laat. Zoek
het bij een goede vriend, u toegewijd een
die u niets verwijt, niets vraagt, niets raadt maar
u verdraagt met uw beschreid gelaat. Die,
zelf zwijgzaam, u kent voor wie gij zijt, en
merkt dat het, nog bevend, berg‑op gaat. Een
vriend van mij, een vriend van mij had kanker Maar
goeie vrienden laat je niet alleen Al
wist ik dikwijls niet wat ik moest zeggen Ik
ging er elke week toch even heen In
feite zou ik gister weer gegaan zijn Dat
hoefde niet meer, zei het ochtendblad 'Gestorven:
onze zoon en broer en zwager... In
stilte gecremeerd' ‑ en dat was dat 'In
stilte' ‑ jee, waarom in 'alle stilte'? Het
was zijn 'laatste wens', dat stond erbij Ik
snap 't niet, dat zou hij mij niet aandoen Dat
is gewoon gelogen volgens mij Ik
ga niet in een hoekje zitten huilen Ik
scheur ook het behang niet van de wand Maar
toch: waarom is sterven en begraven Verbannen
naar een hoekje van de krant? Ik
heb een advertentie laten zetten Je
wilt toch wat, als afscheid, als besluit 'Dag
Jaap, ik zal je heel erg missen, Ivo' Maar
Jezus... wat zag dat er lullig uit! Als
ik ooit doodga, kom dan allemaal maar En
hou je flink of snotter, alles mag Vooruit,
laat 't maar druk zijn en luidruchtig Ik
zorg wel voor de stilte op die dag Er
is nog zoveel niet gezegd
(P. van Vliet) Er
is zoveel nog niet gezegd er
is nog zoveel doodgezwegen door
jullie en door mij. Zoveel
waarheid nog ontdoken zoveel
nog niet uitgesproken en
het heeft zo voor de hand gelegen bij
jullie en bij mij. Opgekropt,
weggestopt, stil
gesust, zoet gekust, afgeschoven,
weggewoven, wel
gedacht, niet verteld, afgewacht?
uitgesteld, doorgeschoven,
weggewoven, door
jullie en door mij. Er
is zoveel nog niet gezegd, er
is zoveel nog doodgezwegen, zoveel
grond nog niet ontgonnen, zoveel
planten niet begonnen, vragen
die geen antwoord kregen van
jullie en van mij. Ik
weet dat je gestorven bent. Ik
weet dat je gestorven bent. Je
handen hebben de mijne en
de dingen om je heen losgelaten. Je
kijkt niet Meer door het raam naar
het weer van vandaag. Je
luistert niet langer als er ergens een deur opengaat en
je zegt niet meer: Kom binnen. Je
zegt de woorden niet meer die je ‑
met jouw ogen en jouw stem‑ vroeger
altijd zei. Het
is stil geworden om je heen Maar
toch hoor ik je nog spreken en
zie ik met gesloten ogen wat je deed, toen
je nog gaande en staande was. Nee,
je zou pas echt dood zijn ‑ik
zou pas echt dood zijn‑ als
ik je kon vergeten en
als je weggewist uit mijn geheugen me
niet meer bij zou staan met
raad en daad zoals
toen. Maar
dat doe je dus nog als
ik over jou verhalen vertel: hoe
je het leven en de mensen zag en
wat je doen zou als je voor vragen stond waar
ik voor kom te staan. Nee,
alles is nog niet voorbij, je
leeft nog in mijn verhalen over jou. Mijn
handen kunnen je niet meer vasthouden maar
wel mijn woorden en de ogen van mijn hart. En
daar zul je leven tot eens alles is volbracht ln
een nleuwe hemel en een nieuwe aarde. Sinds
je mij voor altijd
(H. Michaelis) SINDS
je mij voor altijd bent
binnengegaan, ben
ik tot de rand van
je vervuld. Dwars
door de rukwinden van
het verdriet voel
ik je onder mijn huid bewegen,
warm en goed als
vroeger toen
wij overnachten binnen
de omheining van elkanders
armen., Wat
doet het er dan toe dat
de wereld leeg en
winters is geworden nu
mijn ogen je
nooit meer zullen zien en
ik mijn hoofd niet langer in je schoot kan leggen?
Iedere
morgen word ik onwetend waker (H.
Michaelis) IEDERE
morgen word
ik onwetend wakker. Gloednieuwe
wolken drijven het
raam voorbij. Veelbelovend
glimlacht de
dag: alles is
mogelijk. Maar
iedere avond gaat
in rook en vlammen de
wereld onder. Het
langst rekt de stad haar
held bestaan, vuurspuwend
van leven tegen
de inktzware achtergrond van
je dood.
