|
|
EEN HART ONDER DE RIEM Deze
uitgave "Een hart onder de riem", aanzetten tot 'na'-denken in
situaties van rouw en verdriet was een uitgave van de parochie van de H.H.
Engelbewaarders om mensen een steuntje in de rug te geven, een klein houvast
als je door verdriet wordt getroffen bij het overlijden van een dierbare. Daarom
heet deze uitgave ook "Een hart onder de riem". De ondertitel
"aanzetten tot 'na'-denken" behoeft misschien enige toelichting.
Vaak blijkt in situaties van verdriet en rouw dat je als mens gevangen zit in
een kringloop van gedachten, steeds weer keren dezelfde beelden, dezelfde
vragen, dezelfde gedachten terug. Je
bent als het ware gegijzeld, je zit opgesloten in een cirkel van beelden die een
diepe indruk op je maken. Ook vragen in de trant van "heb ik het wel goed
gedaan", "ben ik niet tekort geschoten", "waar had het beter
gekund, waar ben ik verkeerd geweest" kunnen je leven beklemmen en je
verdriet gevangen houden in een soort kerker. Daardoor
lijkt het alsof je het gevoel hebt dat je hier nooit vanaf komt, alsof alle
dagen die nog volgen dezelfde zullen zijn, vol vragen, vol beelden, vol kwellingen,
vol pijn en misschien ook schuldgevoel. "Aanzetten tot 'na'-denken"
wil daarom een poging zijn om na te denken over wat er is gebeurd, wat er aan de
hand is, en wat de betekenis is van het gebeurde, hoe verder, verder vanuit
het gevoel en de kennis dat de dood definitief heeft toegeslagen, dat de dood
een grote wonde heeft achtergelaten. "Aanzetten tot 'na'-denken" wil beelden oproepen, gedachten verwoorden die verder kunnen helpen, als een soort houvast, noem het een 'touwladder' uit de diepte van het verdriet, uit de diepte van de vertwijfeling en de wanhoop. Natuurlijk is deze weg door het verdriet geen makkelijke weg, maar er is geen andere, er is geen omweg. Metaforen, beelden, woorden, gedichten, kunnen een soort leuning vormen, een houvast langs de trap die langzaam omhoog gaat, het licht tegemoet. Met
ons verstand kunnen we vaak niet ons gevoel bereiken, "snappen" we
vaak niet wat er echt aan de hand is, maar zonder 'na' te denken, zonder denken,
komen wij er ook niet, en lopen wij gevaar dat het gevoel ons helemaal overspoelt.
Als een stroom, een overstroming, die ons de adem ontneemt en misschien elk
levensgevoel. "Na - denken" is dan ook een denken erna, na het
gebeuren, na de diepe ingreep in ons leven. "Wat betekent de dood van een
geliefde mens, wat betekent dat voor mij, wie ben ik nu, wie ben ik geworden,
hoe is mijn toekomst?" Dat 'denk - proces' is iets wat we zelf in de hand hebben, waar we zelf vorm aan kunnen geven. Deze uitgave is daartoe slechts een aanzet, een opstapje, een steuntje in de rug. John Hacking
INHOUD
Aan
God geven wij vele namen. Bij sommige namen voel ik mij thuis, bij anderen niet
of minder. De naam van God als koning spreekt mij minder aan, die van Herder
veel meer omdat ik Psalm 23, waar God Herder wordt genoemd, prachtig en
ontroerend vind. Een
tijd geleden heb ik ervaren dat God ook heel goed de "Afwezige" kan
heten omdat hij voor ons menselijk gevoel misschien vaker afwezig dan aanwezig
is. Vooral als wij ons machteloos en verlaten voelen is de Afwezige heel erg
'afwezig'. Nog
een andere naam voor God is Afgrond. Die naam ontdekte ik bij de schrijver
Edmond Jabès, die met zijn geschriften een diepe indruk op mij heeft gemaakt.
God als afgrond, als diepte waar je in kunt vallen, als onheilspellende leegte
onder je voeten. Misschien
klinkt het gek maar ik heb mogen ervaren dat God een afgrond kan zijn, een
leegte die donker en diep aan je voeten kan opduiken. Maar dat bedreigende beeld
dat heel dichtbij kan komen in je verdriet als je rouwt, heeft iets
dubbelzinnigs. Er zit als het ware een mystieke lading in: het is niet alleen
maar bedreigend en negatief - het kan je ook dragen. Ook
bij de schrijver Jabès is het dubbelzinnig, ambivalent, heeft het verschillende
ladingen. God als afgrond die alles opslokt - uiteindelijk vallen wij allemaal
in Gods' hand bij ons sterven. In die zin is hij een alles verslindende afgrond.
Maar dat is niet persé negatief, er kan veel troost uit spreken. Als
wij groot verdriet hebben kunnen wij eveneens het gevoel hebben dat wij in een
afgrond vallen, maar nu als levende mens. Je gaat niet echt dood, maar de pijn
is vreselijk en het verdriet soms hartverscheurend. Als je dat 'zwarte gat'
waarin je terecht bent gekomen God durft te noemen, dan kan daar ook veel troost
van uit gaan. Want dan is God (zelfs ook) in jouw diepste duisternis, dan is die
duisternis God. Was het niet Oosterhuis die dichtte op Psalm 13, de Psalm van
verlatenheid: Dan
nog, klamp
ik mij klamp
ik mij vast
aan jou of
je wil of niet op
genade of
ongenade ik
zal red mij red
mij roepen of
zoiets als heb
mij lief. Uit dergelijke woorden put ik alle hoop die een mens nodig heeft; ook in de Afgrond is God aanwezig - misschien, als je durft je over te geven, meer nog dan elders. En, je hoeft voor géén enkele afgrond meer bang te zijn! Dat geeft mij heel veel troost.
Wij
mensen worden op vele wijzen op de proef gesteld in ons leven. Dat laten ons ook
veel verhalen uit de bijbel zien. Het boek Job is er een van. Ook het verhaal
van Jezus in de woestijn getuigt van beproevingen. Toch lijkt het dat de
beproeving van Jezus in de woestijn op het eerste gezicht niet van dezelfde categorie
is als het soort dat ons in ons leven kan overkomen. Tenslotte kun je het
verhaal van de verschijning van Satan in de woestijn bij Jezus ook nog een
visioen noemen, een visioen dat een gevolg was van veertig dagen vasten. Terwijl
beproevingen die wij ondergaan zeker géén visioen zijn: je zult maar je kind,
je kleinkind verliezen door de hand van een mens - niet alleen je leven stort
in, je toekomst samen met je kind en kleinkind(eren), ook de bodem die je tot
nou misschien onder je voeten hebt gevoeld in je geloof, in de wijze waarop je
met mensen en dingen omging, je vertrouwen, je optimisme misschien, die kan als
sneeuw voor de zon verdwenen lijken weggeslagen door dit vreselijk,
gruwelijk gebeuren. Klagen
als Job, God misschien vervloeken, haat voelen opkomen tegen mensen, daders,
misschien tegen jezelf, je eigen onmacht haten, je machteloosheid verwensen, je
kind, je kleinkind keert er niet door terug. De pijn blijft, het verdriet brandt
in je ziel en trekt er diepe sporen. Je
wordt een ander mens, beproefd, getekend, nooit meer dezelfde. Misschien is de
beproeving rond wel of niet geloven, wel of niet zeker zijn van een God, wel of
niet vertrouwen in mensen, ondergeschikt aan deze ultieme beproeving als je je
kind verliest. Hoe moet je dan verder leven, hoe kun je verder leven, is er wel
een weg, een uitweg om met het verdriet en de pijn te leren leven? Ik
geloof dat er slechts één antwoord is op deze vorm van beproeving, een
antwoord dat je als mens níet alleen kunt geven, een antwoord dat je slechts
kunt geven als je door anderen gedragen, gesteund, mede gedragen wordt. En dat
antwoord heet mededogen, mensen die met je mee willen lijden, mee dragen, mee
voelen. Mensen die voor je klaar staan en die naar je verhaal luisteren al is
het voor de 100ste keer. Op
die wijze is er een spoortje licht in de duisternis, is er een smal pad uit de
beproeving, uit de vreselijke pijn die nog lang, zeer lang zal gaan duren. Als
beproefde rest je geen andere keuze dan dit pad te gaan, deze weg van hoop, hoe
smal ook, in te slaan. En alle anderen om je heen, zij hoeven niets anders te
doen dan mee te gaan, telkens kleine stapjes, een woord, een gebaar, een brief,
een telefoontje en noem maar op - het is eigenlijk zo gemakkelijk om bij
iemand te zijn, als je maar wil, als je maar tijd wil vrijmaken. Mededogen
ervaren van de mensen om je heen is de weg, is het antwoord uit de beproeving -
er is géén andere weg, géén andere (snellere) wijze, geen medicijn tegen dit
vreselijke lijden. En hoe meer wij ons hart laten spreken, hoe meer ons hart zal
willen spreken. Zo gaat dat met liefde, zij vermindert niet, maar groeit
naarmate wij er meer van wegschenken. Dat kan ik ons enkel toewensen: veel mededogen, vooral met hen onder ons die zonder niet meer kunnen leven, die de beproeving niet alléén kunnen dragen. Een
tijd geleden stelde ik dat wij vaak in ons leven op de proef worden gesteld door
het verdriet en het lijden dat ons overkomt. Ook gaf ik aan dat een uitweg uit
de beproeving vaak een kwestie is van mededogen ervaren van de mensen om je
heen. Zij reiken jou door hun begrip en meeleven een helpende hand, ze tonen
als het ware een uitweg als een 'smal spoor in de nacht', zij geven een 'lichtpuntje
hoop', een daardoor een manier om met de beproeving van het lijden en het
verdriet te leren leven. Verbaasd
was ik dan ook toen ik in het bijbels tijdschrift Jota de volgende tekst
tegenkwam: "Elke beproeving die je overkomt, kun je te boven komen
door te zwijgen." Er
staat geen bronvermelding bij, géén naam. Wij kunnen dus niet verder lezen bij
de betreffende auteur om meer te weten te komen over deze uitspraak, in welke
context hij gedaan is en op wie/wat hij slaat. Ik vind het een intrigerende uitspraak,
hij boeit mij, ik kan hem niet (zomaar) terzijde schuiven als niet relevant want
ergens vermoed ik dat (óók) hierin een kern van waarheid schuilt. Verdriet
en lijden moeten heel vaak stem krijgen om er mee om te leren gaan. Om je
verdriet als het ware even 'buiten je' te kunnen plaatsen. En dat laatste kan
opluchten, verlichting schenken. In ons citaat zou eigenlijk het omgekeerde
moeten gebeuren: zwijgen! Steeds maar zwijgen...zwijgen om de beproeving (van
het lijden en het verdriet) te boven te komen. Is dat zo? Kunnen mensen dat
bevestigen die veel lijden ondergaan, mensen die als het ware geteisterd
worden door verdriet dat hun met vlagen overvalt? Ik weet het niet, ik heb het
nooit gehoord, maar misschien heb ik er niet genoeg over nagedacht, misschien
heb ik zelf te weinig leed ervaren om dit uit eigen ervaring te kunnen beamen. Zwijgen
als uitweg uit de beproeving?
