|
|
In de tuin bij
het riviertje
wil de klaproos
niet meer bloeien
en het meisje
gaat niet meer
aan de
doorwaadbare plaats water halen.
In de tuin
verwelkt de hop
en wil niet
meer groen worden,
't blank
gezichtje met de zwarte wenkbrauwen
kijkt zo
triest.
Over de tuin
bij het riviertje
hangt diep de
weide,
het bleke
gelaat van het meisje
toont verdriet
en kommer.
Ach, het huilen
doet haar rillen
en uit haar
hart breekt een snik,
maar over het
klagende meisje moet de jongeman lachen.
Geloof het
niet, m'n liefste,
wanneer ik, in
een vlaag van droefheid,
zeg, dat ik
niet meer van je houd.
Na eb keert de
zee immers steeds weer
liefdevol terug
naar de kust.
Ik verlang naar
m'n vroegere passie;
ik sta opnieuw
mijn vrijheid aan je af.
Van ver keren
de golven steeds weer terug naar de oevers waarvan ze houden.
GEEN
WOORDEN, GELIEFDE, NOCH ZUCHTEN
Geen woorden,
geliefde, noch zuchten,
laat ons
zwijgzaam zijn,
zo zwijgzaam en
eenzaam als de treurwilg,
die zich buigt
over de grafsteen.
Evenals hem
buig ik m'n hoofd
en zie ik mijn
zieke hart
de dagen van
geluk en schoonheid,
die nu slapen
in het graf.
O zachte smart!
Wanneer de
eerste gevoelens van verliefdheid ontluiken,
ben je eerst
opgewonden,
het hart is vol
verwachting.
De ene keer sta
je in vuur en vlam,
dan weer
verbleek je!
Het
onvermijdelijk moment breekt aan,
het moment van
de eerste ontmoeting.
Bevend, en meer
dood dan levend,
luister je
angstig naar de vurige liefdesverklaring,
die je verwart
en een beklemmend gevoel geeft.
Je zoekt naar
woorden, die je hart je ingeeft,
woorden, die
zeggen, dat je van hem houdt,
dat hij de
enige ware is!
Je houdt echter
je mond,
je bent bang!
Veel later,
wanneer het t‚ laat is,
en de ziel
verzwakt en uitgeblust is,
verdwijnt de
angst;
tevergeefs en
bevrijd realiseer je je,
dat er helaas
niemand is,
die je
liefdesverklaring kan horen.
Waarom buig je
je lieflijke blonde hoofd?
Huil niet, je
bent me dierbaar,
maar mijn
liefde is als een diepe zee,
die buiten haar
oevers wil treden,
de haar
opgelegde grenzen verachtend.
De bittere
smart der aarde is geen traan waardig;
spoedig zullen
we haar ontvluchten.
Als we vredig
sterven en alle verdriet van dit leven vergeten,
zal een
oprechte liefde ons verenigen.
Waarom is de
kleur der rozen zo flets,
allerliefste,
kun je me dat vertellen?
Waarom zijn de
oogjes van de viooltjes
in het gras nat
van tranen?
Waarom klinkt
met droeve toon
het lied van de
leeuwerik uit de lucht?
Waarom ruist de
wind door de bomen,
alsof het
klagende stemmen zijn?
Waarom kijkt de
zon zo koud en lusteloos
neer op het
bos?
Waarom is de
aarde zo grauw en bar,
waar ik ook
kijk?
En waarom ben
ik zelf zo verdrietig?
Waarom zie ik
alles door tranen?
Zeg waarom,
allerliefste, spreek,
waarom heb je
mij verlaten?
ALLEEN
DEGENE DIE WEET WAT VERLANGEN BETEKENT
Alleen degene
die weet wat verlangen betekent,
weet hoezeer ik
moet lijden!
Alleen, en
gescheiden van alle vreugd'
zie ik op naar
het firmament, naar gene zijde.
Ach, die van
mij houdt en mij kent,
is verre van
mij.
Ik word er
duizelig van, ik brand van binnen.
Alleen degene
die weet wat verlangen betekent,
weet hoezeer ik
moet lijden!
De duisternis
doet de goudomwonden randen
van de
Alpujarra verdwijnen.
Volg het geluid
van de gitaar, liefje, kom naar buiten!
Als iemand het
waagt je te prijzen, een ander dan ik,
dan zal hij dat
eerst met mij moeten uitvechten.
