gedichten  Dood 2
Start Omhoog

                 


Gedichten rond de Dood 2 - Badhoevedorp 1997

 

 

 

 

Evenwicht (H. Domin)

 

Wij gaan

ieder voor zich

de smalle weg

over de hoofden der doden

‑bijna zonder angst‑

op de maat van ons hart

als waren wij veilig,

zolang de liefde

niet aflaat.

 

Zo gaan wij

tussen vlinders en vogels

in verbazingwekkend evenwicht

naar een morgen van boomtoppen

‑groen, goud en blauw‑

en naar het ontwaken

van beminde ogen.


 Hechting (G. Achterberg)

 

De engelen hebben zich aan u gehecht

en gij zijt bijna onvindbaar meer.

De grote perspectieven van weleer

staan in mijn ogen, leeg en recht.

 

Blauwe zoeklichten van de ziel bij nacht

schuiven hun cirkel het geheugen door:

vleugels bewegen in het witte spoor;

overal is het vol van uw gezicht.

 


Wie zal

 

1.

Wie zal onze dromen komen begrijpen?

 

En wie zal verstaan: wij missen zijn stem

die hij nog niet had. Wij missen

de liefde die hij ons zou geven

en meer nog: onze liefde voor hem.

 

Hulpeloos vogeltje, nietige engel,

voor even maar van God gekomen.

Een naam, een kleine mensenzoon

en toen: herinnering, gestorven dromen‑

 

wie zal begrijpen; wie zal komen?

 

Elk woord nu

is het verkeerde.

En stilte verdragen wij niet.

 

Alles doet pijn‑

onze ogen; de huid van ons lichaam;

ons hart.

Wij hebben gehuild

en wij houden verdriet.

 

Elk woord is verkeerd;

het schiet tekort,

het komt van ver,

het treft ons pijnlijk:

het brengt ons terug bij het kind ‑

 

hoe lief wij het hadden,

hoe vertrouwd het ons werd;

dag na dag, maand na maand.

En konden wij 's nachts niet slapen,

dan waren wij samen met ons kind.

 

Elk woord nu is het verkeerde,

en stilte verdragen wij niet.

 

2.

Hoe leeg ook van vragen, hoe blind van tranen:

wij moeten verder door de dagen.

Wij hopen niet op troost maar op genade.

 

Er is gezegd, er staat geschreven

dat van Gods liefde niets ons scheiden kan,

ook niet dit mateloos verdriet.

De wegen van God ‑ ze zijn zo duister

en wij begrijpen ze niet.

 

3.

God die het leven draagt en elke dode,

en alles wat ons treft en pijnigt van de dood;

 

God, die ons tilde uit de slaap,

de doodse stilte van nog niet geboren zijn;

 

God, die het kleinst geborene

uit onze armen in Zijn handen nam;

 

Gedenk ons kind,

gedenk zijn naam en onze namen.

 

Zie met erbarmen, hoe wij kwamen‑

gedenk ons kind en onze namen.

 


Het geschondene

 

Overvloeiende gouaches leven

van de smalle grenzen

tot de dood.

Harde, scherpe randen

van een ongewenst bestaan

tussen zwarte, zware wanden.

 

Elders zijn de levenden

met de goden en hun liefde,

maar aanwezig niet.

 

Water roept de verre aarde,

roept vergeefs een mens, een hemel.

 

Dode moeder‑

kinderdood.

 


Wij lopen op beton

 

Wij lopen op beton

en bijna in de trage regelmaat

van voeten die op weg zijn naar een graf.

Gelukkig zijn het licht en ook de wereld

grijs als de steen van dit gebouw.

 

Nevel over de resten van wat eens polders waren.

Gehavend land van aarde, gras en onkruid.

 

Dit werd je wereld

maar was je wereld niet.

Het is hier vol van jou. Hier wil ik

thuis geweest zijn. Sporen van je vinden‑

zij zijn er niet meer om nog aan te raken.

 

Ik wil hier ziek zijn in een bed,

hier wil ik liggen, zoals jij.

En vloeken, huilen van verraad en dood‑

 

het is nog maar één voorjaar later.

 


Na die tijd

 

De grijze paden

onder mijn rond schedeldak‑

jij liep ze alle af:

niet voor altijd

ben ik daar allen gebleven.

 

Mijn ogen‑ eens

zijn ze geweest verzadigd

van je gestalte, van

je armen als een wieg.

 

Mijn oren bleven nog lang wachten

op je stem,

die eens daarin gevallen was

als zachte balsem, als muziek.

 

En ergens buiten mij

beweeg je weer en leef je toch.

En in mij

huilt om jou wie ik eens was‑

 

De zachtste mens

die ik ooit ben geweest:

met jou.

 


Zien en horen

 

Een horizon

waarachter niets en niemand

kwijt zal raken of verloren‑

het oude landschap van je ziel,

bewaard in stille nevel:

het grasland en de sloten; de heuvels;

twijgjes aan oude bomen;

de lage zon, scherende over rivierenland.

Het oude hopen en het oud verlangen

dat je zult rusten, omdat beloofd is

dat je rusten mag.

Zie: alles is voor even haast volmaakt;

het scheiden en het afscheid zijn voorbij

en alle dingen liggen klaar.

 

Hij heeft gezegd:

ik wacht altijd totdat je komt.

Klein mensen kind, gezegende,

speel voor mijn Aangezicht.

 

Voorbij de wereld en de tijd

zal ik er zijn;

wees niet alleen,

blijf bij elkaar

totdat ik kom,

heeft Hij gezegd.

 


Gebed aan de Grens (H. Stufkens)

 

Gegaan tot waar wij kunnen ‑

aan de grens van het Licht staan wij,

in wezen onbegrensd, in het gezicht van de dood.

En wij herinneren ons de oude woorden

dat leven verandert

maar niet wordt weggenomen,

dat niets en niemand verloren gaat.

 

Zielsverbonden zijn wij met jou

van wie wij hier afscheid nemen,

en die ons in leven en dood zo dierbaar

was en is en blijven zal.

Verbonden zijn wij ook met elkaar

en met alle levende wezens, klein en groot,

met vogels en vissen, velden en bossen,

met zon en maan, met het land vlak en golvend,

de onmetelijke diepzee,

met al wat is en verandert,

dag en nacht,

en eindeloos komt en gaat ‑

verwacht, onverwacht,

gedragen, geboren, gewiegd in liefde.

 

Met heel ons hart vertrouwen we je lichaam toe

aan de tijd die alles heel maakt

en de goedheid van moeder aarde,

en we begeleiden je met

het onzegbare achter onze woorden,

de welsprekendheid van ons zwijgen,

de warmte van onze tranen,

de troostrijke kleuren van onze bloemen.

 

Hier, aan de grens van het Licht,

zeggen wij: vaarwel en tot ziens, reisgenoot,

nu geroepen te gaan langs andere wegen,

maar onafscheidelijk onze metgezel,

en op dezelfde tijdloze reis

geleid door dezelfde Geest.