Maakt zwijgen niet eenzaam? Of geeft het zwijgen een stukje bescherming, een
soort 'muur' om je heen waardoor je minder geraakt wordt? Voor mijn gevoel is
zwijgen dubbelzinnig, ambivalent, het kan zowel positief als negatief zijn.
Maar geeft zwijgen ook troost, troost het je in je verdriet, in je lijden? Ik
weet het niet. Bovengenoemde
uitspraak is een tekst om de tanden in te zetten: er staat veel op het spel
want lijden en verdriet zijn geen ongevaarlijke ervaringen, zij kunnen je leven
verwoesten, ze kunnen je leven tot een ware hel op aarde maken. Spreken zilver,
zwijgen goud, ook in ons verdriet? Wie zal het zeggen. De titel van het
tijdschrift Jota luidt: 'God zwijgt in alle talen'. Deze ervaring is van alle
tijden: God zwijgt, wij horen níet zijn stem, wij krijgen géén antwoord, ook
niet op het ergste lijden dat ons overkomt. Zou deze ervaring van Gods' zwijgen
model staan voor ons zwijgen in de beproeving: zó zwijgen als God zwijgt? Etymologisch
(woord afleidkundig) schijnt zwijgen samen te hangen met 'zwichten' in de zin
van: tot rust brengen, tot rust komen, wijken, ophouden. Zwijgen als het doen
ophouden, het (zelf) tot rust brengen van het verdriet? Zwijgen als het doen
wijken van het gevoel van leed; of misschien anders uitgedrukt: het accepteren
ervan en weten wat je te doen staat namelijk 'verder leven', zó verder leven
dat je je niet (meer) alleen laat bepalen door het verdriet en het lijden, want
er zijn nog zoveel andere dingen te doen! Zou dat de verborgen betekenis achter
het zwijgen zijn? Maar
komt dat zwijgen niet te vroeg, heb je niet eerst veel tijd nodig om je te
uiten, om je verdriet te laten zien, te laten horen. Tijd ook om te ervaren dat
er mensen luisteren en je bijstaan? Spreken en zwijgen, misschien is het een
kwestie van maat houden, van de juiste dosering. Alleen
de lijdende, de verdrietige kan, zo vermoed ik, hierover echt meepraten. God
is in de stilte, dat zegt de bijbel, daarom is God misschien ook in het zwijgen!
De bijbel is 'het spreken van mensen in naam van God'; wij moeten eerst stil
(kunnen) worden om goed te luisteren, zwijgen om goed te verstaan - ook de stem
van ons verdriet kan zo pas worden gehoord...wie weet hoever ons zwijgen ons kan
brengen. Veel stilte, veel bezinning, veel diepgang gewenst. Als
je geconfronteerd wordt met groot lijden door het verlies van een dierbare ga je
de wereld met andere ogen zien. Opeens vallen een aantal dingen weg die je
vroeger misschien belangrijk vond, je maakt je minder druk om dingen die dagelijks
gebeuren want wat zijn zij in vergelijking met jouw verdriet. Je wordt een ander
mens die kijkt met andere ogen: ogen soms rood van tranen, ogen die weten wat
het is om te moeten huilen. Alle
mededogen dat je mag ondervinden van je medemensen doet dan goed, het helpt je
verder, verder met leven en met leren accepteren wat eigenlijk niet te
accepteren valt, wat je niet accepteren wilt: dat je verder moet, verder zonder
je dierbare geliefde die door de dood is gehaald. Dat valt niet mee: verder
leven is nu een leven met wonden, met grote diepe littekens die pijn doen, die
snijden. Je
kunt proberen als de maanden verstrijken, om je innerlijke stem wat tot bedaren
te brengen, die stem die je voortdurend eraan herinnert dat je pijn hebt om het
verlies, die stem die je laat horen en voelen dat je je geliefde mist en dat je
leven nu opeens heel anders is: minder zorgeloos, minder naïef, minder kunnen
genieten van de natuur en de dingen om je heen. Zwijgen, het laten zwijgen van
je verdriet, door je niet te laten meeslepen, niet zó te laten meeslepen dat je
maar blijft huilen, huilen zonder ophouden. Naast
de ervaring van aandacht en meeleven van de mensen om je heen, naast het zwijgen
als vorm van zelfbescherming is er nog een derde weg om met deze beproeving van
pijn en verdriet om te gaan: buiten jezelf treden, naar mensen toegaan die een
beroep op je doen, die je nodig hebben. Hoe
dat kan laat het volgende verhaal zien: "Een vrouw verloor haar man en haar
zoon, en zij ging naar een wijze man met de vraag 'waarom het haar had
getroffen, waarom man en zoon waren weggerukt uit haar leven'. De wijze
antwoordde: 'vrouw kijk om je heen, als je mij een huis kunt aanwijzen waar geen
verdriet is, krijg je antwoord.' De vrouw ging op weg, van huis naar huis,
maar overal waar ze kwam ontmoette ze leed en verdriet. Na jaren kwam zij weer
terug in het dorp waar zij was vertrokken. Ze sprak met de wijze die haar naar
haar ervaringen vroeg. Zij antwoordde: 'ik ben géén huis zonder verdriet
tegengekomen, géén huis zonder lijden. Daarom heb ik maar overal waar ik kwam
zo goed en zo kwaad proberen te helpen. Ik
geloof dat ik nu een antwoord op mijn vraag heb: het waarom van ons lijden ligt
in het antwoord dat wij erop geven'. 'Je hebt juist geantwoord', sprak de wijze,
'het lijden kom je alleen te boven door er recht voor te gaan staan en niet te
vergeten dat er steeds mensen zijn die je nodig hebben'." Omgaan
met de beproeving door de beproeving te relativeren, door de confrontatie met
het lijden van anderen. Maar niet te snel, niet voordat je genoeg tijd hebt
doorgebracht om oog in oog met je eigen lijden en verdriet te staan, zodat je al
gevoeld en geleerd hebt hoe het is om tot op het diepst van je wezen
teruggeworpen te worden op jezelf. Pas
daar, vanuit dat diepste punt, vanuit die diepe put, kan er een omkeer
plaatsvinden, een weg die langzaam weer naar boven voert. Een weg aan de hand
van anderen, die je helpen en die je begrijpen en aanvoelen, aan je eigen hand,
door jezelf moed in te spreken en te blijven hopen, door het verdriet niet te
laten overheersen, het af en toe te doen zwijgen, en aan de hand van je
wilskracht en nieuwe openheid voor het leed van anderen die je nodig hebben. Want
jij weet nu wat lijden is, jij kunt anderen die lijden heel goed verstaan en
heel veel meegeven. Misschien is deze laatste weg niet voor iedereen weggelegd,
misschien is niet iedereen even sterk en dapper om dit avontuur aan te gaan.
Maar het valt wellicht te proberen: mensen kleiner en zwakker trekken je vaak
door je verdriet heen, dwars door alle pijn en tranen, op weg naar een nieuwe
toekomst die steentje voor steentje langzaam wordt gebouwd. Een nieuwe weg naar
een stukje licht. Licht dat voor ons allen mag schijnen. Veel sterkte op deze
weg. Als
de dood plotseling in ons leven inbreekt als een niets ontziende kracht en als
wij achter blijven met een groot gevoel van leegte, verdriet en pijn om de verloren
geliefde, is het vaak een stukje muziek, een melodie die vóórkomt dat wij
wegzinken, wegzinken in een bodemloze put van ellende. Een
paar keer heb ik meegemaakt bij een groot verdriet, en ook nu weer bij de
onverwachte zelfgekozen dood van mijn moeder, hoe een lied, een melodie door je
hoofd blijft gaan en je zo kan behoeden voor een te harde confrontatie met de
dood; want die eerste dagen, weken, ben je vaak niet in staat om te beseffen wat
de dood heeft aangericht in je leven. Dat doet téveel pijn. In
de psychologie noemt men dat de "fase van de ontkenning", de
tijdspanne waarin je psychisch langzaam moet gaan wennen aan het gruwelijke lot
wat je overkomen is. Teveel directe confrontatie, teveel realiteitsbesef en
weten, voelen, kennen wat er gebeurd is en welke de gevolgen zijn, kan tot
waanzin lijden: letterlijk "gek van verdriet" worden. Dat
kan onze menselijke geest vaak niet aan, daarom werken er beschermingsmechanismen
in een mens en raakt hij als het ware slechts mondjesmaat, stap voor stap
vertrouwd met het vreselijke gebeuren. Maar ook deze gedoseerde vorm van het
pijnlijke feit is vaak ondragelijk: je lichaam, je geest, alles lijkt te
veranderen. Je wordt 's morgens wakker met pijn, je voelt je ellendig, beroerd.