Dan, dan treft
hem een degensteek!
Door de twijgen
glanst het maanlicht reeds.
Nisetta,
verschijn op het balkon!
Van Sevilla tot
Granada klinkt in de nacht
degengevecht en
een serenade.
Zo wordt de
macht van de liefde ge‰erd.
Voor de mooie
vrouwen klinken vele liederen
en vloeit ook
bloed.
Doch voor de
heerlijkste van allen,
voor haar, voor
haar geldt mijn lied,
mijn bloed en
eigendom.
Door de twijgen
glanst het maanlicht reeds.
Nisetta,
verschijn op het balkon!
'T
WAS IN DE EERSTE LENTESTRAAL
't Was in de
eerste lentestraal.
Het gras was
nauwelijks ontsproten,
in het dal was
nog geen drukkende hitte merkbaar,
de beekjes
stroomden levendig.
De fluit van de
jonge herder klonk nog niet in de ochtend,
de viooltjes
hielden zich nog schuchter verborgen.
Dat was in de
eerste lentestraal, in de schaduw van de berk,
waar wij voor
de eerste keer over de liefde spraken.
Toen ik je zei:
"Mijn hart is van jou", sloeg je je ogen neer.
O wereld! O
bos! O zonneschijn! O jeugd!
Kwam je maar
terug!
Toen ik je zo
zag, verdwenen de tranen uit mijn gezicht.
't Was in de
eerste lentestraal,
't gebeurde in
het woud.
Tranen, jullie
zal ik nooit vergeten.
Tranen, dromen.
O woud, o
wereld, o zonneschijn, geurende schaduwrijke bomen.
TEMIDDEN
VAN HET BRUISENDE BAL
Temidden van
het bruisende bal,
in het ijdele,
wereldse gedrang, zag ik jou.
Een geheim
bedrukte echter je peinzend gelaat.
Je heldere ogen
keken vol weemoed,
maar je stem
klonk als zilver, als het spel van de golven,
als de klank
van schalmeien uit de verte.
Je leek in
gedachten verzonken,
je slanke
verschijning zo mooi.
Je lach,
versmolten tot parels,
weerklinkt
sindsdien in mijn hart.
In eenzame
nachtelijke uren ga ik graag liggen.
ik zie dan die
treurige ogen,
ik hoor het
vrolijke gesprek.
Maar treurig
sluimer ik in en heb ik onbekende dromen.
Of ik van je
houd, weet ik niet,
maar ik denk
het wel.
O kon ik je
wrange leed, het verdriet, dat je onderdrukt, nog maar eenmaal vergeten.
O kon ik je,
net als toen ik zo gelukzalig naast je zat, nog eens zien.
Nog steeds
worden je ogen vochtig van verdriet.
Zul je het
verdriet niet meer kwijtraken,
zoals de
stormen door de lente verdreven worden,
zoals de
wolken, die gehaast naar de horizon vluchten?
O kon ik je,
net als toen ik zo gelukzalig naast je zat,
nog eens zien.
Al is mijn graf
met koude aarde en een steen bedekt,
mijn ziel
vertoeft toch bij jou!
Liefde, smart
en liefdesverdriet stierven niet.
In het bestaan
van rust en vrede leeft alles voort.
Toen ik op dat
vurige tijdstip overleed,
hoopte ik op
een eeuwige scheiding.
Dat gebeurde
echter niet.
Wat moet ik nu
in dit Heilige Rijk,
terwijl het
aardse verdriet, het verlangen,
me nooit zal
verlaten?
Een hersenschim
streelt mijn gevoelens.
Zoals eertijds
volgt na verbittering, slechts teleurstelling.
Zoals vroeger
zie ik je koele blikken, je stralende ogen,
zoals vroeger
beeft mijn ziel in stil verdriet.
De woorden die
ik eens hoorde, hoor ik nog.
De hoop die je
bij me vernietigde, stierf echter niet.
Hoezeer gloeit
het morgenrood,
de zon zal
weldra stralen.
Luister, de
nachtegaal zingt zijn welluidend lied.
Steeds feller
en feller gloeit het morgenrood.
Aanschouw, hoe
de nevel boven de rivier omhoog stijgt.
Rondom de
weidebloemen stroomt de geur,
en in het gras
schittert de dauw als zilver.
Aanschouw, hoe
de nevel boven de rivier omhoog stijgt.