Toen
ik dacht dat je was weggegaan (H.
Michaelis) TOEN
ik dacht dat
je was weggegaan en
mij zonder leeftocht alleen
had gelaten in
een verdroogde steppe, heb
ik mij vergist. Nu
weet ik dat je mij hebt
uitgekozen om
je voorgoed te herbergen veilig
besloten in mijn
duisternis Wanneer
ik mij aandachtig over
mezelf heenbuig, ontmoet
ik je oogopslag helder
en diep als water en
je glimlach overrompelt mij met
de ernstige vreugde van
vroeger. Dat
is genoeg voor
een heel leven. Hoe
kan ik ademen met je dood (H.
Michaelis) HOE
KAN ik ademen met
je dood als een brok in
mijn keel? Hoe
kan ik lachen nu
het onherroepelijke vonnis mijn
mond verzegeld heeft? In
een houten kist gaat
de toekomst tot
ontbinding over. Ik
voel hoe ik langzaam maar
zeker bevries. Toch
blijf ik ademen. Toch
lach ik, oudergewoonte. En
dat is misschien het
ergste van alles.
Onzichtbaar
kom je mij tegemoet (H.
Michaelis) ONZICHTBAAR kom
je mij tegemoet op
mijn moeizame tocht door
het maanlandschap van
de tijd. Onhoorbaar dringt
je stem door tot
mijn geheimste luisterpost. Jij
die al mijn wegen kent, die
mij ontcijferd en gelezen hebt, blijf
bij mij onzichtbaar,
onhoorbaar en
leid mij over de drempel van
de dood. Langzaam
beweeg ik mij voort (H.
Michaelis) LANGZAAM
beweeg ik mij voort door
windstille vlakten. Er
is niets meer te vrezen, niets
te verwachten. Voetstappen
blijven zwakke
geluiden in de mist. Onbekende
stemmen dringen
vaag tot mij door. Waarom
zou ik antwoorden? Blindelings
levend in
het verlengde van je dood verwijder
ik mij onmerkbaar van
je graf, op weg naar
het mijne.
Jaren
later op een heldere middag (H.
Michaelis) JAREN
later op
een heldere middag vol
nuchtere geluiden en
bezigheden in een huis dat
je nooit heeft gekend, herinner
ik mij plotseling hoe
zacht je ogen werden als
je me aankeek. En
even verschijn je mij ten
voeten uit, onverwacht overgekomen
uit het tijdloze. Zo
zacht zijn je ogen dat
ze mij verzoenen met
je weggaan, sneller en
onverwachter dan je komst. Wonderlijk
heimwee naar (H.
Michaelis) WONDERLIJK
heimwee naar
de onnozelste dingen. Driftige
voetstappen op de trap. Een
gestalte in tegenlicht Ogen
versluierd door de rook van
een haastig opgestoken sigaret, Een
hand op het stuur van de auto waar
nu een vreemde in rijdt, misschien
wel door hetzelfde landschap als
wij vroeger. Lieve
herinneringen. Lieve
dode. In
deze dagen...
(M. v.d. Berg) Onzichtbaar maar
des te meer voelbaar is
in deze dagen ons
gemis. Dat
maakt deze dagen donkerder
en langer dan
de nacht. In
ons huis branden
we een lichtje bij
Wilriekes foto. Ze
is nooit uit
onze gedachten. Spreken
over haar geeft
troost. Jullie
aandacht, het
noemen van haar naam. Jullie
delen van herinneringen. Het
soms stilzijn met ons doet
goed en geeft licht in
onze nacht Jullie
aandacht is als een zachte hand op
onze schouder. Een
zachte hand van de Eeuwige Sluipend
ongemerkt raakte jij uit onze tijd (M.