 

En brengen wij ons in herinnering

dat wij niet voor niets leven,

en niet voor niets hier en nu

verzameld zijn, op deze plek.

Dat wij geroepen zijn, zolang het duurt,

om deze aarde bewoonbaar te maken en te bewonen,

om te leren liefhebben met hart en ziel en huid

en haar.

 

Bidden wij dat dit uur ons mag breken en helen,

verzachten, vermurwen, verbinden tot leven

met elkaar.

 


Oeroud is licht in je gezicht

 

Oeroud is licht in je gezicht

en alle pijn die je bevrijdde.

 

Ze noemen je 'mahatma': grote ziel.

Je keerde terug omdat

 

het paradijs je niet beviel

zolang je nog een mens zag lijden.

 

Je sterft als het moet opnieuw,

en draagt het licht

 

tot aan het eind der tijden

 


Zoek niet naar mijn graf,

 

Zoek niet naar mijn graf

vraag me niet wie ik ben

en of jij mij gekend hebt.

De idealen die ik had

blijven ook zonder mij bestaan.

Ik ben dood, maar leef voort

in de idealen die ik had.

En de anderen die blijven strijden

zullen nieuwe rozen doen bloeien.

Wanneer je daarover spreekt, spreek je over mij.

 

Zoek niet naar mijn graf,

want dat zul je niet vinden.

Mijn handen zijn nu de handen

van anderen die strijden.

Mijn stem roept in andere stemmen,

mijn droom leeft voort bij anderen.

En weet dat ik pas sterf

als jullie de moed opgeven.

Want ieder die in de strijd valt,

leeft voort in zijn vrienden.

 


Een stille man die stiller werd (J.H. Leopold)

 

Een stille man die stiller werd ‑ niets meer.

De rozen bloeiden schaarscher door zijn klagen,

De neevlen werden dichter in de dagen,

Herinneringen vond het pad niet van weleer.

 

Er was geen gaan, en nergens wederkeer.

Naar verre stilten gleed het laatste vragen.

Moe werden oogen die hun ster niet zagen.

Het moede hart werd moeder, en niets meer.

 

En toch had hij het leven groot bemind

En het bevolkt met overaardsche droomen,

Waarin hij mateloos zichzelve bood.

 

Werden zijn gaven nimmer aangenomen?

Hij hoorde het rukkend ruischen van den wind

En week binnen de hoede van den dood.

 


Uw hand is op mijn schouder

 

In memoriam Matris

 

Uw hand is op mijn schouder.

de nacht is lang, ik weet,

dat gij mij niet vergeet.

ik ben al jaren ouder.

 

het licht is hard, de wind

slaat achter mij alles dicht:

droomen, stilte, licht

en het schreien van een kind...

 

ik sta alleen, de nacht wordt kouder

nog dan mijn hart, mijn hand ‑

alles in mij is lang verlamd ‑

 

maar uw hand is op mijn schouder.

 


Te Middelharnis is een kind verdronken

 

Requiem

 

Te Middelharnis is een kind verdronken:

sober berichtje in het avond blad

onder een hooiberg, die had vlam gevat;

nevens een zolderschuit, die was gezonken.

 

Zes dagen heeft het in mij nageklonken.

Op het kantoor vroeg men; zeg, heb je wat?

Ik werkte door maar steeds weer hoorde ik dat:

te Middelharnis is een kind verdronken.

 

En kranten waaien weg en zijn verouderd,

de dagen korten, nachten worden kouder

maar over het water komt zijn kleine stem.

 

‑ Te Middelharnis ‑ denk ik, 'k denk aan hem

en bed zijn hoofdje tusschen hart en schouder,

en zing voor hem dit lichte requiem...

 


Herinnering

 

Vader, wij hebben nooit gesproken

over het leven met elkaar,

gij had het uwe, ik het mijne

en beiden wisten wij, 't is zwaar

te leven met een weerloos hart...

Zoo hadden bêi we ons toegesloten

en gingen zwijgend naast elkaar:

ik heb den weg niet kunnen vinden,

al lag uw hand steeds voor de mijne klaar.

En nu gij heengegaan zijt naar dat vreemde

en voor geen levende bereikbaar land,

nu breekt mijn vuist eerst hunkrend open

en zoekt vergeefs uw trouwe hand.

 


Voor een dode

 

De avond daalt;

er valt een vage schemer.

ik zoek de vrede dien de dag mij nam;

en onweerstaanbaar brengen mij mijn schreden

naar 't stille kerkhof waar ik na uw sterven

berooid en eenzaam iedren avond kwam.

 

waarom? ik weet te goed dat ik u niet kan wekken

en dat gij daar zijt en ik hier en dat dit graf ons scheidt;

dat ik aan deze steen niets kan onttrekken

van uwen staat van ongenaakbaarheid

 

dooden zijn ver en koud en dichters eenzaam,

maar zij beluisteren elkanders lied; ik zing

en gij en ik worden opnieuw gemeenzaam;

zegen ‑ en vloek der verhoovaardiging.

 

schuw dus dit lied, vergeef het, blijf mij wachten;

bid voor mij al de dagen uwer eeuwigheid,

opdat mijn boot bij 't zwichten mijner krachten

niet nog in 't zicht der kust te pletter splijt.

 


Roep (T. de Vries)

 

De nachten waaien. Een vreemde regen

verschrikt mijn gedachten. Een vreemde regen

raast in den tijd. Ik denk aan U ‑

Lichten spoken ‑ Ik hunker naar U

die zoo ver weg zijt... Ik zoek de sterren:

de nacht staat gesloten. En van verre

komen de winden, machtig en zwart,

en breken de rozen, die nog leven ‑

Ik denk aan U en de regens beven

wild en stormachtig aan mijn hart.

De regens maken de wankele huizen

tot blinde vreezen, verstild in steen.

De nachten waaien, de winden ruischen.

Ik denk aan U, en ik lig alleen...

Ik lig alleen met een verzwegen

roep om U in de duisternis.

Altijd de wind. Altijd de regen.

Altijd de nacht en mijn hunkering.

 


Het gestorven meisje

 

Het was een koude, glinsterende nacht.

Wolken en duisternis, sneeuw en sterren

waren er, en wij hoorden verre

klokken. Haar einde werd verwacht.

Het venster was in de nacht een smal, veeg licht.

Zij was kleiner geworden, lieflijker dan ooit,

het blonde haar langs het voorhoofd geplooid,

en een glimlach over haar wit gezicht.

Zij was zoo ver van ons als sneeuw en sterren.

Voorbij het smalle, verlichte raam

staarden wij in het grondelooze verre.

Hier was haar lichaam, klein en zonder naam.

 


Het was geen lentelied (P. Verbruggen)

 

Het was geen lentelied

wat ik zoeven heb verzonnen.

Het licht is er niet

en om de hoge bomen

hangt dik getast de mist.

De merel hurkt in 't hout

en tript en tinkt, maar mist

de blijdschap van een lied.

De winter hangt weer grijs en koud

boven het schraal gazon

en hard zijn alle wegen.

Het was geen lentelied

dat wij te horen kregen,

toch bleef er iets ‑ wat weet men niet ‑

toch bleef iets achter van de zon.