Gebogen over de
golven fluistert zacht het riet,
en de weiden
rondom zijn zo onbeweeglijk en stil; ach!
Hoe blij ik
ben, en opgewekt, hoe de borst vrij ademt!
En spreek zo je
gebed, bid nu
en haast je dan
flink aan het werk.
Waarheen ga je,
ochtendzuchtje, zoete wind,
zojuist
ontluikt, frisse adem van een mooie dag?
Waarheen ga je,
ontrouw briesje,
als de ruisende
bladeren lijken te trillen van liefde?
Ga je naar het
dal, beneden, in de verwilderde top
van een wilg,
waarin de houtduif slaapt?
Achtervolg je
de helderrode bloem, of de vlinder,
gewekt door de
gouden ochtendgloed?
Ochtendzuchtje,
ga liever m'n geliefde wiegen:
breng naar haar
welriekend bed de geur van bos en mos,
en enkele
woordjes, lieflijk als de rozen in mei.
De zon scheen
nog steeds.
Ik had het
grote bos willen terugzien,
waar wij
vroeger wandelden, vol liefdesgloed.
Ik zei tegen
mezelf: "Op deze weg zal ik haar zonder twijfel
weervinden;
mijn hand zal zich naar haar hand uitstrekken
en wij zullen
samen de weg vervolgen."
Ik kijk overal:
tevergeefs!
Ik roep! En
alleen de echo hoort me!
Ach, arme bleke
zon!
Ach, arme bos
zonder vogelgezang!
Ach, m'n arme
liefde, wat jammer!
Zo snel
verloren in de vergetelheid!
Ik houd van het
stralende heldere morgenrood:
het is de
weerspiegeling van jouw mooie ogen;
ik houd van het
vroege gezang van de vogels:
het is de echo
van jouw blijde lach.
Ik houd van de
vredigheid der leliën:
het is jouw
serene rust,
hun reinheid
jouw blanke gelaat;
ik houd van de
geur van de rozen, als van je adem
en van hun
frisheid, jouw frisheid.
Ik houd van de
zee, door eb en vloed bewogen:
het is je
kinderlijke wispelturigheid
en ik houd van
de lange klaagzang van de wind
als het zuchten
van je trillend hart.
Ik houd van de
felle zonnestraal die oplicht als de
trotse
hartstocht, wiens vlam aan jouw hart likt
en ik houd van
het kuise donker van de nacht:
het is de
bekoorlijke eerbaarheid van je geest.
Ik houd van de
ontluikende lenteknoppen:
zij zijn de
dwaasheid en de verwachtingen van je jeugd
en het vage
vallen van de avond is als de zachtheid
van jouw
melancholie, waarvan ik houd.
Wat doet het
ertoe, dat de winter het licht dooft
van de tanende
zon aan het trieste firmament?
Ik weet waar ik
de schitterende stralen van een
dageraad, veel
mooier dan die aan de hemel, nog kan vinden.
In jouw ogen,
geliefde.
Wat doet het
ertoe, dat de winter zonder mededogen de benevelde geuren van de
vergane lentes
heeft verwaaid?
Ik weet,
ondanks de snijdende wind, een nietverwelkte prachtig
bloeiende roos
te vinden.
O, mijn
liefste, in jouw hart.
Dit stralende
licht, dat de donkerste nacht trotseert
en steeds
helder en puur uit je ogen schijnt;
deze immer
geurende bloem, die in je hart opgesloten
en de zomer zal
overleven,
zij maken jouw
schoonheid, mijn allerliefste.
Als jullie
kalmte brengen na zoveel beroering,
als jullie mijn
kwetsuren met vergetelheid bedekken,
als jullie
zachtjes mijn wonden wassen,
o, tranen, dan
stroom!
Maar als
jullie, zoals toen, verscheuren
en knagen aan
een reeds gepijnigd hart,
vergroot dan
niet de smart, spaar mijn oogleden,
o tranen, laat
me met rust.!
Ja, laat me met
rust! Mijn pijn wordt steeds schrijnender.
Jullie hebben
lang vervlogen dromen weer opgeroepen,
heb medelijden!
Gun mijn stervende geest de rust!
Tranen, stroom
niet, stroom niet!