v.d. Berg) Sluipend
ongemerkt raakte
jij uit onze tijd. Je
ging in je eigen tijd leven. Je
trok je niet zoveel meer aan van
onze gewoontes. Je
ging je eigen gang. Jij
doorbrak steeds meer onze
gang van zaken. Sluipend
ongemerkt raakte
jij uit onze tijd. Je
ging weer op zoek naar
waar je vandaan kwam. Je
vergat gewoon even dat
je gehuwd was en
kinderen had. Je
zocht je eigen kindertijd weer op. Je
was boos als
wij dat niet begrepen. Sluipend
en ongemerkt raakte
jij uit onze tijd. Je
liet ons leven in
twee tijden tegelijk: die
van jou en
die van ons. Zo
waren wij soms
meer verward dan jij. We
keken elkaar aan en
vroegen ons af: hoe
kon dit toch? In
ons hart voelden we ons in
de steek gelaten. Jij
liet ons zomaar zitten in
onze tijd met
de handen in het haar Soms,
als er niets wordt gezegd, jij
even rust vindt op
je eindeloze dwaalwegen, dan
even ontmoeten onze handen en
onze ogen elkaar: alles
lijkt vergeten, de
pijn en de onrust, onze
ontmoeting is vrede. De
tijd staat even stil. AIs
de donkere nacht van
't verdriet om 't verlies je
overvalt als
'n overval, als
je in je levensboot alleen
verder moet beroofd
van wie jouw liefste en
warmste licht was, dan
word je zoeker naar
licht en troost, tastend
als 'n blinde, beroofd
van licht. Als
je liefste licht sterft, sterf
je mee en
word je ondergedompeld in
't donkere water van
't verdriet. Als
die dingen gebeuren, ontsteek
dan dit licht, omdat
ons beloofd is dat
de nacht zal overgaan in
troostend ochtendlicht. De
stilte komt de trap af
(M. v.d. Berg)
Hoe
lang is het al geleden dat
jij de trap afkwam, gewoon
om de nieuwe dag te beginnen, koffie
te zetten en
naar je werk te gaan, ‑ onbezorgd. Hoe
lang is het al geleden dat
jij de trap opkwam, gewoon
om de dag te besluiten, tanden
te poetsen, en
je lichaam neer te leggen ‑ wel te rusten. Toen
kwam de tijd dat
het steeds drukker werd op
de trap. Vreemden
kwamen, vreemden
gingen. Velen
kwamen de trap op en
gingen de trap af, jij
betrad de trap niet meer. Nu
komt alleen nog de stilte van
de trap af: Soms
denk ik dat het nu lang genoeg
heeft geduurd, dat
je wel weer gewoon de trap af
kunt komen, om
de dag te beginnen. Dan
voel ik nog steeds meer dat
alleen nog de stilte van de trap afkomt. Voor
wie niet verder kon leven Bij
wie kan ik schuilen in
dit uur in
deze vreemde dagen, de
dood om mij heen, nog
zo onverwacht toch na
alles. Bij
wie kan ik huilen in
deze dagen bij
dit afscheid van
jou, die
als levensdood geen
plek meer vond om
te schuilen. Jij
verlangde zo naar een plaats om
te schuilen. Nergens
kon jij die vinden. Jij
huilde van binnen al
jouw jonge jaren totdat
je nog slechts naar de
dood kon verlangen. Jij
ging stil van ons weg, eenzaam
en zonder gerucht, in
de vroege ochtend. Jij
kon niet meer opstaan. Jij
ging een ander licht tegemoet, vriendelijk
en veilig om
bij te schuilen. Mag
dat Licht jou groeten en
omarmen, een
schuilplaats voor jou zijn.
Niemand
gaat echt dood Iedereen
leeft voort In
andermans denken, doen en voelen En
als je goed geleefd hebt Dan
leef je na de dood Meer
dan ooit tevoren.
Onzichtbaar
voor anderen maar
des te meer voelbaar voor
ons, voor mij, gaat
ons kind met
ons mee op
de levensweg. Ons
kind dat
ons leven veranderde bij
de geboorte, maar
nog meer voor
altijd ons leven veranderde, toen
de dood ons van
het kostbaarste beroofde. Onzichtbaar
voor anderen, maar
des te meer voelbaar voor
ons, voor mij, is
ons kind afwezig‑aanwezig bij
ons, bij mij als
een wond die
schreiend schrijnt. Weer
zijn er de
barensweeën om
opnieuw geboren te
worden uit de pijn van
ons verdriet: vaak
onzichtbaar maar
des te meer voelbaar. Zo
graag zou ik trots op je
willen kunnen zijn: 'n
trotse vader Zo
graag zou ik willen zien hoe
je als 'n jonge boom openbloeit
en omhoogschiet. Zo
graag zou ik willen zien hoe
je 'n lust voor het oog wordt
in 't landschap van de mensen Zo
graag zou ik met je willen praten, horen
wat jij vindt van de dingen van
vandaag. Zo