Elke ochtend weer opnieuw dat besef: hij/zij is er niet meer! Wat nu? Hoe
verder? Alweer een vreselijke dag vol verdriet. Misschien
wil je wel in bed blijven, niemand zien, niemand spreken. Alleen, je verstoppen,
verbergen, ook voor het vreselijke nieuws dat elke ochtend je als een mokerslag
treft. En dan heb je weer momenten dat je wilt praten, huilen, getroost worden,
een arm om je schouder voelen, behoefte, vreselijke behoefte aan begrip en
steun. Je hebt het gevoel dat je onderworpen bent: aan stemmingen, dan weer
alleen willen zijn en dan weer mensen willen zien die je opvangen, die naar je
willen blijven luisteren. En
soms is er muziek, die melodie, dat deuntje, of een psalmtekst, een tekst van
een gebed of een zanger/zangeres die je aanspreekt. Soms hoor je niets anders
dan die woorden, die klank in je hoofd. Ik heb dat met jiddische muziek,
liederen uit de chassidische gemeenschap (uit het Oude Oostblok), de getto's
waar grote armoede en vervolgingen heersten. De melodie van deze liederen is
bijna altijd weemoedig, melancholiek. Maar ook veel hoopvolle tonen klinken er
in door, veel verzet tegen de omstandigheden, veel vertrouwen en vooral veel,
heel veel levenskracht. Dat
geeft mij moed, dat geeft mij ook veel vertrouwen, weten dat er mensen zijn die
liederen hebben leren zingen in de meest verdrietige en ellendige omstandigheden.
Liederen die hen niet deden vertwijfelen, hoe zwaar de beproeving soms ook was.
Liederen die hen moed gaven, levenskracht, overlevingskracht, geloof tegen alle
klippen op, uiteindelijk zelfs op de drempel van de gaskamer in de
concentratiekampen. Wat is dan mijn verdriet? En
zo voeg ik mijn persoonlijk verdriet misschien onbewust bij dat grote verdriet
van mensen, die al eeuwenlang moeten lijden. En misschien geeft dat ook een stuk
troost: weten dat je niet de enige bent. Maar
ook de kracht en de inspiratie gaan zo een eigen leven in jou leiden als je deze
liederen in je leven een plaats wilt geven, als ze je als het ware komen
aangewaaid en als je op de fiets gedragen wordt door hun melodie. Misschien
is muziek wel onze redding, ons vlot op de woeste zee van verdriet. Misschien is
muziek wel het koord waardoor wij ons zelf kunnen voorttrekken, dwars door het
verdriet heen, op weg naar een zonniger toekomst. Dat wens ik dan ook ons allen:
veel levensmuziek, veel levensmelodie vol kracht en levenskracht in de periodes
van groot verdriet en beproeving. De
onverwachte dood kan een grote beproeving zijn - zo groot dat woorden ontbreken
om de ervaringen rond deze dood een plaats te geven in ons leven. Daarom hebben
we in 1995 in de parochie een klein boekje uitgegeven met gedichten. In een
kleine oplage slechts én gratis. De
gedichten in dit boekje gingen allen over de dood en het verdriet dat de dood
kan oproepen. Zeker als deze dood onverwacht komt als een dief in de nacht. Een
aantal mensen uit de parochie die geconfronteerd werden met de dood van een
geliefde hebben wij toen dit boekje als een stukje ondersteuning toegestuurd met
de motivatie: "Deze gedichten kunnen ons woorden en beelden aanreiken,
zeker als wij zelf geen woorden kunnen vinden om ons verdriet te uiten en er
over te kunnen praten." Poëzie,
gedichten, de taal van dichters, is naar mijn gevoel beter in staat om te
verwoorden en zichtbaar te maken wat in ons ten diepste leeft. Ook een groot
verdriet en een groot lijden krijgt in een gedicht een andere stem en een ander
lading dan in een theologische of andere wetenschappelijke verhandeling. De taal
van dichters is vaak voor meer uitleg vatbaar, is open, heeft meer betekenissen.
Daardoor
komen de complexe kanten van de werkelijkheid van het verdriet en de
dubbelzinnigheden in gevoel en emotie beter tot hun recht. Mensen die verdrietig
zijn kunnen ook nog lachen, zijn soms wanhopig, woedend, ontroostbaar, dankbaar
en ga zo maar door. Vaak komen heel veel gevoelens en emoties bij elkaar. Dat
valt bijna niet uit te leggen, zeker niet aan mensen die het niet hebben
meegemaakt, en zeer zeker niet aan hen die er niet voor open staan! Ook
dat laatste is soms een stukje beproeving: de wereld draait voort en de mensen
gaan hun eigen wegen. Dat komt vaak hard over, zeker als jouw leven helemaal
overhoop is gehaald door een plotseling dood van een mens waar je veel van
hield. Ook jij moet verder gaan met leven, met boodschappen doen, eten koken,
mensen ontmoeten. En ondanks de last van het verdriet is er ook voor jou in onze
maatschappij nauwelijks extra ruimte waar je tijdelijk vrijgesteld bent van alle
verwachtingen en prestaties. Een
van de weinige dingen die je dan kunt doen is je af en toe terugtrekken, lezen,
foto's kijken, een wandeling maken in de natuur en tijd en ruimte maken voor je
verdriet buiten alle verplichtingen en eisen die er aan je gesteld worden. Gedichten, verwoord verdriet, pijn vervat in melancholieke beelden, zij kunnen je dan troost verschaffen. Zij kunnen je woorden geven, handgrepen als het ware om je verdriet beter te uiten, er over te praten met anderen, je gevoelens bloot te leren leggen zodat zij niet meer alleen van binnen branden. MARIKO Een
eenzame wind, in
het avonduur - een
huilend kind is de weg kwijt Maar
jij Mariko, bent niet hier In
de blauwe avondschemering dacht
ik, dat ik hoorde - in
de stem van de wind, het
geritsel van je kleed Maar
jij Mariko, bent niet hier O,
kleine wind, wees
mijn vriend, houd
me vast, want
ik ben eenzaam als jij Maar
jij Mariko, bent niet hier De
wind wiegt me in slaap, wees
stil, mijn kind, - och,
wind wieg me nog meer o,
Mariko, ik wil de jouwe zijn! Uit
het theater van het Getto van Wilna.
Een zee van droefnis - een veilige kust om langs te gaan... In
een boek over Boeddhisme kwam ik laatst de volgende spreuk tegen, een uitspraak
die mij persoonlijk veel troost en steun geeft, omdat ze als het ware direct
aansluit bij mijn leven sinds de dood van mijn moeder. De spreuk luidt: "Een
zee van droefnis strekt
zich uit tot
in het oneindige Maar
keer je om aan
je voeten ligt de
veilige kust!" Prachtig
vind ik dat die nuchterheid, deze realiteitszin, midden in de duisternis, midden
in het verdriet waaraan voor je gevoel geen einde schijnt te komen. Voor je zie
je enkel water, golven, tot aan de horizon. Maar je staat aan de kant, je kijkt
slechts naar de zee, je bent er geen deel van: je wordt niet opgeslokt door de
golven. Misschien
voelt veel verdriet zo, zeker in het begin, als een opgeslokt worden, een soort
verdrinken, ondergaan en niet meer boven kunnen komen. Een gruwelijk beeld vind
ik dat, zeker als ik bedenk dat mijn moeder zich moedwillig verdronken heeft
in het water: het was haar keuze, haar manier om gered te worden van de
wanhopige en depressieve gevoelens die zij had en die haar geen mogelijkheid
meer boden om verder te leven. Water
is daarom nu voor mij ook doodsdreiging. Ik had het kunnen weten uit de verhalen
uit de bijbel waar mensen in het verhaal van Noach en van Mozes onder gaan in de
golven. Maar dat zijn 'slechts' verhalen en het is lang, lang geleden gebeurd.
De realiteit voelt altijd anders. Ook mensen uit gebieden die bijvoorbeeld in
1953 zijn overstroomd zullen dit anders beleven, zij hebben aan den lijve
ervaren wat het is als het water als een doodsdreiging boven hun hoofd hangt. Toch
is het vreemd in ons leven dat water tegelijkertijd dood en leven kan betekenen:
dat dubbelzinnige, dat ambivalente. Daar hebben wij mensen het misschien vaak
moeilijk mee omdat wij graag duidelijkheid willen: zwart of wit, niet beiden.