Zo hangt een nevel rondom ons

een nevel tussen U en mij;

De winter laat niet los

toch voel ik U nabij.

 


Laat mij alleen als de engel komt

 

Laat mij alleen als de engel komt.

Gij noemt met een ondankbaar woord

stoel en tafel, water en brood,

en zoo zoudt gij de engel noemen ‑ de dood.

 

Laat mij als het nacht bij dage

en het dag bij nacht voor mij zal zijn;

en er komt bij tijden een vernietigende klaarte

die in mijn uitgebrande lichaam binnen schijnt.

 

als de engel mij verlaat

na dit bitterschóon bezoek:

noem niet met een ondankbaar woord

geest en lijf, gebeente en bloed.

In droom zult ge mij wedervinden,

schrikaanjagend in mijn gloed

- maar heet mij uw beminde.


Uit de stilte (L. de Bourbon)

 

Wanneer ik in een stillen nacht den berg beklim

alleen, zelfs zonder schaduw en blijf staan

dat 'k ook den echo van mijn stem verlies en ik

een ding

word tussen aarde en hemel zonder naam.

 

Niets dan een bleke vlek in dezen nacht

waarop het licht van duizend sterren valt,

niets dan een mens die nog begeert en wacht

wien ondanks alles nog de aard' bevalt.

 

Spreek dan tot mij vanuit Uw hemels rijk,

Laat er een kruis zijn dat mijn oog verblindt,

geef mij een enkel teken maar, een blijk

dat Gij mij duldt, en, als het kan, bemint.

 

Zo roep ik U, terwijl de stilte rond

mij op de loer ligt en mijn woorden hoort,

geen antwoord dan in 't diepe dal een hond

door de eeuwge onrust in mijn slaap gestoord.

 

Gij zendt tot dezen mens geen teken meer,

want onze tijden zijn U vreemd en ver;

hier in den nacht voel ik opnieuw hoezeer

de aard' verdwaalde van haar tweelingster.

 


Ten overstaan van het einde (G.v.d. Graft)

 

Ten overstaan van het einde

en met het oog op U

beleef ik de laatste termijn, de

stilte van het uur U.

 

Omdat ik niet meer kan leven

en nochtans leven moet,

heeft God mij met U verweven,

liefste en dit voorgoed.

 

En wil ik bij U verblijven,

liefste en dit voortaan,

Hij zal mij van U verdrijven

tot Hem vandaan.

 


Einde (J. W. Schulte Nordholt)

 

De woorden voeren ons verwonderd mee

als schepen naar een onbekende zee,

als waren wij als kinderen op reis

naar een in glans verscholen paradijs.

Ouderen wijzer wordend varen wij

de wereld en haar razernij voorbij,

naar een voltooiing, maar die is er niet,

niet binnen in ons, niet in het verschiet.

Ons wacht alleen maar de ontluistering,

de schemering, de godsverduistering,

wanneer een mens tot zweet en wonden wordt,

de mond verdroogt, het bloed wordt uitgestort,

de handen hulpeloos worden uitgestrekt

en door het duister worden toegedekt,

en in de hersens door een dichte mist

de laatste dromen worden uitgewist.

 


De stem van Vincent (P. van Ostaijen)

 

Laat ons de blaren

van alle leed vergaren.

De aarde, ook vermoeid,

heeft nooit dode

blaren gedragen.

De aarde wondt

om, in de driedagestond,

te laten herrijzen

onder de loodzware kus van liefde.

 

En is die kus weerom licht leed,

leed dat alles is, ‑ Ik ben Die is, ‑

o, laat deze zoen niet verloren gaan

want elke zoen is gloeien van goed.

 

Nooit wassen dode vruchten

aan de bomen.

De pijnen snikken eeuwig

en laten hun lange tranen als vingers vallen.

Weet dit, mijn zoon: wanneer leed leven wordt

houdt op het leven leed te zijn.

 


De dood is als een regenbui

 

De dood is als een regenbui

 

‑plaatselijk‑

 

de hemel blauw

en hier en daar

een wolk witgrijs

 

een plas op straat

geeft stil getuigenis

is echo

van een voorbij moment

 

hij valt als regen tussen ons in

doet zo zijn krachtig werk

 

wij blijven

‑ wachten ‑

weten niet

 

ons verdriet

zwelt tot een stormvloed aan

 

beukt met slagen

tegen ons hart

 

geen deur sterk genoeg

geen ziel te zwaar

 

een windvlaag neemt ons allen mee

totdat de stilte daalt

 


In de wand van dit gedicht (Swidbert)

 

"Zingend en zonder herinnering

Ging ik uit het eerste land vandaan".

                                       Martinus Nijhoff

 

In de wand van dit gedicht

staat mijn skelet gebrand;

en mijn hersenen gegrift,

dood, maar in muziekschrift.

 

Hier ben ik,

als door sterren gezakt,

met wat de wind over mij waait;

dieren springen over mijn abstrakt.

 

dit is alles, en daarom alles

zonder meer;

langzaam wordt het mij verwant;

zie, ik schrijf nog gesteent neer,

maar het wordt mijn vaderland.

 

Ik weet niet beter

of met mijn haar groei ik vast

aan de wind, aether

van een lege engel.

ik weet niet beter

of ik kan niet vliegen.

 

dit doen de lijsters al,

achter het regenen

dat turquoise is

en van adem.

 

Ik heb zwijgen,

de vogels hebben bloeden,

de vogels hebben hijgen,

zij hebben grote golven.

 

ik heb zwijgen,

de stenen hebben kwetsuren,

de stenen teren op de dood

die in hen blijft duren.

 

ik heb hun denken,

hun diepst, hermetisch lood.

 

De stilte naar binnen

staan namen

in het steen

 

dieper nog dieper

roest een engel

die in het daglicht

niet scheen

 

verder is niemand gegaan

 

de stilte naar binnen

komt men laveloos

aan de achterkant

van het bestaan.

 

Diep in ons bloed

staat het skelet,

het broze, dat ons

bezet en stil maakt.

 

wij zijn over onszelf

met onze adem

van streek geraakt,

en buiten alle wanen.

 

diep in het niets

staan gigantische manen,

varens van donker ‑

alleen wij zijn er iets.

 

Het is weer avond;

het is weer licht

in de vitrine van maan en zee;

de dieren die doorschemeren

door mijn denken zijn

op trek naar nieuw gebied.

 

de hemel is volstrekt;

ik droom in de dierenriem

van mijn gedachten, gewekt

door de bloedstorting

van een lied.

 

Was het licht maar van licht,

de vogel van vogel,

de hemel van hemel gemaakt,

en het steen van steen.

 

ik zou het een

na het ander gezicht,

mijn adem en ook de luchten

losweken van het gedicht.

Dit kan niet lang meer

duren:

wij huilen langs woorden

of bloeden er langs.

 

wij zijn kleine gestoorden

van nature;

de dingen staan buiten,

stil, op andere aren.