Pastoral
- Charles Cotton (1630-1687) The day’s
grown old; the fainting sun Has but a
little way to run, And yet his
steeds, with all his skill, Scarce lug the chariot down the hill. The shadows
now so long do grow, That
brambles like tall cedars show; Mole hills
seem mountains, and the ant Appears a
monstrous elephant. A very
little, little flock shades
thrice the ground that it would stock; Whilst the
small stripling following them Appears a
mighty Polypheme. And now on
benches all are sat, In the cool
air to sit and chat, Till
Phoebus, dipping in the West, Shall lead
the world the way to rest.
Nocturne
- Alfred Tennyson (1809-1892), "Blow,
Bugle, blow". The
splendour fans on castle walls And snowy
summits old in story: The long
night shakes across the lakes, And the
wild cataract leaps in glory: Blow, bugle,
blow, set the wild echoes flying, Bugle,
blow; answer, echoes, dying, dying, dying. 0 hark, 0
hear how thin and clear, And
thinner, clearer, farther going! 0 sweet and
far from cliff and scar The horns
of Elfland faintly blowing! Blow, let
us hear the purple glens replying: Bugle,
blow; answer, echoes, dying, dying, dying. 0 love,
they die in yon rich sky, They faint
on hill or field or river: Our echoes
roll from soul to soul And grow
for ever and for ever. Blow, bugle,
blow, set the wild echoes flying, Bugle,
blow; answer, echoes, dying, dying, dying.
Elegy
- William Blake (1757-1827) 0 Rose,
thou art sick! The
invisible worm That flies
in the night, In the
howling storm, Has found
out thy bed Of crimson
joy: And his
dark secret love Does thy
life destroy. This ae
nighte, this ae nighte, Every
nighte and alle, Fire and
fleete and candle-lighte, And Christe
receive thy saule. When thou
from hence away art past, Every
nighte and alle, To
Whinnymuir thou com'st at last; And Christe
receive thy saule. If ever
thou gav'st hos'n and shoon, Every
nighte and alle, Sit thee
down and put them on; And Christe
receive thy saule. If hos'n
and shoon thou ne'er gav'st nane, Every
nighte and alle, The winnies
shall prick thee to the bare bane; And Christe
receive thy saule. From
Whinnymuir when thoU may'st pass, Every
nighte and alle, To Brig 0'
Dread thoU com'st at last; And Christe
receive thy saule. From Brig
0' Dread when thou may'st pass, Every
nighte and alle, To
Purgatory fire thou com'st at last; And Christe
receive thy saule. If ever
thou gav'st meat or drink, Every
nighte and alle, The fire
shall never make thee shrink; And Christe
receive thy saule. If meat or
drink thou ne'er gav'st nane, Every
nighte and alle, The fire
will burn thee to the bare bane; And Christe
receive thy saule. This ae
nighte, this aenighte, Every
nighte and alle, Fire and
fleete and candle-lighte, And Christe
receive thy saule. Queen and
huntress, chaste and fair, Now the sun
is laid to sleep, seated in
thy silver chair, State in
wonted manner keep: Hesperus
entreats thy light, Goddess
excellently bright. Earth, let
not thy envious shade Dare itself
to interpose; Cynthia's
shining orb was made Heav'n to
clear when day did close; Bless us
then with wished sight, Goddess
excellently bright. Lay thy bow
of pearl apart, And thy
crystal shining quiver; Give unto
the flying hart space to
breathe, how shot so-ever Thou that
mak'st a day of night, Goddess
excellently bright.
Sonnet
- John Keats (1795-'82') O soft
embalmer of the still Shutting
with careful fingers and benign, our
gloom-pleas'd eyes, embower'd from the light, Enshaded in
forgetfulness divine: O soothest
Steep! if so it please thee, close In midst of
this thine hymn my willing eyes, Or wait the
"Amen" ere thy poppy throws Around my
bed its lulling charities. Then save
me, or the passed day will shine Upon my
pillow, breeding many woes, - Save me
from curious Conscience, that still lords Its
strength for darkness, burrowing like a mole; Turn the
key deftly in the oilèd wards, And seal
the hushèd Casket of my Soul. t. P. Jacob; onbekende vertaler m. G. de Courreges
Refrein: Comme un souffle fragile Als een breekbare adem ta parole se donne geeft je woord zich comme un vase d’ argile als een vaas van klei ton amour nous façonne. vormt je liefde ons.
Ta parole est murmure Je woord is gefluister comme un secret d’ amour. als een liefdesgeheim. Ta parole est blessure Je woord is verwonding qui nous ouvre le jour. die het daglicht voor ons ontsluit.