Toch komen de grote en belangrijke dingen in ons leven vaak in meerdere gedaantes
voor: positief en negatief: als geloof en twijfel, hoop en wanhoop, vreugde en
verdriet. Het menselijk leven kan eenmaal niet zonder deze beide kanten, zou je
zo denken. Wat is dat dan, waarom dat dubbele? Misschien
is het wel zo door God gepland opdat we het positieve leren waarderen en
ontdekken onder het negatieve. Dat gaat nooit vanzelf. Meestal is dat een lange
weg doorheen pijn en verdriet. Echte liefde gaat nooit verloren, maar dat zal
pas echt blijken in moeilijke, in heel moeilijke omstandigheden. De "mislukking
houdt de liefde bij krachten" schreef de Joodse filosoof Rosenzweig. Ik
geloof dat hij alle gelijk van de wereld heeft. Het komt er alleen op aan om te
lopen, lopen langs het strand, langs de kust van onze mogelijkheden. Niet alleen
blijven staan en staren naar het water... laat de golven maar aanspoelen, het
wordt ook weer eb na de vloed. Liefde
vindt altijd vaste grond onder haar voeten, of in ons hart. Dat houd mij en vele
anderen vermoed ik op de been. Daarom veel liefde, veel durf om naar het water
van de droefnis te kijken en veel moed om langs het strand te lopen met het
water van verdriet aan je zijde....op weg naar betere veilige tijden. Het
is goed om af en toe eens een oude(re) filosoof uit de kast te halen die een
hulp kan bieden bij het nadenken over ons leven. De Spaanse filosoof José
Ortega Y Gasset schrijft dat ons leven niet overdraagbaar is: ieder van ons moet
zijn eigen keuzes maken en zijn eigen leven leiden - wij kunnen niet in de schoenen
van iemand anders gaan staan. Dat is onmogelijk. Dat wisten we natuurlijk
allang, maar kennen wij ook de consequenties van deze waarheid als een koe? Daarom,
zo schrijft Ortega, is ons leven in de diepste kern eenzaam, radicale
eenzaamheid. Deze radicale eenzaamheid bestaat er niet in dat er buiten mij
niets zou zijn. Integendeel, wij worden omgeven door het hele universum en wij
maken er zelf deel van uit. Maar midden in dit universum staat de mens op
zichzelf gesteld. Ortega noemt deze radicale eenzaamheid het meest (radicale)
menselijke aan ons menszijn. Eenzaamheid
is volgens deze filosoof óók altijd verlatenheid, zonder – iemand - zijn,
alleen zijn en iemand (moeten) missen. Bijvoorbeeld ons woordje 'monnik' komt
van het Griekse woord 'moný' dat 'vertoeven, oponthoud' betekent, met de
bijbetekenis van 'overblijven, alleen blijven, zonder de anderen zijn',
misschien omdat ze weggegaan zijn of gestorven. Of misschien omdat wij hen
achter gelaten hebben in de wereld om zelf in de woestijn het leven van een
monnik te gaan leiden. In het Spaans wordt gesproken over 'Onze Lieve Vrouw van de Eenzaamheid', "Nuestra Señora de la Soledad", de maagd Maria, die verlaten achterblijft nadat ze Jezus hebben gekruisigd. En Ortega zegt dat de passiepreek, die ook wel 'de eenzaamheidspreek' wordt genoemd, gaat over de meest pijnlijke woorden van Jezus aan het kruis: Eli, Eli, lama sabachthani: God, mijn God, waarom heb je mij verlaten?" "Waarom heb je mij alléén gelaten, alleen én zonder jou? Ortega
zegt hierover: "in géén enkele andere uiting openbaart zich zó diep Gods'wil
om mens te worden en dát op zich te nemen, wat aan ons mensen het meest radicaal
menselijke is: onze radicale eenzaamheid." Wij
mensen zijn dus eenzaam, alleen, alleen gelaten. Daarom gaan wij op zoek naar
vrienden, vriendinnen, naar liefde, om onze eenzaamheid te doordringen met de
eenzaamheid van iemand anders en zo samen te smelten. Misschien is dát ook een
stukje Pinksteren: 'mogen ervaren dat Gods' eenzaamheid de gestalte
aanneemt van liefde, een liefdesvuur, dat ons kan verlichten en verwarmen.' Want
zo zou je de gebeurtenis van Pinksteren kunnen zien: alleen gelaten, hevig
ontgoocheld, zwaar teleurgesteld en bedroefd hokken de leerlingen van Jezus bij
elkaar uit angst om zelf te moeten sterven. In
hun eenzaamheid zijn zij volslagen alleen, misschien zelfs op het depressieve af
want door het lijden en sterven van Jezus worden zij bijna letterlijk 'neergedrukt
in het stof'. En dan gebeurt er opeens iets wonderbaarlijks, 'haastig' staat er,
'een geluid uit de hemel, zoals een geweldige wind en het hele huis wordt erdoor
vervuld'. Opeens breekt er een nieuw besef door, een nieuwe Geest neemt bezit
van hen. Alsof er 'een vuur in tongen op ieder van hen zit', en ze beginnen te
spreken in talen, een soort nieuwe extase. Iedereen kan hen verstaan want het
is de Geest Gods die zich hier openbaart. Hun eenzaamheid, hun alleen zijn is
plotsklaps opgeheven, als sneeuw voor de zon verdwenen, zo lijkt het wel. Misschien
is dat wel het allergrootste wonder: Jezus wordt deelgenoot van elk mens, van
elke radicale eenzaamheid, door die eenzaamheid zelf te ondergaan. En dan blijkt
dat die eenzaamheid, hoe radicaal ook, hoe diep geworteld in een mensenleven,
niet het laatste woord heeft: dat er een 'hierna' is, een verder dan de
eenzaamheid. En dat is 'geestkracht', mogen ervaren dat er een kracht is die ons
uittilt boven de eenzaamheid van ons mensenbestaan. Ortega wijst ons op die
kracht(en) in ons leven als hij de Spaanse uitspraak 'hacer tiempo - tijd
vergaan laten' onder de loep neemt. Tijd
vergaan laten (in je leven) wil zeggen: wachten, tijd van verwachting, tijd van
hopen. Want leven is in de meest eigenlijke zin: verwachten, hopen. De
leerlingen wachten 50 dagen en dan vindt het wonder van Pinksteren plaats: 50
dagen vol spanning, vol eenzaamheid en vol ingehouden emoties. En dan barst het
los, worden ze overweldigd, grijpt de hoop hen naar de keel (in plaats van de
angst) en worden hun stembanden los, spreken, schreeuwen ze het uit...zijn ze
niet langer gevangenen van hun eenzaamheid, maar vrij, ten diepste vrij om
kinderen Gods te zijn en zo te leven in de sporen van de Heer. Misschien
moeten wij voordat wij Pinksteren kunnen ervaren eerst het lijden meemaken, de
eenzaamheid en de diepe ellende van de teleurstelling in het leven. Dan pas zijn
wij misschien rijp voor een aanval van de Geest, zijn er géén hindernissen
meer in ons leven die de Geest kunnen tegenhouden. Dat is toch eigenlijk heel
bemoedigend! Geen lijden gaat zo diep, is zo zwaar of er zal een Pinksteren
zijn, voor ieder van ons. "Rust
zacht", "Rust in vrede", staat vaak op het stenen graf. "Rust
zacht", wat is dit 'rusten', wat is 'zacht', wat is 'in vrede'? De
dood wordt hier met de slaap vergeleken, zacht rusten op het kussen van de dood.
De stilte en de rust van de dood die alles beheerst, een stilte die voortduurt,
door niets onderbroken, een doodse stilte. Eeuwig
rusten, wachten, slapen, tot de dag van de opstanding. Misschien zou het idee
van de opstanding van de doden wel nooit geboren zijn als er niet een idee van
de dood was geweest als 'slaap'. Een rusten in de armen van de dood, alsof deze
stille 'geliefde' de mens in een omarming gevangen houdt. Pas op 'de dag des
oordeels', de dag door God bepaald, als de Messias komt, dan worden de doden
wakker gekust, vrijgemaakt uit deze omhelzing. Dan verliest de dood zijn macht.
En is er géén slapen, géén rusten meer in vrede! "Rust
in vrede", wat is hier vrede? Is het de vrede van een tot rust gekomen
gemoed, een leven vol verwarring, vol spanning en angsten? Of is het een hemelse
vrede die volgt op het aardse leven? Een vrede getekend door de slaap, door
overgave, door het bereiken van je doel, je levensdoel? Is
je levensdoel de dood? Is de dood het einde, het absolute einde van je bestaan?
Sommigen zeggen van wel, want over de grenzen van de dood kun je niet
heenkijken. Anderen zijn vol vertrouwen dat ná dit leven en ná deze dood God
nog iets anders in petto heeft voor ons. Hoe en wat, dat is onbekend, maar het
vertrouwen is er. Het is aanwijsbaar bij mensen, het houdt hen op de been om
niet te vertwijfelen, niet te wanhopen, hoe ellendig de aardse situatie ook is
waarin ze moeten verkeren, leven. Weer
anderen geloven dat het leven een leerproces is met telkens nieuwe kansen,
nieuwe geboortes, steeds weer opnieuw. Totdat de kringloop, het rad der
wedergeboorte aan zijn eindpunt is gekomen, het 'Nirwana', het opgaan in het
grote "Niets". Maar misschien zijn de beelden van het 'leven' ná de
dood, de verhalen, de geloofsgetuigenissen "ladders", hulpmiddelen,
een soort houvast om uit de diepte van de vertwijfeling te klimmen, uit de
afgrond van de wanhoop waarin je door het feit van de dood gestort kunt worden. De
dood maakt aan alles een einde: letterlijk aan "alles". Niets blijft
er van je over, niets zichtbaars, tastbaars, grijpbaars. Helemaal niets?