 

Dood is

een weg die ons afluistert,

waarlangs wij engelen aan ballonnen

oplaten ‑

 

waar waaien zij heen?

 

zij komen neer achter ons denken,

tussen bewusteloos steen;

zie, achter in de gehoorgangen

van ons verlangen;

men ziet nog even zee.


Avondtijd (E. Lasker-Schüller)

 

Bleek geworden is mijn levenslust...

ik viel zo eenzaam op de aarde

van waar ik kwam, heeft nooit een mens geweten,

alleen jij, opdat ik verenigd eens met jou zal zijn.

 

Ik ben door inhammen ver omgeven,

en elk ding ervaar ik in het schuim.

De mens, die mij als vijand tegemoet treedt, vervalt!

En ik weet slechts van hem in dromen.

 

En zo beleef ik de schepping van deze wereld,

op aarde reeds ontkomen aan haar schaal.

En jij de ster die hoog uit de hemel valt

begraaft zich diep in het dal van mijn hart.

 

De avondtijd verdonkert sterk mijn bloed ‑

dooradert vol kwellingen mijn vermoeide ziel.

Naakt stijgt ze weer uit de voorwereldlijke vloed

is angstig, dat ze lichamelijk hier op aarde zou

ontbreken.

 

En wat de dag nog voordat hij ontwaakt,

verzuimde morgenroodachtig te beleven,

reikt hem het dromende beeldenspel der nacht

in enkel kleurrijke weefsels.

 

Verre handen brengen mij naar huis

uit gele sikkels een vroom boeket.

De wijzer wandelt langzaam om  het cijferblad

de zonnewijzer, die goud van mijn leven had.

 

Zij gloeit door het kloppen bewaakt

en luidt tussen nacht en middernacht...

Daar wij ons zagen in het raadselachtige uur ‑

jouw mond bloeit duizendschoon op mijn mond.

 

Al mijn levenslust vervloeide

in het donkere gewaad met de avondtijd.

Ik zocht zonder ophouden een hemel waar...

Alleen in de openbaring is de weg tot hem niet ver.

 


Sotto voce (M. Vasalis)

 

Zoveel soorten van verdriet,

ik noem ze niet.

Maar één, het afstand doen en scheiden.

En niet het snijden doet zo'n pijn,

maar het afgesneden zijn.

 

Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,

vlinderlicht rustend op de aarde,

alleen nog maar zijn wezen waard.

Maar tussen de aderen van het lijden

niets meer om u mee te verblijden:

mazen van uw afwezigheid

bijeengehouden door wat pijn

en groter wordend met de tijd.

 

Arm en beschaamd zo arm te zijn.

 


Steen (M. Vasalis)

 

Verdriet kit al mijn krachten samen,

zodat ik roerloos word als steen.

Mijn hele wezen wordt materie,

een ondoordringbaar star mysterie.

O sla de rots, opdat ik ween.

 


Er zijn (M. Vasalis)

 

Er zijn dingen, die alleen het oppervlak beroeren,

daaronder blijft de ziel gelijk en blinkt

zoals een vijver waarop blaadren varen,

of als een kinderoog onder verwaaide haren.

Men zingt en luistert hoe het klinkt.

 

Maar er zijn soorten van verdriet,

die iets veranderen aan het lied.

Men wordt bespannen met heel andre snaren

en wie het niet ervoer, die weet het niet.

O kindje met je zachte witte vingren

en met de blauwe aadren aan je kleine slaap,

die zich als heilige rivieren slingren.

Slaap mijn kindje, slaap.

 


 

'In de oudste lagen' (M. Vasalis)

 

In de oudste lagen van mijn ziel,

waar hij van stenen is gemaakt,

bloeit als een gaaf, ontkleurd fossiel

de stenen bloemen van uw gelaat.

 

Ik kan mij niet van uw bevrijden,

er bloeit niets in mijn steen dan gij.

De oude weelden zijn voorbij

maar niets kan mij meer van u scheiden.

 


Achtergelaten (H. Michaelis)

 

Achtergelaten

in een onbewoonbare wereld

rinkelend van kleuren

en geluiden

waar de dag te licht is

en geen nacht donker genoeg

om het verborgen tumult

te bedaren.

 

In alle straten, alle kamers

blijf ik je zoeken.

Tussen ontelbare mensen

vind ik je nergens.

 

Verlos mij

uit dit luchtledig.

Laat mij toe tot de aarde

die je bedekt.

Dicht bij je wil ik slapen

en tot stof vergaan

 


Onder water (H. Michaelis)

 

Onder water

grif ik je naam

in de granieten bedding

van mijn stroomgebied.

 

Tussen de wieren

van het verleden

flitsen pijlsnelle vissen

als mensen voorbij.

 

Alleen in de diepte

mag ik je voortaan ontmoeten:

mijn warme tegenstroom,

mijn lief.

 

Het staat vast

dat je dood bent.

Maar wat is dood?

 


Kokhalzend wakker worden (H. Michaelis)

 

Kokhalzend wakker worden

tussen de gestolde feiten

van gisteren en eergisteren.

 

Opstaan, het licht trotseren.

Onder het oorverdovend

carillon van herinneringen

optornen tegen een geheugen

dat geen duimbreed wijkt.

 

Lachen, praten, overmoedig

denken dat het zo wel gaat.

Merken dat men zich vergist

ook hierin. Heel het treiterend bedrijf

van deze dag en alle volgende

in vier woorden samengebald:

iemand is niet gekomen.

 


Als straks het rouwrumoer

 

Als straks het rouwrumoer

rondom jou is verstomd

de stoet voorbij is

de schuifelende voeten

 

voel ik dat er een diepe stilte komt

en in die stilte zal ik je opnieuw ontmoeten

 

en telkens weer zal ik je tegenkomen

 

we zeggen veel te gauw:

het is voorbij

 

hij heeft alleen je lichaam weggenomen

niet wie je was en ook niet wat je zei

 

ik zal nog altijd grapjes met je maken

we zullen samen door het

stille landschap gaan

 

nu je mijn handen niet meer aan kunt raken

raak je mijn hart nog duidelijker aan.

 


De dood heeft vele gezichten.

 

Dood heeft vele gezichten.

Een voor hem die sterft

en een voor elk van hen

die achterblijven.

 

Er is een milde dood

die barmhartig is en goed.

Er is een harde, wrede dood,

die leegte achterlaat

en pijn en tranen.

 

Maar altijd is de dood

barmhartig, mild of wreed

voor hem die sterft

en voor elk van hen

die achterblijven

'n breekpunt,

'n keerpunt soms.

 


Aan een vriend (L. Vroman)

 

Ach, laten wij geen ogenblik bederven

voor wie van ons het eerst zal moeten sterven,

en laten wij ook nimmer praten

van alles wat wij huichelden en haatten.

Zolang een vlerkgespreide leeuwerik blijft zingen

vergeeft God ons al wat wij beginnen,

zolang wij kersebomen zacht in bloei zien staan

dan hebben we nog niemand kwaad gedaan.