weinig mensen begrijpen dat
ik je niet minder maar
steeds meer mist Sinds
die dag dat je niet terugkeerde. Nu
we jou dit huis uit zullen dragen Nu
we jou dit huis uit
zullen dragen: uit
huis waar je zo graag was, uit
huis dat je tot een thuis maakte, 'je
aardse paradijs', dit
huis zo mooi gelegen, 'altijd
wat te zien' 'altijd
wat te doen', dit
huis waar je je kinderen ontving en
je kleinkinderen, je broers en zwagers en
ieder die maar aankwam, dit
huis waar je je deur openhield, dit
huis waar je je laatste jaren deelde
met de liefste mens van jouw leven, dit
huis waar je van elke dag een
feestdag maakte en je laatste verjaardag het
laatste hoogtepunt was nu
we jou dit huis uitdragen, beseffen
we nog maar half, hoe
dit huis voor altijd anders zal
zijn: leger en stiller. Nu
we jou dit huis uitdragen groeten
we je In
de verwachting van een nieuw thuiskomen
voor jou. Het
wordt nu vroeg donker, zegt mijn groenteboer. Er
zijn steeds meer kaarsen in de winkels, merk ik. De
eerste herfstwind heeft al veel gekaald. Vandaag
is het nog een zachte dag, 2 november. Velen
bezoeken het graf, niet vindend wat ze zoeken. Anderen
dwalen in huis, want de as werd verstrooid. Sommigen
nemen een hark mee en nieuwe bloemen. De
dierbare plek krijgt zo veel mogelijk zorg. Het
is druk en stil in de dorpskerk die avond. Ieder
is gekomen met de naam in het hart van zijn
dierbare. Namen
geschreven in de palm van Gods hand, zegt
de priester. Hij
zegt zijn tedere woorden duidelijk en rustig. Zesentwintig
namen worden dit jaar genoemd. Zesentwintig
kaarsjes worden ontstoken aan het Licht. Soms
wordt het diep stil, houdt elk gehoest op. De
namen worden genoemd van wie nog zo jong waren. Het
meest luister je naar je eigen naam. Het
meest kijk je naar dat éne kaarsje voor haar, voor
hem wiens naam blijft geschreven in jouw hart. Stil
keren we in het donker terug naar onze huizen. Allerzielen,
zielsgenoten samen, ieder ook alleen. Allerzielen,
gedenken mag, gedenken moet, gedenken
is leven. Streep
geen namen door in de verhalen, in
het gedenken. Lever
niemand uit aan de dood van
het niet meer noemen. Geschreven
in ons hart, in de palm van Gods hand... de
kern van een mens, haar diepste bezieling, zijn
goddelijk licht dat blijft en ons verlicht, als
de avonden vroeg en donker worden, de
winter nadert. Voor
hen die ik liefheb, en zij die mij liefhebben: als
ik ben gegaan, laat me los, laat me gaan. Ik
heb zoveel dingen te doen en te zien; bind
jezelf niet aan mij vast met tranen: wees
verheugd over zoveel goede jaren. Ik
gaf je mijn liefde; je kunt slechts gissen hoeveel
je mij gaf in vreugde. Ik
dank je voor de liefde die wij aan elkaar hebben
getoond maar
nu is het tijd dat ik alleen verder reis. Wees
een tijd verdrietig om mij, want verdriet hoort erbij, maar
laat dan je verdriet omhelsd worden door troost. Het
is slechts een tijd dat we moeten scheiden; daarom
zegen de herinneringen in je hart. Ik
zal niet ver zijn, het leven gaat verder; en
als je mij nodig hebt, roep me en ik kom. En
hoewel je me niet kunt zien of aanraken ik
ben dicht bij je en
als je luistert met je hart zul
je horen al
mijn liefde om je heen, zacht en helder. En
als je moet gaan, deze weg, alleen, ik
zal je begroeten met een glimlach en
een 'welkom thuis'. De
dood en het besef van de dood De
dood en het besef van de dood kan
rustgevend en vrede‑brengend zijn. Dat
klinkt wellicht wat vreemd in
de oren van de mensen die
zich zelfs in hun vrije tijd laten opjagen: 'Ik
moet nog zoveel', 'Ik wil nog zoveel', 'ik
moet er niet aan denken dat ik op een dag al
deze dingen niet meer zou kunnen doen'. De
dood, en het besef van dood kan
rustgevend en vrede‑brengend zijn. De
dood is angstaanjagend voor
mensen die uiterlijke schoonheid, lichamelijke
gezondheid en materiële rijkdom als
belangrijkste idealen in hun leven zien. Nogal
wiedes, de dood zegt hun hoe
relatief, hoe beperkt hun idealen zijn. De
dood, en het besef van dood kan