Absoluut niets? Als
gelovig mens, dat wil zeggen als mens die wil vertrouwen, die durft te
vertrouwen, vertrouwen op God, God als liefde, moet ik zeggen dat misschien
alleen de liefde blijft, dat géén dood de liefde kan doen doven. Hoe
ik dat zo zeker weet? Omdat liefde "sterk is als de dood!" dus niet
klein te krijgen door de dood. Omdat liefde telkens weer, ook al slaat de dood
toe, doorgaat in het leven, de levenden. Gegeven liefde gaat nooit verloren.
Geschonken liefde gaat verder in degene die ontvangt. En dat geschenk gaat van
hart tot hart, van hand tot hand. De dood komt altijd te laat, hij kan de liefde
nooit inhalen. Hij is niet snel genoeg voor de liefde. Zelfs
aan het sterfbed kan de dood niet voorkomen dat de liefde heen en weer stroomt.
Dat de achterblijvers meedragen wat ze van de stervende hebben ontvangen. Daarom
bestaat géén eeuwig graf! Een eeuwig graf zou een triomf zijn van de dood op
de liefde. Graven kunnen de liefde niet houden, niet vasthouden. Daarom is
Jezus opgestaan, leeft hij verder in ons mensen. Daarom zullen wij opstaan,
leven in de mensen die na ons komen. Als we maar liefde delen, uitdelen,
wegschenken, helemaal voor niets. "Rust zacht, rust in vrede", misschien betekenen deze woorden wel: thuis bij God, eindelijk liefde die aangekomen is, liefde die thuisgekomen is.
Hemelvaart: "Ne me quitte pas" - "verlaat me niet" "Verlaat
me niet, ga toch niet, ...wij vergeten de tijd..." Deze
woorden uit een lied van Jacques Brel, maken altijd diepe indruk op mij. Verlaat
me niet... Brel zingt het smachtend, vol passie en overgave, alsof zijn
leven ervan af hangt. En dat merk je, dat voel je als je naar zijn liederen
luistert. Brel
was een Belgische zanger, die veel te jong en veel te vroeg is gestorven. Ik heb
wel eens het idee dat hij was als een kaarsvlam: flakkerend in de wind, en
daardoor veel sneller op dan een kaars die rustig kan branden. Misschien
ging het ook zo met Jezus: ook hij brandde hevig en hartstochtelijk, zo zeer
zelfs dat hij de mensen aanstak die om hem heen stonden, en ook zij begonnen te
branden, te gloeien dat de vonken ervan af sprongen. Aangewakkerd door de wind,
gegrepen door de nood van de mensen die zij om zich heen zagen zetten zij alles
op alles om er wat van te maken - liefde die overspringt, liefde die aanvuurt. Misschien
hebben ze het uitgeschreeuwd, diep van binnen gevoeld als een pijnlijke smart,
met een hevig bloedend hart gesmeekt: "verlaat ons niet - laat ons niet
alleen!" En er moesten
engelen aan te pas komen, een visioen uit de hemel, om hen met de neus op de
aarde te drukken: "niet van omhoog komt de liefde, komt het heil, maar
uit jullie handen, jullie harten..." zegt de engel met klem. "Dat
is wat Jezus jullie heeft laten zien - doe evenzo!" Wat
blijft is de pijn, de pijn van het afscheid, het verdriet om de verdwenen
geliefde, maar wat we houden, innig mogen vasthouden, is de liefdesgloed, de
herinnering aan de liefde die zo sterk is dat ze ons telkens weer kan doen ontvlammen... Dat
is wat ik bij Jacques Brel ervaar: zijn hang aan het leven, de liefde, de mensen,
wat hij zingend bijna uitschreeuwt tegen alle tegenslagen, alle wanhoop in; als
hij met ogen vol tranen zingt over zijn Vlaanderen, dat vlakke land, de westenwind,
zijn onvergankelijke liefde die steeds zal duren. En
dat raakt mij tot in het diepst van mijn ziel. Voor mij is hij daarin een
perfecte vertolker van de Messias. Want zegt een Joods gezegde uit de Talmoed
niet: "in elk van ons schuilt de Messias - wij allen kunnen bijdragen
aan een messiaanse tijd" de tijd van God, waarin de liefde heerst en
waarin wij vergeten de tijd van het sterven... 'altijddurende tijd', zegt
de bijbel, 'zaligheid' zeggen de theologen, 'liefdestijd' zingt
Brel en met hem Jezus. Dat
is Hemelvaart: opnieuw mogen weten - het gebeurt hier en nu en het komt allemaal
uit onze handen. Vaak
moet ik door het jaar denken aan stukjes landschap waar wij in de vakantie
doorheen gewandeld zijn. Opeens staan ze op je netvlies, een mooi vergezicht,
een bosweg, of een straatje achteraf. Ook beelden van stukjes stad waar je
gezeten hebt, of iets gegeten en gedronken komen vaak boven. Zo
is het misschien ook met beelden van iemand, een persoon waar je veel van
gehouden hebt, waar je veel mee gedeeld hebt, maar die nu er niet meer is omdat
hij of zij is overleden. Opeens overvalt je een stukje herinnering, hoe hij of
zij je kon aankijken, of daar zat en iets zei. Ook de indruk die een lach of een
verdrietig gezicht op je maakte kun je uit het niets opeens voor je zien. Mensen
die in de eerste fase van een rouwproces terecht komen vertellen vaak dat zij
het gevoel hebben alsof degene die overleden is af en toe in de kamer staat. Je
kunt soms tegen hem of haar praten en je weet dat er geluisterd wordt. Ook als
je je plotseling omdraait heb je wel eens het gevoel alsof je niet alleen in de
kamer bent. Wat
is dat? Zijn dat alleen maar waanbeelden,
indrukken die onverwacht weer boven komen? Ik geloof van niet. Ik geloof dat er
meer aan de hand is. Als je iets intensief hebt beleefd, als je lang met elkaar
bent opgetrokken en veel hebt gedeeld, dan is er iets bijzonders ontstaan in je
leven. Indrukken
en ervaringen zijn als het ware neergeslagen in het centrum van jezelf, van
waaruit je naar de wereld kijkt en reageert op de dingen die je overkomen. Net
als bij een plaat of een bandje zijn die ervaringen misschien ingegroefd. En als
toevallig een stil moment aanbreekt, waarin je niet meegetrokken wordt met je
aandacht, dan komt er ruimte, dan valt de naald in die groef en komt het beeld
boven waar we boven over spraken. Het
zijn denk ik beelden, ervaringen die wij een leven lang met ons meedragen.
Daarom zijn ze kostbaar omdat ze ons iets zichtbaars in handen geven wat we
anders zouden zijn vergeten. Misschien werkt ook zo de liefde van God. Via
beelden, via opeens opwellende gevoelens en emoties. Want volgens veel mystieke
schrijvers woont God in ons allerdiepste wezen. En wij kunnen alleen maar door -
dringen tot die God in ons als we leeg worden, leeg van alle dingen die ons
dagelijks bepalen. En als er dan ruimte komt in ons zelf, komt er ook ruimte
voor God. Als een bron kan zijn liefde dan in je opwellen. Misschien
is het ook wel een blijk van zijn liefde dat die dierbare mens, zo af en toe
voor je zichtbaar wordt. Dat het niet alleen maar herinnering is, maar ook bijna
tastbare aanwezigheid. Misschien wordt ons mensen zo wel gezegd: "wees
maar niet bang, ik ben bij je. Ook al zie je me niet, vertrouw er maar op dat ik
in goede handen ben en dat ik een oogje op je hou." Wie
weet hoeveel troost dergelijke woorden, dergelijke beelden ons kunnen
verschaffen. Daarom voor allen die
treuren, die verdriet hebben en lijden, veel sterkte, en veel fijne
herinneringen. Je
gaat naar je werk, je leeft je leven elke dag - en steeds is er een morgen. Je
bent je van geen dreiging bewust - geen vuiltje aan de lucht. Mensen worden
ziek, mensen sterven, maar het zijn steeds anderen - mensen in je straat, uit je
bekendenkring, en soms uit je eigen familie. En dan opeens, een dag als alle
andere, voel je je niet goed ‑ er schort iets aan, je weet niet wat. Zou
je naar de dokter gaan, zul je het je vrouw, of je man vertellen? Je weet het
niet. 'Je
moet je niet zo aanstellen' denk je, 'het zal wel weer over gaan'. Maar de dag
erna, hetzelfde, en een week later nog niet beter. 'Ik ga toch maar naar de
dokter'. En je gaat. Hij stuurt je verder: 'ik kan u verder niet helpen, daar
moet een specialist naar kijken' en je maakt een afspraak in het ziekenhuis. Je vertelt je klachten, er wordt naar je geluisterd. Er worden aantekeningen gemaakt. En dan begint het: bloedafname, urine inleveren, foto's maken, en misschien over een week of drie een kijkoperatie. Wat is er aan de hand? Verslagen
ga je naar huis - een wereld stort in. Je toekomst glipt uit je handen - en ook
je vertrouwen - je wordt heen en weer gegooid door je gevoelens - twijfel komt
steeds weer boven - zal ik het wel halen - kan ik het aan: die operatie, de
bestralingen, de chemokuren? Je weet het niet - niemand kan het je zeggen. En,
je durft het haast niet uit te spreken: wat is de laatste consequentie? Hoe zal
het aflopen - hoe zal het zijn: met pijn? Wanneer? Wie zal er om me heen staan?
Wat zal er gebeuren met hen die ik achterlaat? Zullen ze zich kunnen redden?
Duizend vragen gaan door je hoofd - daar zit je dan. Wie had dat gedacht?