Ach, laten wij het leed dat mens ons deed, vergeten,

God zal het allemaal wel weten,

en laten wij geen ogenblik bederven

voor wie van ons het eerst zal moeten sterven.

 


Velen vinden troosten moeilijk

 

Velen vinden troosten moeilijk.

Ze denken vaak dat ze veel moeten doen

om te troosten, veel zeggen,

de ander er overheen beuren.

 

Echte troost is eenvoudig:

enkel een hand, enkel een gebaar,

een enkel woord misschien.

 

Iemand bij wie je jezelf mag zijn;

iemand die bij je blijft.

 

Iemand die er voor jou wil zijn

zoals je nu bent.

 


Hierna zal alles anders zijn

 

Hierna zal alles anders zijn,

nu jij voorgoed bent heengegaan.

Maar altijd zul jij bij mij blijven,

hoog zal je naam geschreven staan.

 

Hoog in mijn leven, diep in mijn dromen,

in wolken die je Naam uitschrijven,

in zonlicht dat men stralenbaan

jouw schaduw schildert tussen bomen.

 

Maar ook zal alles anders zijn

als ik voorgoed ben heengegaan

en winden onze Namen noemen:

dan zal ik je zoenen, zal ik je zoenen.

 


Als ik op de hooge kom

 

Wachten moet ik in het donker

licht verwachten van omhoog

met een God verbonden leven

die nog nooit een mens bedroog

zal ik wachten

zal ik hopen

zal ik weggaan?

'mens waar ben je'

zal ik horen

tot ik op de hoogte kom.

Vragen moet ik om een teken

dat mijn leven gaande houdt

afzien van de dag van morgen

lachen om mijn zelfbehoud

zal ik vragen

zal ik wachten

zal ik hopen

zal ik weggaan?

'mens waar ben je'

zal ik horen

tot ik op de hoogte kom.

 

Geven moet ik heel mijn leven

zelfs wat mij het liefste is

trouw zijn aan de stem van binnen

mij verliezen in gemis

zal ik geven

zal ik vragen

zal ik wachten

zal ik hopen

zal ik weggaan?

'mens hier ben ik'

zal ik horen

als ik op de hoogte kom.

 

Op de hoogte zal ik komen

tot het einde zal ik gaan

waar ik dood, tot mens geboren

oog in oog met God zal staan

zal ik komen

zal ik geven

zal ik vragen

zal ik wachten

zal ik weggaan?

'mens hier ben ik'

zal ik horen

als ik op de hoogte kom.


Als je van me houdt

 

Als je van me houdt, huil niet.

Als je het ondoorgrondelijke mysterie van de hemel

waar ik me bevind zou kennen,

zou je nooit om me huilen.

We hielden voor eeuwig van elkaar in het leven,

maar alles was toen vluchtig en beperkt.

Denk aan deze prachtige plek waar er geen dood is

en waar ik vlak bij de onuitputtelijke bron

van geluk en liefde ben.

Als je echt van me houdt, huil dan niet meer om mij.

In ben in vrede.

 


Liefde overleeft de dood

 

Je liefde zal je dood overleven

Ze blijft onder de mensen aanwezig

ook als je al lang gestorven bent.

Jijzelf wordt in je sterven

opgenomen in het geheim van Gods liefde.

 

Gelovig sterven is afscheid nemen

van de tijd, niet van het leven.

Gelovig sterven is het ene mysterie

verlaten om het andere in te gaan.

't Is op het woord van Jezus

de hoop verwisselen voor zekerheid

dat God liefde is.

 


De mensen van voorbij (A. Nahon)

 

De mensen van voorbij,

ze blijven met ons leven.

De mensen van voorbij,

ze zijn met ons verweven

in liefde, in verhalen,

die wij zo graag herhalen,

in bloemen, geuren, in een lied,

dat opklinkt uit verdriet.

 

De mensen van voorbij,

zij worden niet vergeten.

De mensen van voorbij,

zijn in een ander weten.

Bij God mogen ze wonen;

daar waar géén pijn kan komen.

De mensen van voorbij

zijn in het licht, zijn vrij!

 


Kwade dagen  (I. Gerhardt)

 

Ga niet naar anderen als dát leed u slaat

dat de mens kromt, of als een wig hem splijt:

ga niet naar anderen: raak uw kracht niet kwijt,

die harde kern waarmee ge het bestaat.

En houdt uw huis in stand, gelijk altijd.

 

Ga niet naar anderen: hun blik verraadt

weigering te beseffen wat er is.

Straks woelt hun onrust om in uw gemis.

Mijd hun bedisselen, hun ergernis

dat ge u blijkbaar niet gezeggen‑laat.

 

Zoek het bij een goede vriend, u toegewijd

een die u niets verwijt, niets vraagt, niets raadt

maar u verdraagt met uw beschreid gelaat.

Die, zelf zwijgzaam, u kent voor wie gij zijt,

en merkt dat het, nog bevend, berg‑op gaat.

 


In alle stilte (I. de Wijs)

 

Een vriend van mij, een vriend van mij had kanker

Maar goeie vrienden laat je niet alleen

Al wist ik dikwijls niet wat ik moest zeggen

Ik ging er elke week toch even heen

 

In feite zou ik gister weer gegaan zijn

Dat hoefde niet meer, zei het ochtendblad

'Gestorven: onze zoon en broer en zwager...

In stilte gecremeerd' ‑ en dat was dat

 

'In stilte' ‑ jee, waarom in 'alle stilte'?

Het was zijn 'laatste wens', dat stond erbij

Ik snap 't niet, dat zou hij mij niet aandoen

Dat is gewoon gelogen volgens mij

 

Ik ga niet in een hoekje zitten huilen

Ik scheur ook het behang niet van de wand

Maar toch: waarom is sterven en begraven

Verbannen naar een hoekje van de krant?

 

Ik heb een advertentie laten zetten

Je wilt toch wat, als afscheid, als besluit

'Dag Jaap, ik zal je heel erg missen, Ivo'

Maar Jezus... wat zag dat er lullig uit!

 

Als ik ooit doodga, kom dan allemaal maar

En hou je flink of snotter, alles mag

Vooruit, laat 't maar druk zijn en luidruchtig

Ik zorg wel voor de stilte op die dag

 


Er is nog zoveel niet gezegd (P. van Vliet)

 

Er is zoveel nog niet gezegd

er is nog zoveel doodgezwegen

door jullie en door mij.

 

Zoveel waarheid nog ontdoken

zoveel nog niet uitgesproken

en het heeft zo voor de hand gelegen

bij jullie en bij mij.

 

Opgekropt, weggestopt,

stil gesust, zoet gekust,

afgeschoven, weggewoven,

wel gedacht, niet verteld,

afgewacht? uitgesteld,

doorgeschoven, weggewoven,

door jullie en door mij.

 

Er is zoveel nog niet gezegd,

er is zoveel nog doodgezwegen,

zoveel grond nog niet ontgonnen,

zoveel planten niet begonnen,

vragen die geen antwoord kregen

van jullie en van mij.

 


Ik weet dat je gestorven bent.

 

Ik weet dat je gestorven bent.