rustgevend en vrede‑brengend zijn. Hoe
vaak hoor je niet mensen zeggen die
met de dood in aanraking zijn geweest: 'Ik
heb geleerd om meer te genieten van
de kleine dingen in mijn leven'. En:
'Ik maak me geen zorgen meer of
ik mijn werk wel of niet af krijg'. De
dood, en het besef van dood kan
rustgevend en vrede‑brengend zijn. Het
klinkt misschien vreemd, maar
het lijkt wel of je het meeste leert van
de dingen waarvoor je het meest bang bent. Zingen van
liefde zingen tegen
beter weten in tegen
de klippen op de
onverbiddelijke klippen
van de dood tegen
de lippen op de
bevroren lippen van
je eigen wanhoop zingen van
liefde zingen een
gat in de nacht zingen tot
wonder boven wonder de
werkelijkheid wijkt en
alles en alles weer
opnieuw begint
En
als ik doodga treurt maar niet En
als ik doodga treurt maar niet Ik
ben niet echt weg moet je weten Het
is de heimwee die ik achterliet Dood
ben ik pas als jij mij bent vergeten "Als
een bloem zo is het leven het
begin is teer en klein De
een die bloeit uitbundig de
ander geurt heel fijn. Sommige
bloemen blijven lang weer
anderen blijven even Vraag
niet bij welke groep je hoort dat
is het geheim van het leven." Er
is een wereld van mensen, zo
vol macht en zo dicht. Er
is een wereld van sterren, zo
zacht en zo licht. Vind
je rust in jouw wereld eindeloos,
onwezenlijk, veilig. Mijn
lichaam deed pijn, niets
kan me meer deren. Mijn
lichaam ging dood, maar
zelf leef ik verder. Voor
altijd met jou verbonden. Leef
maar, LEEF maar, bewaar
mijn gedachten, de
goede herinneringen, ons
vallen en opstaan. Het
mooiste wat
je mij mee kunt geven is
jouw groeien en bloeien en
intens leven. Mijn
liefde zal blijven, mijn
liefde de zal stromen en
alles zal goedkomen. Alles
komt goed. Uniek
jouw oogopslag de
manier waarop je met
ons sprak over
jouw heengaan. Uniek
zoals je met
ons omging de
manier waarop Je
liep, stond en zat. Uniek
jij, hoe
kun je dan weg zijn voorgoed
onvindbaar? We
begrijpen het niet, neen We
willen er niet aan. Uniek
jij enig,
onvervangbaar. Daarom
blijft er iets van jou ons bij en
ben jij niet weg, jij want:
uniek jij, voor ons en
zeker voor God bij
wie je voorgoed
geborgen bent. Moed
houden, eenvoudig voortgaan Moed
houden, eenvoudig
voortgaan als je kunt. De
weg gaan zoals die komt met zijn voor en tegen. Je
ogen die een lamp zijn van je ziel en
die meer zeggen dan je mond verwerken kan. Doen
wat voor de hand ligt, antwoorden
geven als die er zijn met
een lach, maar ernstig gemeend. Praten
me je allerliefsten of
zwijgen als het mysterie te groot is. En
intussen niet teveel omzien, want
de weg van het leven gaat soms dwars door je hart. Moed
houden, eenvoudig
voortgaan als je kunt. En
als je niet kunt wachten
en uitrusten bij wie je zorgen deelt of
bij een vriend/vriendin, als die er is, zomaar
een gesprek, eerlijk en vertrouwd. En
als die er niet is toch
wachten... Dan
maar alleen... Wachten
tot het weer gaat, straks... "Mijn
hart brak. Een uitspraak van Da Free John bleef maar door me heen gaan: 'Beoefen
de wond van de liefde... beoefen de wond van de liefde.' Echte liefde doet pijn;
echte liefde maakt je totaal kwetsbaar en open; echte liefde zal je ver voorbij
jezelf brengen; en daarom zal echte liefde je vernietigen. Ik
moest steeds denken, als liefde je niet verbrijzelt, ken je geen liefde. We
hadden beiden de wond van de liefde beoefend, en ik was verbrijzeld. Als ik er
op terug kijk, komt het me voor dat we op dat eenvoudige en direkte moment
beiden zijn gestorven." Huil
niet aan mijn graf; Daar
ben ik niet. Ik slaap niet. Ik
ben duizend winden die waaien; Ik
ben de diamanten schitteringen op sneeuw. Ik
ben het zonlicht op rijp graan; Ik
ben de zachte regen in de herfst. Als
je wakker wordt in de stilte van de ochtend, Ben
ik de zwerm van vogels Die
in een vlaag opstijgen. Ik
ben de zachte ster die s nachts schijnt. Huil
niet aan mijn graf, Daar
ben ik niet...
|
|
|
de Rijn - collage 30 x 40 cm
Share |
canandanann 31-01-2012
|