Refrein.
Ta parole est naissance Je woord is geboorte Comme on sort de prison zoals iemand zijn gevangenis verlaat. Ta parole est semence Je woord is zaad qui promet la moisson. die de oogsttijd belooft.
Refrein.
Ta parole est partage Je woord is verdeling comme on coupe du pain. als een snee van het brood. Ta parole est passage Je woord is doortocht qui nous dit un chemin die ons een weg wijst.
Refrein. Gewölkzerreisst; vorn glühenden Himmel her Int taurnelndes Licht über geblendete Taler. Mitgeweht vom föhnigen Sturm Flieh ich mit unermüdetem Schritt Durch ein bewölktes Leben. Oh, dass nur immerfür Augenblicke . Zwischen mir und dem ewigen Licht Gutig ein Sturm die grauen Nebel verweht! Fremdes Land umgibt mich, Losgerissen treibt von der Heimat fern Mich des Schickals mächtige Woge umher. Jage die Wolken, Föhn, Reisse die Schleier hinweg, Dass mir Licht auf die zweifelnden Pfade falle!
Wolkendek breekt open; vanuit de gloeiende hemel Dwaalt tuimelend licht over verblinde dalen. Meegeblazen door de warme storm Vlucht ik met onvermoeide pas Door een bewolkt leven. O, dat toch steeds weer voor ogenblikken Tussen mij en het eeuwige licht Goedig een storm de grijze nevelen uiteen blaast! Vreemd land omringt mij, Losgescheurd jaagt, ver van mijn thius De machtige beweging van het lot mij voort. Verjaag de wolken, warme wind, Ruk de sluiers weg, Opdat licht op de twijfelen,de wegen valt!
Immer wieder tröstlich Und immer neu in ewiger Schöpfung Glanz Lacht mir die Welt ins Auge, Lebt und regt sich in tausend atmenden Formen, Flattert Falter im sonnigen Wind, Segelt Schwalbe in seliger Bläue, Strömt Meerflut am felsigen Strand. Immer wieder ist Stern und Baum, Ist mir Wolke und Vogel nahe verwandt, Grüsst mich als Bruder der Fels, Ruft mir freundschaftlich das unendliche Meer. Unverstanden führt mich mein Weg Einer blau verlorenen Ferne zu, Nirgend ist Sinn, nirgend ist sicheres Ziel - Dennoch redet mir jeder Waldbach, Jede summende Fliege von tiefem Gesetz, Heiliger Ordnung, Deren Himmelsgewölb' auch mich überspannt Deren heimlichesTönen Wie im Gang der Gestirne so auch in meines Herzens Taktschlag klingt
Steeds weer troostrijk En steeds nieuw in de glans van de eeuwige schepping Lacht de wereld mij toe, Leeft en beweegt in duizend ademende vormen, Fladdert vlinder in de zonnige wind, Zeilt zwaluw in het zalige blauw, Stroomt zeewater aan het rotsachtige strand. Steeds weer is ster en boom, Is mij wolk en vogel eng verwant, Groet mij als broeder de rots, Roept mij vriendschappelijk de oneindige zee. Onbegrepen voert mij mijn weg Naar een blauwe, verloren verte, Nergens is zin, nergens is een zeker doel - Toch spreekt elke bosbeek: Elke zoemende vlieg mij van de diepe wetmatigheid, Van de heilige ordening, Wier hemelgewelf ook mij omspant Wier verborgen klank, Zoals in de gang van de sterren Zo ook in het ritme van mijn hart klinkt.
Traum gibt, was Tag verschloss; Nachts, wenn der Wille erliegt, Streben befreite Krafte empor, Göttlicher Ahnung folgend. Wald rauscht und Strom, und durch den regen Seele Nachtblauen Himmel Wetterleuchten weht. In mir und ausser mir ist ungeschieden, Welt und ich ist eins. Wolke weht durch mein Herz, Wald traumt meinenTraum, Haus und Birnbaum erzählt mir Die vergessene Sage gemeinsammer Kindheit. Ströme hallen und Schluchten schatten in mir, Mond ist und bleicher Stern mein vertrauter Gespiele. Aber die milde Nacht, Die sich über mich mit sanftem Gewölke neigt, Hat meiner Mutter Gesicht, Küsst mich lachelnd in unerschöpflicher Liebe, Schuttelt träumerisch wie in alter Zeit Ihr geliebtes Haupt, und ihr Haar Wallt durch die Welt, und es zittern Blass aufzuckend darin die tausend Sterne.