Je handen hebben de mijne

en de dingen om je heen losgelaten.

Je kijkt niet Meer door het raam

naar het weer van vandaag.

Je luistert niet langer als er ergens een deur

opengaat

en je zegt niet meer: Kom binnen.

Je zegt de woorden niet meer die je

‑ met jouw ogen en jouw stem‑

vroeger altijd zei.

Het is stil geworden om je heen

 

Maar toch hoor ik je nog spreken

en zie ik met gesloten ogen wat je deed,

toen je nog gaande en staande was.

 

Nee, je zou pas echt dood zijn

‑ik zou pas echt dood zijn‑

als ik je kon vergeten

en als je weggewist uit mijn geheugen

me niet meer bij zou staan

met raad en daad

zoals toen.

 

Maar dat doe je dus nog

als ik over jou verhalen vertel:

hoe je het leven en de mensen zag

en wat je doen zou als je voor vragen stond

waar ik voor kom te staan.

 

Nee, alles is nog niet voorbij,

je leeft nog in mijn verhalen over jou.

Mijn handen kunnen je niet meer vasthouden

maar wel mijn woorden en de ogen van mijn hart.

En daar zul je leven tot eens alles is volbracht

ln een nleuwe hemel en een nieuwe aarde.

 


Sinds je mij voor altijd (H. Michaelis)

 

SINDS je mij voor altijd

bent binnengegaan,

ben ik tot de rand

van je vervuld.

 

Dwars door de rukwinden

van het verdriet

voel ik je onder mijn huid

bewegen, warm en goed

als vroeger

toen wij overnachten

binnen de omheining van

elkanders armen.,

 

Wat doet het er dan toe

dat de wereld leeg

en winters is geworden

nu mijn ogen

je nooit meer zullen zien

en ik mijn hoofd niet langer in je schoot kan

leggen?

 


Iedere morgen word ik onwetend waker (H. Michaelis)

 

IEDERE morgen

word ik onwetend wakker.

Gloednieuwe wolken drijven

het raam voorbij.

Veelbelovend glimlacht

de dag: alles

is mogelijk.

 

Maar iedere avond

gaat in rook en vlammen

de wereld onder.

Het langst rekt de stad

haar held bestaan,

vuurspuwend van leven

tegen de inktzware achtergrond

van je dood.

 


Toen ik dacht dat je was weggegaan (H. Michaelis)

 

TOEN ik dacht

dat je was weggegaan

en mij zonder leeftocht

alleen had gelaten

in een verdroogde steppe,

heb ik mij vergist.

 

Nu weet ik dat je mij

hebt uitgekozen

om je voorgoed te herbergen

veilig besloten in

mijn duisternis

 

Wanneer ik mij aandachtig

over mezelf heenbuig,

ontmoet ik je oogopslag

helder en diep als water

en je glimlach overrompelt mij

met de ernstige vreugde

van vroeger.

 

Dat is genoeg

voor een heel leven.


Hoe kan ik ademen met je dood (H. Michaelis)

 

HOE KAN ik ademen

met je dood als een brok

in mijn keel?

Hoe kan ik lachen

nu het onherroepelijke vonnis

mijn mond verzegeld heeft?

 

In een houten kist

gaat de toekomst

tot ontbinding over.

Ik voel hoe ik langzaam

maar zeker bevries.

 

Toch blijf ik ademen.

Toch lach ik, oudergewoonte.

En dat is misschien

het ergste van alles.


Onzichtbaar kom je mij tegemoet  (H. Michaelis)

 

ONZICHTBAAR

kom je mij tegemoet

op mijn moeizame tocht

door het maanlandschap

van de tijd.

 

Onhoorbaar

dringt je stem door

tot mijn geheimste

luisterpost.

 

Jij die al mijn wegen kent,

die mij ontcijferd en gelezen hebt,

blijf bij mij

onzichtbaar, onhoorbaar

en leid mij over de drempel

van de dood.

 


Langzaam beweeg ik mij voort (H. Michaelis)

 

LANGZAAM beweeg ik mij voort

door windstille vlakten.

Er is niets meer te vrezen,

niets te verwachten.

 

Voetstappen blijven

zwakke geluiden in de mist.

Onbekende stemmen

dringen vaag tot mij door.

Waarom zou ik antwoorden?

 

Blindelings levend

in het verlengde van je dood

verwijder ik mij onmerkbaar

van je graf, op weg

naar het mijne.


Jaren later op een heldere middag (H. Michaelis)

 

JAREN later

op een heldere middag

vol nuchtere geluiden

en bezigheden in een huis

dat je nooit heeft gekend,

herinner ik mij plotseling

hoe zacht je ogen werden

als je me aankeek.

 

En even verschijn je mij

ten voeten uit, onverwacht

overgekomen uit het tijdloze.

Zo zacht zijn je ogen

dat ze mij verzoenen

met je weggaan, sneller

en onverwachter dan je komst.

 


Wonderlijk heimwee naar  (H. Michaelis)

 

WONDERLIJK heimwee

naar de onnozelste dingen.

 

Driftige voetstappen op de trap.

Een gestalte in tegenlicht

Ogen versluierd door de rook

van een haastig opgestoken sigaret,

Een hand op het stuur van de auto

waar nu een vreemde in rijdt,

misschien wel door hetzelfde landschap

als wij vroeger.

 

Lieve herinneringen.

Lieve dode.

 


In deze dagen... (M. v.d. Berg)

 

Onzichtbaar

maar des te meer voelbaar

is in deze dagen

ons gemis.

 

Dat maakt deze dagen

donkerder en langer

dan de nacht.

 

In ons huis

branden we een lichtje

bij Wilriekes foto.

 

Ze  is nooit

uit onze gedachten.

Spreken over haar

geeft troost.

 

Jullie aandacht,

het noemen van haar naam.

Jullie delen van

herinneringen.

 

Het soms stilzijn met ons

doet goed en geeft licht

in onze nacht

 

Jullie aandacht is als een zachte hand

op onze schouder.

Een zachte hand van de Eeuwige


Sluipend ongemerkt raakte jij uit onze tijd

(M. v.d. Berg)

 

Sluipend ongemerkt

raakte jij uit onze tijd.

Je ging in je eigen tijd leven.

Je trok je niet zoveel meer aan

van onze gewoontes.

Je ging je eigen gang.

Jij doorbrak steeds meer

onze gang van zaken.

 

Sluipend ongemerkt

raakte jij uit onze tijd.

Je ging weer op zoek

naar waar je vandaan kwam.

Je vergat gewoon even

dat je gehuwd was

en kinderen had.

Je zocht je eigen kindertijd weer op.

Je was boos

als wij dat niet begrepen.

 

Sluipend en ongemerkt

raakte jij uit onze tijd.

Je liet ons leven

in twee tijden tegelijk:

die van jou

en die van ons.

 

Zo waren wij

soms meer verward dan jij.

We keken elkaar aan

en vroegen ons af:

hoe kon dit toch?

In ons hart voelden we ons

in de steek gelaten.