Je had er geen flauw vermoeden van dat je ook zelf eens aan de beurt zou komen. Je hebt je niet voorbereid. En nu? Er maar proberen het beste van te maken. Misschien tegen alle beter weten in: hopen, vasthouden aan het leven - zeker niet opgeven. Maar
misschien sta je niet alleen - misschien zijn er mensen die bij je staan - die
je hand vasthouden als je moet huilen - als je er niet meer tegen kunt als het
je soms teveel wordt - die je niet laten vallen. Die je opzoeken en helpen waar
ze maar kunnen. En zo moet het dan maar verder gaan - je onzekere toekomst
tegemoet - 'ik zal wel zien' - 'misschien lukt het me om me over te geven'. Komt
tijd, komt raad. Je wenst jezelf veel sterkte, want je bent gelukkig niet
alleen. "Een mens gaat dood en buiten viert de aarde lente." (Ernest Claes) De
wereld is een draaitol. Zonder eind, zonder begin. En elke ochtend, elke avond
draait zij rond. Misschien is de draaiende wereld wel bij uitstek het symbool
van de tijd: zij duurt maar voort, telkens opnieuw, een eeuwige kringloop. De
zomer volgt de lente op, de winter de herfst, en alles begint weer opnieuw.
Alleen wij, wij worden ouder. Wij groeien mee, uur na uur, dag na dag, jaar na
jaar. En ons lichaam is getekend, de tijd laat zijn sporen achter. Van klein
naar groot, van zwak naar sterk, van groot naar klein, van sterk naar zwak. De
cirkel is weer rond. Behalve,
als die ene keer, de dood reeds eerder komt. Als midden in de jeugd, midden in
het leven, zijn harde hand genadeloos uithaalt, en wij, achterblijven,
sprakeloos, verbijsterd, gevangen in onmacht en onbegrip. Jorg
Zink schreef over onze dood: Spoedig
zullen wij allen sterven elke
gedachtenis zal
dan van de aarde verdwenen zijn, en
wij zelf zullen een kort ogenblik worden
geliefd en daarna vergeten. Maar
de liefde zal genoeg geweest zijn! Er
is een land van de levenden en
een land van de doden, en
de brug tussen hen is de liefde - het
enig blijvende, de enige zin. Ook
dan, na die plotselinge dood, die dood waar je niet op voorbereid was, is de
liefde het enig blijvende, de enige zin. En vastgemaakt aan sporen van liefde
haalt de herinnering beelden boven, momenten van geluk, van vreugde. En volgt op
het weerzien in gedachten de pijn van het moment, het gemis, de leegte. Ook
dat is liefde, liefde door de leegte heen, voelbaar in je hele lichaam. Dat is
de keerzijde van je liefde, als de andere kant van de munt, het kan niet anders.
Had je niet van elkaar gehouden, had je niet zoveel liefde gevoeld, de pijn zou
minder zijn, minder kwetsend. Maar nu je zoveel hebt bemind, nu je zoveel houdt
van deze geliefde mens, kun je niet ontsnappen, kun je niet weg uit de fuik van
het verdriet. Pas als je helemaal, helemaal tot het eind, durft door te zwemmen,
zul je zien, zul je voelen, dat de uitgang open is, dat het verdriet helemaal
omgezet in liefde wordt. Misschien
is liefde daarom blind. Omdat ze gaat zonder te weten waar ze uitkomt. Omdat ze
inzet zonder te voelen of het wat oplevert. Omdat ze durft zonder zich angstig
af te vragen of dat wel goed gaat. Jorg Zink schrijft: Liefde
gaat er altijd van uit, dat
het woord een oor vindt, ook
als er geen antwoord meer is. Zij
gaat er van uit, dat
de hand een hand voelt, ook
als dat nergens uit blijkt... Zelfs onze liefde, reikhalzend, smachtend naar onze verloren geliefde, gaat het waagstuk aan: te reiken over de dood heen, verder dan het graf. Al komt de lente in het land, en gaat de zomer verder, wat we hebben gezaaid in de tuin van ons hart, vruchten, bloemen, liefdeszaden, geen winter kan hen doen sterven. Geen dood is sterk genoeg om die liefde uit te doven.
Wat raakt een mens het diepst? Wat
raakt een mens het diepst? Als
je kind ziek wordt - en
je kunt niets doen. Wachten,
afwachten, bidden, hopen. Wat
raakt een mens het diepst? Als
op een dag, plotseling, als
je het niet verwacht, het
bericht komt: er
is een vreselijk ongeluk..., hou
je vast, er is géén hoop meer. Wanhoop,
diepe vertwijfeling, smart. Wat
raakt een mens het diepst? Als
opeens je kind verdwenen is, meegevoerd,
spoorloos. En
dagen later, het
verbijsterende antwoord: verminkt,
vermoord, door
een ander kind. Woede,
afgrond, vragen, vragen, vragen.
Maak
een plaatsje vrij in je hart, richt een altaar op, om te gedenken
Hoe
houd je een dierbare in je gedachten, hoe draag je de mens die gestorven is met
je mee? Daarover schrijft D. Bonhoeffer, een Duitse theoloog: Als
je van iemand houdt en je bent van hem gescheiden, kan
niets de leegte van zijn afwezigheid vullen; je
moet dat niet proberen, je
moet eenvoudig aanvaarden en volharden. Dat
klinkt erg hard, maar het is ook een grote troost; want
zolang de leegte werkelijk leeg blijft, blijf
je daardoor met elkaar verbonden. Misschien
valt dat niet mee, misschien dringen zich teveel beelden, teveel gevoelens aan
je op, woorden, gedachten, misschien zelfverwijt, een gevoel van mislukking en
schuld. Of je kunt gewoon niet stil staan bij, wilt het niet, bent er bang voor,
je vlucht naar voren, in je werk, in bezigheden, activiteiten, druk, druk, druk,
dan hoef je niet eraan te denken, dan hoef je de pijn en je verdriet niet toe te
laten. Want
je weet, je kent misschien die vreselijke pijn, die je helemaal meesleurt, die
je naar adem doet snakken, als een vis op het droge. Dat wil je niet, niet meer
zo, niet meer meegenomen worden in die kolkende stroom de diepte in. Toch
blijf je verbonden, heeft het verdriet je aangeraakt, ben je veranderd. Alleen,
je weet het nog niet. Je beseft nog niet zo goed wie je nu bent, wie je worden
zal. Je wereld staat op zijn kop, alles om je heen draait verder en jij bent
veranderd, gebroken, diep gewond. Is
er ruimte in je hart, is er een plekje vrij voor de mens waar je veel van hield,
die je nu moet missen, die een ijzige leegte in je leven achterlaat, omdat de
dood je meest geliefde haalde? Is er ook voor jou een plaats voor bezinning, in
je huis, een hoekje maar, met een foto, een kaarsje, een bloem, waar die lieve
mens aanwezig is, als teken, als herinnering, als onzichtbare hand op je
schouder? Misschien
zijn de tranen wel meer dan alleen maar tekens van verdriet. Misschien zijn
tranen wel bij uitstek de dragers van de herinnering, zijn zij de manier om
verbonden te zijn, om verbonden te blijven, dwars door de leegte heen, dwars
door pijn en eenzaamheid. Als een schreeuw in de nacht, in een kille woestijn. Misschien
zijn tranen naast de tastbare herinnering, de foto in je medaillon, de dingen
die stil getuigen, het enige concrete bewijs van aanwezigheid, van
verbondenheid, en daarom een houvast. B. Aafjes schreef: Liefhebben
is groeien in verdriet en
dan, in de berusting van het zwijgen de
toppen van het leven bestijgen tot
waar men in het dal der tranen ziet, dat
zacht en blauw is en schier onbewogen als
soms droefheid is in kinderogen Groeien
in verdriet; de liefde is de onzichtbare band, waarmee men het sterkst is
gebonden, verbonden, zelfs over de dood heen. De tranen zijn als een blauw
bergmeer, de hemel wordt erin weerspiegeld, aarde en hemel bij elkaar, dood en
leven als een vlechtwerk. In de leegte van je eigen hart, in de leegte van het
landschap, is er ruimte, veel plaats, kan de liefde groeien, gaat ze nooit
verloren.
'De
dood komt vaak als een dief in de nacht'. Zelfs bij een lang ziekbed, zelfs als
de artsen hebben aangekondigd dat het nu toch wel snel zal gebeuren, komt hij
vaak nog onverwacht. Waarom?
Omdat we niet echt voorbereid zijn, omdat we leven en daarom ons moeilijk kunnen
voorstellen dat het opeens afgelopen zal zijn met leven. Ook als je zelf ziek
bent, je bent zelf de patiënt, is het (bijna) onvoorstelbaar om te moeten
beseffen dat er een uur, een dag zal aanbreken waarin je de dood zult ontmoeten,
waarin de tijd van leven afgelost wordt door de tijd van de dood. Voor
ons levenden, is het onmogelijk om over de grens van dit leven heen te kijken.