Droom geeft, wat dag verborgen hield; 's Nachts: wanneer de wil zich buigt Reiken bevrijde krachten omhoog, Goddelijke intuïtie volgend. Woud ruist en stroom, en door de beweeglijke, ziel Nachtblauwe hemel waait het weerlicht. In mij en buiten mij Is niet gescheiden, wereld en ik is één. Wolk waait door mijn hart, Woud droomt mijn droom., Huis en perenboom vertelt mij De vergeten sage van gemeenschappelijke jeugd. Stromen weerklinken en kloven werpen schaduw in mij, Maan is en bleke ster mijn vertrouwde speelkameraad. Maar de milde nacht, Die zich over mij met zachte wolken buigt, Heeft het gezicht van mijn moeder, kust mij glimlachend in onuitputtelijke liefde, Schudt dromerig als in oude tijden Haar geliefde hoofd, en haar haar Golft door de wereld, en bleek oplichtend Trillen daarin de duizend sterren.
Herman Hesse - vertaling: Irene van Ommering
All'altrui spese, donzelle, imparate, All'altrui spese imparate, donzelle, Per non aver a dir piangendo poi: Triste, malmaritate!
Quant'era me' per noi! Chiuderci per le celle, Scavezzarci le chiome, Mutarci abito e nome, Vestir nero, bigio o bianco, Arrandellarci 'l fianco Di cordigli e di cuoi Quant'era me'per noi!
Quant'era me'per noi Levarci a'mattutini, Dar mano a'lumicini Prima che canti'l gallo! Cacciarci in un Bigallo, Entrare in un Rosano, Metterci in un Majano, Al Portico, al Boldrone Darci, o'n Pian di Mugnone Farci vestir a Lapo, O ver ficcare'l capo 'N un Monticel di buoi
Quant'era me'per noi! Pero imparate E pensateci ben ben ben ben prima, Che'non vi s'abbia a dir poi: lima, lima.
Koor van ongelukkig gehuwde vrouwen Leer van andermans fouten, meisjes Leer, meisjes, van andermans fouten Om straks niet te hoeven zeggen: Wij droevigen, ongelukkig gehuwden!
Hoeveel beter zou het voor ons zijn geweest! Ons in kerkers op te sluiten. De haren uit het hoofd te trekken Te veranderen van kleding en naam Zwart, grijs, of wit te gaan dragen Onze zij te striemen Met koord en leren riemen Hoeveel beter sou het voor ons geweest zijn!
Hoeveel beter zou het voor ons geweest zijn Om. op te staan voor zonsopgang, Kaarsjes ter hand te nemen, Nog voordat de haan kraait! Om ons te verstoppen in Bigallo, In te treden in Rosano Ons te plaatsen in Majano, In Portico, in Boldrone Ons te begeven naar Makte van Mugnone Ons in Lapo te laten kleden Of onze kop te steken In een berg koeienstront
Hoeveel beter zou het voor ons geweest zijn! Maar leer ervan en denk er eerst goed, goed, goed aan, Zodat men straks niet zegt: sliep uit, sliep uit!
Michelangelo Buonarroti il giovane (1568-1642) Chi imparar vuole a tòr moglie Mastri esperti eccoci qui; E diciam che chi la toglie Dato aver vedrà in duo dì 'N una diavolo infernale, 'N una zucca senza sale.
Me ne stetti al detto altrui: Un buon uom mi disse: "Fa"; h minchion, minchion ch'io fui! Inciampai (e ben mi sta) 'N una diavola infernale, 'N una zucca senza sale.
Ohimè! Chè per bellena Ch'era tutta frondi e fior Colsi poi frutti d'asprena M'incontrai, ebbro d'amor, 'N una diavola infernale, 'N una zucca senza sale.
Zie, sorelle, madri e nonne Lo staranno a inzipillar E dieci altre mone Cionne Per finirlo d'affogar 'N una diavola infernale, 'N una zucca senza sale.
Koor van ongelukkig gehuwde mannen Wie wil er leren een vrouw te kiezen? Hier zijn. wij, deskundige meesters! En we zeggen je dat hij die er een neemt, Na slechts twee dagen zal vinden Dat hij zich aan een helse duivelin, Een kip zonder kop heeft gegeven.