Jij liet ons zomaar zitten

in onze tijd

met de handen in het haar

 

Soms, als er niets wordt gezegd,

jij even rust vindt

op je eindeloze dwaalwegen,

dan even ontmoeten onze handen

en onze ogen elkaar:

alles lijkt vergeten,

de pijn en de onrust,

onze ontmoeting is vrede.

De tijd staat even stil.


AIs de donkere nacht

 

AIs de donkere nacht

van 't verdriet om 't verlies

je overvalt

als 'n overval,

 

als je in je levensboot

alleen verder moet

beroofd van wie jouw liefste

en warmste licht was,

dan word je zoeker

naar licht en troost,

tastend als 'n blinde,

beroofd van licht.

 

Als je liefste licht sterft,

sterf je mee

en word je ondergedompeld

in 't donkere water

van 't verdriet.

 

Als die dingen gebeuren,

ontsteek dan dit licht,

omdat ons beloofd is

dat de nacht zal overgaan

in troostend ochtendlicht.

 


De stilte komt de trap af (M. v.d. Berg)

 

Hoe lang is het al geleden

dat jij de trap afkwam,

gewoon om de nieuwe dag te beginnen,

koffie te zetten

en naar je werk te gaan, ‑ onbezorgd.

 

Hoe lang is het al geleden

dat jij de trap opkwam,

gewoon om de dag te besluiten,

tanden te poetsen,

en je lichaam neer te leggen ‑ wel te rusten.

 

Toen kwam de tijd

dat het steeds drukker werd

op de trap.

Vreemden kwamen,

vreemden gingen.

Velen kwamen de trap op

en gingen de trap af,

jij betrad de trap niet meer.

 

Nu komt alleen nog de stilte

van de trap af:

Soms denk ik dat het nu lang

genoeg heeft geduurd,

dat je wel weer gewoon de trap

af kunt komen,

om de dag te beginnen.

Dan voel ik nog steeds meer

dat alleen nog de stilte van de trap afkomt.

 


Voor wie niet verder kon leven

 

Bij wie kan ik schuilen

in dit uur

in deze vreemde dagen,

de dood om mij heen,

nog zo onverwacht toch

na alles.

 

Bij wie kan ik huilen

in deze dagen

bij dit afscheid

van jou,

die als levensdood

geen plek meer vond

om te schuilen.

 

Jij verlangde zo naar een plaats

om te schuilen.

Nergens kon jij die vinden.

Jij huilde van binnen

al jouw jonge jaren

totdat je nog slechts naar

de dood kon verlangen.

 

Jij ging stil van ons weg,

eenzaam en zonder gerucht,

in de vroege ochtend.

Jij kon niet meer opstaan.

Jij ging een ander licht

tegemoet,

vriendelijk en veilig

om bij te schuilen.

 

Mag dat Licht jou groeten

en omarmen,

een schuilplaats voor jou zijn.


Niemand gaat echt dood

 

Niemand gaat echt dood

Iedereen leeft voort

In andermans denken, doen en voelen

En als je goed geleefd hebt

Dan leef je na de dood

Meer dan ooit tevoren.


Barensweeën (M. v.d. Berg)

    

Onzichtbaar voor anderen

maar des te meer voelbaar

voor ons, voor mij,

gaat ons kind

met ons mee

op de levensweg.

 

Ons kind

dat ons leven veranderde

bij de geboorte,

maar nog meer

voor altijd ons leven veranderde,

toen de dood ons

van het kostbaarste beroofde.

 

Onzichtbaar voor anderen,

maar des te meer voelbaar

voor ons, voor mij,

is ons kind

afwezig‑aanwezig

bij ons, bij mij

als een wond

die schreiend schrijnt.

 

Weer zijn er

de barensweeën

om opnieuw geboren

te worden uit de pijn

van ons verdriet:

vaak onzichtbaar

maar des te meer

voelbaar.


Zo graag zou ik trots

 

Zo graag zou ik trots op

je willen kunnen zijn:

'n trotse vader

Zo graag zou ik willen zien

hoe je als 'n jonge boom

openbloeit en omhoogschiet.

 

Zo graag zou ik willen zien

hoe je 'n lust voor het oog

wordt in 't landschap van de mensen

 

Zo graag zou ik met je willen praten,

horen wat jij vindt van de dingen

van vandaag.

 

Zo weinig mensen begrijpen

dat ik je niet minder

maar steeds meer mist

 

Sinds die dag dat je niet

terugkeerde.


Nu we jou dit huis uit zullen dragen

 

Nu we jou dit huis

uit zullen dragen:

uit huis waar je zo graag was,

uit huis dat je tot een thuis maakte,

'je aardse paradijs',

 

dit huis zo mooi gelegen,

'altijd wat te zien'

'altijd wat te doen',

 

dit huis waar je je kinderen ontving

en je kleinkinderen, je broers en zwagers

en ieder die maar aankwam,

 

dit huis waar je je deur openhield,

dit huis waar je je laatste jaren

deelde met de liefste mens van jouw leven,

 

dit huis waar je van elke dag

een feestdag maakte en je laatste verjaardag

het laatste hoogtepunt was

 

nu we jou dit huis uitdragen,

beseffen we nog maar half,

hoe dit huis voor altijd anders

zal zijn: leger en stiller.

 

Nu we jou dit huis uitdragen

groeten we je

In de verwachting van een nieuw

thuiskomen voor jou.


Allerzielen

 

Het wordt nu vroeg donker, zegt mijn groenteboer.

Er zijn steeds meer kaarsen in de winkels, merk ik.

De eerste herfstwind heeft al veel gekaald.

Vandaag is het nog een zachte dag, 2 november.

 

Velen bezoeken het graf, niet vindend wat ze zoeken.

Anderen dwalen in huis, want de as werd verstrooid.

Sommigen nemen een hark mee en nieuwe bloemen.

De dierbare plek krijgt zo veel mogelijk zorg.

 

Het is druk en stil in de dorpskerk die avond.

Ieder is gekomen met de naam in het hart van

zijn dierbare.

Namen geschreven in de palm van Gods hand,

zegt de priester.

Hij zegt zijn tedere woorden duidelijk en rustig.

 

Zesentwintig namen worden dit jaar genoemd.

Zesentwintig kaarsjes worden ontstoken aan het Licht.

Soms wordt het diep stil, houdt elk gehoest op.

De namen worden genoemd van wie nog zo jong waren.

 

Het meest luister je naar je eigen naam.

Het meest kijk je naar dat éne kaarsje voor haar,

voor hem wiens naam blijft geschreven in jouw hart.

Stil keren we in het donker terug naar onze huizen.

 

Allerzielen, zielsgenoten samen, ieder ook alleen.

Allerzielen, gedenken mag, gedenken moet,

gedenken is leven.

Streep geen namen door in de verhalen,

in het gedenken.

Lever niemand uit aan de dood

van het niet meer noemen.

 

Geschreven in ons hart, in de palm van Gods hand...

de kern van een mens, haar diepste bezieling,

zijn goddelijk licht dat blijft en ons verlicht,

als de avonden vroeg en donker worden,

de winter nadert.