En, dé dood vormt deze grens. 'Achter deze grens is het donker, mistig,
vreemd.' Dichters hebben zich eeuwen lang uitgeput om in religieuze en poëtische
taal te verwoorden hoe die grensoverschrijding aanvoelt. Wij
de levenden, kennen slechts het gevoel van het achterblijven, het besef dat er
iets heel definitiefs heeft plaatsgevonden, iets wat niet meer terug te draaien
is. Als je een kind verliest, of je partner waar je een leven lang mee getrouwd
bent geweest, of een goede vriend of vriendin dan kun je en wil je niet aanvaarden
dat de dood zo definitief in het leven ingrijpt van de mens die je zo dierbaar
is geworden. Dat
weiger je te accepteren, maar je hebt geen keuze. Je wordt kei- en keihard met
de neus op het onvermijdelijke gedrukt: er is géén terug, er is géén 'opstanding
uit de dood' voor de mens waar je zoveel om gaf én geeft. Dat
is een bittere pijn, een wonde diep in je hart, je bent geraakt, gekwetst,
verwond, de randen van die wonde steken, branden, en er is géén verzachtende
zalf. Je wordt wakker met een vraag, je gaat naar bed met een vraag: waarom?
waarom zo? waarom nu? De eerste weken, maanden, en soms nog langer voel je je
geen mens. Je bent niet meer de oude, je wordt ook niet meer de oude, dezelfde
mens die je was. Je bent getekend, een groot litteken loopt dwars over je ziel. Misschien
zal de pijn slijten, je hoopt het, je zou wel willen, maar nu, zo vlak na de
dood, lijkt het alsof je nergens anders mee bezig kunt zijn, alsof je nergens
anders door geraakt kunt worden. Je
moet doorgaan, je wilt het, met alles wat in je is, vecht je verder, probeer je
je hoofd boven water te houden. Je vecht tegen de donkere eenzame avonden, tegen
het gevoel van machteloosheid, tegen een dreigende moedeloosheid, een depressie.
Gelukkig dan de mens, die niet alléén hoeft te vechten, die niet alléén
het sterven moet tegengaan, de pijn dragen, het litteken uithouden. Als er mensen,
kinderen, buren en vrienden, om je heen staan, om te delen, te troosten en op te
vangen. Want
dat is de keerzijde van de liefde: als je veel bemint moet je veel lijden als de
mens waar je zo zielsveel van houdt uit je leven wegvalt. Had je niet zoveel om
hem of haar gegeven was je verdriet misschien niet zo groot, niet zo pijnlijk
geweest. Maar precies die diepe pijn, dat helemaal van binnen geraakt, dat
getroffen zijn, is het kenmerk van echte liefde.
Ik
vermoed dat ook God zó van ons mensen houdt; met een zelfde bewogenheid, een
zelfde geraaktheid. En zolang wij leven merken wij het misschien niet, of soms
veel te weinig. Maar als we sterven vallen wij in zijn handen, in zijn liefde.
Dan is er géén grens, géén scheiding meer tussen zijn liefde en ons diepste
wezen. Sterven
is dus een groeien naar God toe, naar zijn allesomvattende liefde, een liefde
die brandt, maar niet verteert, een liefde die beheerst maar niet vernietigt.
Zij lijkt op de liefde van een mens - die pas weet hoeveel hij heeft bemind als
de dood de beminde heeft weggenomen. Misschien
biedt deze gedachte enige troost, dat wij vallen in God, in zijn oneindige
liefde, en dat ons leven én ons sterven een weg zijn naar zijn liefde. Hoeveel
omwegen wij ook maken in ons leven, hoeveel dwaalwegen wij ook bewandelen,
uiteindelijk eindigen we altijd daar waar God ons wil hebben: in zijn liefdevolle
handen. Durven we ons aan Zijn liefde toe te vertrouwen? Troost wordt bijeengebracht in kleine woorden (Bert Wirix) Veel
woorden hebben we niet, als plotseling de dood in ons leven binnenvalt. Als een
kind wreed wordt weggerukt, als een partner zomaar sterft. Bert Wirix schrijft: Stilte
snijdt de pijn en
de onmacht mee. Troost
wordt bijeengebracht in
kleine woorden. Spaarzaam. Ik
vind ze niet. Ben
blij dat je gekomen bent. Toen
was het toch zo stil niet meer we
waren niet alleen. We
waren niet alleen, Dat is genoeg. Ook als woorden ontbreken, als er geen woorden
meer zijn, om de verbijstering, de onmacht te beschrijven, dan kan je
aanwezigheid voldoende zijn. Ook zo deel je je verdriet. Kun je je gesterkt,
gesteund voelen. Indien
ik je dragen kon over de diepe grachten van
je gesukkel en je angsten heen, dan
droeg ik je, uren en dagen lang. Indien
ik genezen kon wat omgaat in je hart aan
onmacht, ontevredenheid en onverwerkt verdriet, dan
bleef ik naast je staan, uren en dagen lang. Maar
ik ben niet groter, niet sterker dan jij en
ik weet niet alles en ik kan niet zoveel, ik
ben maar een vriend op je weg, al uren en dagen lang. En
ik kan alleen maar hopen dat je weet: je
hoeft niet alleen te vechten of te huilen als
je een vriend hebt voor uren en dagen lang. M.
Weemaes Je
kunt het niet alleen! Dat moet je ook niet willen. Er zijn mensen om je heen. Je
moet durven vragen, durven kijken, de confrontatie aangaan, niet bang zijn, niet
bang zijn voor afwijzing of mislukking. Help mij, help mij, laat mij niet
alleen! Troost
wordt zichtbaar, ook, vooral in kleine woorden, in een stille blik, een hand op
je schouder, een gedeelde traan. Dat ene telefoontje, die brief, die kaart,
woorden die omgezet in daad, de wanhoop tegenhouden. Wie
van ons kan dát niet? Het is toch ieder gegeven, al is het maar: ik
weet het niet - ik ben er.
Dat is genoeg. Wat
zijn tranen, wat is verdriet? Ik
heb de dauw, zo 's morgens vroeg, wel eens "de tranen van
God" genoemd. God die onzichtbaar huilt, alleen zijn tranen zijn
zichtbaar. En misschien alleen nog maar voor de goede verstaander, die wíl
verstaan, die kán aanvoelen dat ook God verdrietig kan zijn. Dat
is niet zo gemakkelijk. Want we stellen ons God veel liever voor als een God die
veel kan, een God die eigenlijk alles kan. Een verdrietige God past niet goed in
ons straatje, die is te hulpeloos, te machteloos misschien. Maar
misschien is verdriet dé manier om in gedachten bij de geliefde te zijn,
misschien is verdriet ná een groot verlies wel de enige manier om de geliefde
voortdurend voor de geest te halen? Want als je echt verdrietig bent om het
verlies van een mens waar je veel van houdt, als je leven op zijn kop komt te
staan omdat je afscheid hebt moeten nemen, dan vormen de tranen het tastbare
bewijs van je liefde en maken de tranen voor anderen zichtbaar hoeveel je van
die mens houdt. Natuurlijk
kun je ook terugdenken aan wat er geweest is. De goede herinneringen en
misschien de moeilijkheden, de minder goede ervaringen. Dat is ook een manier om
de geliefde voor de geest te halen. Maar het geluk wat geweest is, de tijd die
je zo gelukkig samen hebt doorgebracht is voorbij. Voorgoed. Geen herinnering
kan die tijd echt doen herleven, zo krachtig is ons geheugen niet. Verdriet
is van een andere categorie. Verdriet grijpt diep in. Verdriet maakt een ander
mens van je. Een mens die kwetsbaar wordt, met een minder harde schil, een
minder stoere buitenkant. Verdriet maakt een mens van je die geraakt is, die
diep getroffen van binnen, treurt om een groot verlies. Verdriet
roept méér dan een ander gevoel liefde in je wakker, het laat de liefde
opborrelen, als een stroompje uit het zand. En door die liefde voel je pas de
pijn, voel je het gemis dat als een mes in je lichaam snijdt. De
tranen zijn hiervan de stille getuigen. Zij zeggen als het ware, dat er meer is
dan je ziet, dat er meer is dan je zou vermoeden. Zij zijn de getuigen van je
diepe, diepe liefde. Ze stellen de verloren, gestorven geliefde present.
Daardoor ben je dicht bij, is de geliefde die je zo mist, terug in je leven. Natuurlijk
zullen velen zeggen: omdat je van je geliefde houdt, ben je verdrietig; níet
omgekeerd. Maar misschien is het wel beiden, is het een zichzelf versterkend
proces. Liefde die verdriet geeft, verdriet dat liefde zichtbaar maakt. Zo
is het misschien ook met God en ons mensen. Ons verdriet dat liefde wakker roept
in God, en de liefde van God die ons verdrietig maakt omdat we opeens beseffen
hoeveel we tekort schieten, hoeveel pijn we elkaar aan doen als we de ander niet
zien staan. Als
God zich kwetsbaar opstelt, als God tranen huilt, dan wordt iets van echt
partnerschap zichtbaar - dan komt ook God meer tot zichzelf, wordt God meer God
in de mate dat de schepping en de mens meer beantwoorden aan de liefde van God.
Want zo simpel is het eigenlijk allemaal: als God ons uit liefde gemaakt heeft,
als wij schepselen zijn kinderen zijn, als wij uit God ontstaan, stukjes God met
ons mee dragen, dan kan onze liefde God troosten, God bevrijden van het verdriet
om ons. Dan
komt God door onze liefde tot zichzelf, dan komt de liefde waarmee hij ons
gemaakt heeft terug bij hem. Misschien is dat ook wel het grote geheim van ons
geloof: zo durven vertrouwen, zo je durven toe te vertrouwen aan God, dat de
liefde die wij ín ons meedragen contact maakt met de liefde van God buiten ons.
En dan weten, voelen, ervaren dat die liefde hetzelfde is, en dat verdriet een
sleutel kan zijn tot dit gevoel. En
niet alleen de verloren geliefde is dan dicht bij ons, maar alle verloren geliefden
raken dan aan ons leven en zijn wij opgenomen in die lange stroom van mensen in
de geschiedenis. Allemaal op hun eigen manier getuige van Gods' liefde en van
Gods' verdriet. Als tranen ons eens zover konden brengen...huilen met God!