Ik hield me aan andermans advies: Een goede man zei me: "Doe 't!" Ach, sukkel, sukkel die ik ben geweest! Ik struikelde (eigen schuld, dikke bult) Over een helse duivelin, Een kip zonder kop.
Arme ik! Want wat een schoonheid die ze was, een en al sier en bloesem. Later kon ik de zure vruchten plukken.
Ik trof, dronken van liefde, Een. helse duivelin, Een kip zonder kop. Tantes, zusters, moeders en oma's zullen hem net zo lang blijven kwellen,," Samen met nog tien anderen vrouwen, Tot hij uiteindelijk verdrinkt In een helse duivelin, Een kip zonder kop.
Michelangelo Buonarroti il giovane (1568-1642)
Cor meum est templum sacrum Sanctius quam etiam mente concipiam Sapientius quam etiam mea labra loqui possint Fons mysterii et gratiae. Cor meum primo tu creavisti vero Et multis cum mirandis complevisti. Quod fingens cum manibus tuis formasti Et simul cum spiritu tuo tetigisti. Cor meum in tempestavistate sua mihi se detegit Et aurea venustate flumina Fluentia monstrans Me ad itinera infiniti splendoris abscondita perducit. Tranquillitas tua expectantem tempus eius me tangit. Et cor meum tuum ut domum ubertim et perplexum fecisti, Ut aedem sapientiae ultro intelligentiam meam formasti Ut templum gratiarum et mysteriorum cum tuis manibus finxisti.
Translated into Latin by Edward J. Vodoklys, S.J.
My heart
My heart is a holy place Wiser and holier than I know it to be Wiser than my lips can speak A spring of mystery and grace. You have created my heart And have filled it with things of wonder. You have sculpted it, shaped it with your hands Touched it with your breath. In its own season it reveals itself to me It shows me rivers of gold Flowing in elegance And hidden paths of infinite beauty. You touch me with your stillness as 1 await its time. You have made it a dwelling place of richness and intricacies Of wisdom beyond my understanding Of grace and mysteries, from your hands.
Patricia Van Ness
Haru sarikureba Naka-zarishi Tori mo kinakinu Saka-zarishi Hana mo sakeredo Yama o shigemi Irite mo torazu Kusabukami Torite mo mizu Akiyama no Konoha o mite wa Momichi o ba Torite so shinofu Aoki o ba Okite so nageku Soko shi urameshi Akiyama so are wa
Princess Nukata (seventh century), Manyoshu 1/16
Long hidden deep in winter's keeping Spring bursts forth from its slumber. The once-silent birds Commence their song. The incipient buds Now bloom in bright array. Yet in the hills the growth is so thick with trees Our delights are out of reach. So thick the weedy grass We cannot find the flowers to pick them. But in the hills in the autumn-time We gaze upon the rich-colored foliage. The leaves of brightest gold Longingly we take for picking. The stubborn leaves that are still green Regretfully we leave behind. There is a melancholy in our delight: Oh, the beauty of the golden hills!
Translation: Jackson Hill
To see a World in a Grain of Sand, Alleluia He who kisses the joy as it flies,
And a Heaven in a Wild Flower, Alleluia Lives in Eternity's sunrise.
Holy Infinity in the palm of your hand, Aeluia He who kisses the joy as it flies,
And Eternity in an hour, Alleluia Lives in Eternity’s sunrise.
From “Auguries of Innocence” 1800-10 and ”Eternity“ 1793-99 William Blake (1757-1827)
Pour voir un monde dans un grain de sable, Alléluia celui qui embrasse la joie au vol,
et le ciel dans une fleur sauvage, Alléluia vit dans les limbes de l'Éternité.
Tiens l'lnfini dans la paume de ta main, Alléluia celui qui embrasse la joie au vol,
et l’Éternité en une heure, Alléluia vit dans les limbes de l’Éternité.
Eine Welt in einem Sandkorn sehen, Alleluja Wer die Freude im Fluge küsst,
Und einen Himmel in einer wilden Blume, Alleluja Lebt im Morgenglanz der Ewigkeit
Bewahre die Unendligkeit in deiner Hand, Alleluja Wer die Freude im Fluge küsst,
Und die Ewigkeit in einer Stunde, Alleluja Lebt im Morgenglanz der Ewigkeit.
|
|
|
de Rijn - collage 30 x 40 cm
Share |
canandanann 31-01-2012
|