 


Voor hen die ik liefheb

 

Voor hen die ik liefheb, en zij die mij liefhebben:

als ik ben gegaan, laat me los, laat me gaan.

Ik heb zoveel dingen te doen en te zien;

bind jezelf niet aan mij vast met tranen:

wees verheugd over zoveel goede jaren.

 

Ik gaf je mijn liefde; je kunt slechts gissen

hoeveel je mij gaf in vreugde.

Ik dank je voor de liefde die wij aan elkaar

hebben getoond

maar nu is het tijd dat ik alleen verder reis.

 

Wees een tijd verdrietig om mij, want verdriet hoort erbij,

maar laat dan je verdriet omhelsd worden door troost.

Het is slechts een tijd dat we moeten scheiden;

daarom zegen de herinneringen in je hart.

 

Ik zal niet ver zijn, het leven gaat verder;

en als je mij nodig hebt, roep me en ik kom.

En hoewel je me niet kunt zien of aanraken

ik ben dicht bij je

en als je luistert met je hart

zul je horen

al mijn liefde om je heen, zacht en helder.

 

En als je moet gaan, deze weg, alleen,

ik zal je begroeten met een glimlach

en een 'welkom thuis'.


De dood en het besef van de dood

 

De dood en het besef van de dood

kan rustgevend en vrede‑brengend zijn.

Dat klinkt wellicht wat vreemd

in de oren van de mensen

die zich zelfs in hun vrije tijd laten opjagen:

'Ik moet nog zoveel', 'Ik wil nog zoveel',

'ik moet er niet aan denken dat ik op een dag

al deze dingen niet meer zou kunnen doen'.

 

De dood, en het besef van dood

kan rustgevend en vrede‑brengend zijn.

De dood is angstaanjagend

voor mensen die uiterlijke schoonheid,

lichamelijke gezondheid en materiële rijkdom

als belangrijkste idealen in hun leven zien.

Nogal wiedes, de dood zegt hun

hoe relatief, hoe beperkt hun idealen zijn.

 

De dood, en het besef van dood

kan rustgevend en vrede‑brengend zijn.

Hoe vaak hoor je niet mensen zeggen

die met de dood in aanraking zijn geweest:

'Ik heb geleerd om meer te genieten

van de kleine dingen in mijn leven'.

En: 'Ik maak me geen zorgen meer

of ik mijn werk wel of niet af krijg'.

 

De dood, en het besef van dood

kan rustgevend en vrede‑brengend zijn.

Het klinkt misschien vreemd,

maar het lijkt wel of je het meeste leert

van de dingen waarvoor je het meest bang bent.


Zingen (H. Bouma)

 

Zingen

van liefde zingen

 

tegen beter weten in

 

tegen de klippen op

de onverbiddelijke

klippen van de dood

 

tegen de lippen op

de bevroren lippen

van je eigen wanhoop

 

zingen

van liefde zingen

een gat in de nacht

 

zingen

tot wonder boven wonder

de werkelijkheid wijkt

 

en alles en alles

weer opnieuw begint


En als ik doodga treurt maar niet

 

En als ik doodga treurt maar niet

Ik ben niet echt weg moet je weten

Het is de heimwee die ik achterliet

Dood ben ik pas als jij mij bent vergeten

 

"Als een bloem zo is het leven

het begin is teer en klein

De een die bloeit uitbundig

de ander geurt heel fijn.

 

Sommige bloemen blijven lang

weer anderen blijven even

Vraag niet bij welke groep je hoort

dat is het geheim van het leven."

 

Er is een wereld van mensen,

zo vol macht en zo dicht.

Er is een wereld van sterren,

zo zacht en zo licht.

Vind je rust in jouw wereld

eindeloos, onwezenlijk, veilig.


Mijn liefde zal blijven

 

Mijn lichaam deed pijn,

niets kan me meer deren.

Mijn lichaam ging dood,

maar zelf leef ik verder.

Voor altijd met jou verbonden.

 

Leef maar, LEEF maar,

bewaar mijn gedachten,

de goede herinneringen,

ons vallen en opstaan.

 

Het mooiste

wat je mij mee kunt geven

is jouw groeien en bloeien

en intens leven.

Mijn liefde zal blijven,

mijn liefde de zal stromen

en alles zal goedkomen.

Alles komt goed.


Uniek

 

Uniek jouw oogopslag

de manier waarop je

met ons sprak

over jouw heengaan.

Uniek zoals je

met ons omging

de manier waarop

Je liep, stond en zat.

Uniek jij,

hoe kun je dan weg zijn

voorgoed onvindbaar?

We begrijpen het niet, neen

We willen er niet aan.

Uniek jij

enig, onvervangbaar.

Daarom blijft er iets van jou ons bij

en ben jij niet weg, jij

want: uniek jij, voor ons

en zeker voor God

bij wie je

voorgoed geborgen bent.


Moed houden, eenvoudig voortgaan

 

Moed houden,

eenvoudig voortgaan als je kunt.

De weg gaan zoals die komt met zijn voor en tegen.

Je ogen die een lamp zijn van je ziel

en die meer zeggen dan je mond verwerken kan.

Doen wat voor de hand ligt,

antwoorden geven als die er zijn

met een lach, maar ernstig gemeend.

Praten me je allerliefsten

of zwijgen als het mysterie te groot is.

En intussen niet teveel omzien,

want de weg van het leven gaat soms dwars door je hart.

 

Moed houden,

eenvoudig voortgaan als je kunt.

En als je niet kunt

wachten en uitrusten bij wie je zorgen deelt

of bij een vriend/vriendin, als die er is,

zomaar een gesprek, eerlijk en vertrouwd.

En als die er niet is

toch wachten...

Dan maar alleen...

Wachten tot het weer gaat, straks...


Huil niet aan mijn graf

 "Mijn hart brak. Een uitspraak van Da Free John bleef maar door me heen gaan: 'Beoefen de wond van de liefde... beoefen de wond van de liefde.' Echte liefde doet pijn; echte liefde maakt je totaal kwetsbaar en open; echte liefde zal je ver voorbij jezelf brengen; en daarom zal echte liefde je vernietigen.

Ik moest steeds denken, als liefde je niet verbrijzelt, ken je geen liefde. We hadden beiden de wond van de liefde beoefend, en ik was verbrijzeld. Als ik er op terug kijk, komt het me voor dat we op dat eenvoudige en direkte moment beiden zijn gestorven."

 

Huil niet aan mijn graf;

Daar ben ik niet. Ik slaap niet.

Ik ben duizend winden die waaien;

Ik ben de diamanten schitteringen op sneeuw.

Ik ben het zonlicht op rijp graan;

Ik ben de zachte regen in de herfst.

Als je wakker wordt in de stilte van de ochtend,

Ben ik de zwerm van vogels

Die in een vlaag opstijgen.

Ik ben de zachte ster die s nachts schijnt.

Huil niet aan mijn graf,

Daar ben ik niet...


 

 


                 

 

    

de Rijn - collage 30 x 40 cm

 

 

  Share |

 

canandanann 31-01-2012