Een
mens, een mier, een paardebloem, een steen, een hapje lucht - wat
is het verschil? Wat is hun wezen in de diepste kern? Vanuit
de chemie gezien, zijn
wij allemaal een combinatie van elementen; de
een wat meer, de ander wat minder... de
een wat ingewikkelder, de ander wat eenvoudiger. Een
mens bevat wat meer moleculen en atomen dan een mier, een
paardebloem is complexer dan een steen of een hapje lucht... Maar
als we sterven, worden we weer wat
we eens waren: losse atomen, verbindingen tussen
de oerelementen van deze aarde, dit heelal. Wij
zijn gemaakt uit het stof der sterren; onze
kosmos is één grote verzameling van elementen. Maar
wat is dan leven? Welke
combinatie van elementen geeft ons de mogelijkheid om
ons voort te planten, om met het stof, vanuit
het stof, meer te zijn dan
enkel stof? Dat
is een geheim, dat is een mysterie en
ook de wetenschap heeft dát nog niet opgelost. De
chassidim, (letterlijk 'de vromen') (een
groep Joden uit de 2e eeuw voor Christus, een
beweging die later veel navolging vond bij de Joden van
Oost-Europa - in de getto's -) zij
hebben een antwoord gevonden op deze vraag. Leven
komt, zo stellen zij, van God: Zijn
vonken, Zijn vuur brandt in ons allen, in
ons lichaam, in de mier, in de paardebloem en zelfs in
de stenen en de lucht. Alles
is door God bezield, 'bevonkt' geraakt, 'gemaakt'. En
diep in ons zitten deze vonken verborgen, in
de mier, de paardebloem, de rots en de wolk. Wij
kunnen deze vonk van God niet manipuleren, niet
doven, niet ontkrachten. Wat
we wel kunnen, is haar doen ontvlammen, als
het ware 'zuurstof' geven, haar
boven halen van onder het puin, van onder de geslotenheid. En
dat kunnen we enkel en alleen door daden van liefde. Onze
liefde reikt diep, tot in de kern van ons wezen, onze
liefde dringt door tot in de meest verborgen schachten van
onze ziel, zelfs in de meest 'dode' materie. Dat
is de kracht van de liefde! Liefde
die ook wij ontvangen uit het liefdesvuur van God. Slechts
vonken van liefde kunnen die diepste vonk van
leven, diep in ons binnenste, bevrijden, vrij
maken van het puin waarmee wij haar soms bedekken. Liefde
die liefde bevrijdt - dat is het geheim van het leven. "EN DE WERELD DRAAIT GEWOON VERDER..." Soms
zijn er in een mensenleven momenten waarop je wereld instort: je verliest je
kind tijdens de zwangerschap, of niet lang daarna, aan de wiegedood; je partner
zakt op straat in elkaar en ook de eerste hulp van haastig toegesnelde passanten
mag niet meer baten. Of
anders, maar vaak ook heel ingrijpend: Je
hoort via de radio dat je bedrijf waar je jarenlang het beste van je krachten
aan gegeven hebt definitief dicht gaat, omdat het faillissement voor de deur
staat en je weet dat er voor jou géén plaats zal zijn op de arbeidsmarkt omdat
je te oud wordt bevonden. Dat
is rampspoed, dat is een gevoel alsof je verzwolgen wordt door donkere golven
van een woeste koude zee. Niets om je aan vast te klampen, geen einder in zicht,
geen horizon met een andere, betere afloop! Bijna
niemand blijft gespaard voor de rampen van het leven - bijna elk mens krijgt op
zijn tijd grote tegenslagen te verwerken. Maar dat is slechts een schrale
troost, als je oog in oog staat met het ongeluk dat je treft. Want wat koop je
voor het lot van anderen? Wat deert jou de pijn van een ander nu je zo zwaar
getroffen bent? "Mijn God, mijn God, waarom heb je mij verlaten?" Kun
je dat nog stamelen? Of is ook dat teveel? En
het ergste is: 'je zou troost verwachten, helpende handen om je heen, een wereld
die naar je kijkt, die je bemoedigend toespreekt, die je ondersteunt en met je
mee leeft.' Maar wat gebeurt er? De wereld draait door, ze gaat verder en het
lijkt alsof er niets aan de hand is... Dat
doet misschien nog het meeste pijn, achteraf, als je terug kijkt, als je terug
durft te kijken naar die vreselijke tijd, dat grote ongeluk.
Waarom ging alles gewoon door? Waarom hield ook niet de wereld stil, toen
de pijn zo ondragelijk was dat je wel wilde sterven? Waarom, waarom? Je
wereld stortte in, je verloor alle grond onder je voeten, je bent gevallen, tot
op de bodem van de put van het leven. Dieper kon niet, want dieper kon je niet
vallen. En toen ben je weer begonnen om langzaam te klimmen, eerst aarzelend, je
merkte nauwelijks verschil. Maar met het verstrijken van de dagen, de maanden,
de jaren, heb je leren leven met de pijn. Is die diepe wonde nu een litteken
geworden, een herinnering aan die tijd. Eerst
niet, maar pas later zag je lichtpuntjes, mensen die om je heen stonden, die
ondanks de wereld die verder ging, op jou bleven wachten. Die je niet alleen
lieten klimmen uit die diepe diepe put. Dat heeft je gered.
Toen wist je dat niet, maar nu is dat duidelijk: een mens kan het níet alleen. De put is vaak te diep, om zonder ladder, zonder houvast van mensen te verlaten. Daarom weet dat wij allen ook ladder kunnen zijn, dat wij niet alleen passant in dit leven, maar ook Gods' hand kunnen zijn. Hoe zouden wij anders verder kunnen leven?
" Zwijg mij niet dood, maar praat mij tot leven" (Herwig Verleyen) Er
is nog plaats voor jou in onze woorden? Nu je weg bent gevallen uit ons leven? Er
is nog plaats voor jou in onze woorden, de
dagen dragen stilte voor je aan en
in de vlucht van meeuwen zit je
witte reis verpakt steeds
verder van ons weg steeds
minder vlees en bloed... W.
Verhegghe G.
Marcel schreef eens: "Iemand liefhebben, dat is zeggen: jij, jij zult
niet sterven...Instemmen met iemands dood, dat is in zekere zin hem aan de dood
overleveren". Dat is de macht, de kracht van onze woorden. Met onze woorden
kunnen wij mensen in leven houden, moed geven, hoop en vertrouwen. Met onze
woorden kunnen wij hen levend houden, levend onder ons, ook al zijn ze
gestorven. Vaak
is dat het enige dat ons nog rest: de geliefde doden een stem geven, zichtbaar
maken, onder ons laten voortbestaan. Dat kan op veel manieren. Door een foto,
een gedicht, een goede herinnering delen. Het kan vooral door plaats te maken in
onze woorden, onze taal, voor hen die er nu niet zijn, die er nooit meer zullen
zijn, die nooit meer kunnen zijn. Door
hen niet dood te zwijgen, hen niet te vergeten, niet te doen alsof zij nooit
bestaan hebben, alsof zij nu geen rol van betekenis meer spelen in ons leven.
Ook niet uit onmacht, ook niet als wij niet weten hoe wij met de dood moeten
omgaan. Dan is doodzwijgen het allerslechtste wat je kunt doen. Als
je het niet weet, hoe over de dode te spreken, als je niet weet, onzeker bent
hoe je het gesprek moet starten. Zeg dat dan, dat je onzeker bent, dat je geen
woorden hebt, dat je het niet weet, niet kunt. Dat is eerlijk. Dat is oprecht en
open. Daarmee stel je niet alleen kwetsbaar op, maar ook betrokken, daarmee laat
je in ieder geval zien dat je meeleeft, dat de ander die verdriet heeft je ter
harte gaat. Helemaal
niet reageren, doen alsof je neus bloedt, een omweg maken, het is niet alleen de
ander die verdriet heeft teleurstellen, maar het is ook een vorm van zelfbedrog.
Alsof het verdriet van de ander jou niets aangaat, alsof de overledene die je
misschien ook hebt gekend geen rol van betekenis meer speelt in dit leven. "Door
onzichtbare banden zijn wij het stevigst gebonden"
schreef de filosoof Friederich Nietszche. Misschien zijn wij als mensen allemaal
met elkaar verbonden met de banden van de liefde. Ook al kennen wij elkaar
niet, houden we niet expliciet van elkaar, toch is er een verbond, een
onzichtbare band, omdat wij allemaal uit de liefde van God zijn ontstaan. Zelfs
onze geliefde doden delen in dat verband, hangen vast aan ons door de liefde.
Het verdriet negeren, de overledene doodzwijgen is het ontkennen van die liefde,
is ten diepste ook het ontkennen van jezelf. Als de anderen dood voor jou zijn,
word je ook zelf meer en meer aangeraakt door de dood, verkil je, verspreid je
koude om je heen. Zwijg
me niet dood, praat me tot leven - doe mij herleven in je woorden. Zonder de
letterlijke vervulling van deze uitspraak was het christendom nooit mogelijk
geweest. Dan zouden wij als leerlingen van Jezus werkelijk niets in handen
hebben, zelfs niet een getuigenis. Geen bijbel, geen geloof, geen kerken, geen
mensen die Hem willen volgen op de weg van de liefde. Zo krachtig is het woord,
een woord ook aan ieder van ons gegeven.
|
|
|
de Rijn - collage 30 x 40 cm
Share |
canandanann 31-01-2012
|