|
|
Veertien sonnetten voor een engel in Hengelo
B. Breytenbach
1. Dankbaar voor de dromen, voor de vlag van het duister die wappert in de nacht zonder wind, dankbaar om weg te glijden naar het bekende onbekende, om vrij
als een ontheemde te reizen door ondergrondse zalen door sterrenruimten waar geurige kralen en kaarsen schitteren, langs verhalen in stenen met herinneringen, verbeeld achter gesloten ogen,
om wijn te drinken, om vlees te eten in een mond zonder tong, en tegen de muren de gelakende onverwoorde verzen als scherven
van angst en verlangen uit te spreken, om te weten dat Grootdroom de boom aan de zoom van de eeuwige uren, die door zijn vruchten steeds weer sterven mag, doet groeien.
2. Wanneer het zwaarmoedige lichaam van je voorgeslacht, van alle herinneringen gewassen in het lijkenhuis, slechts met het zoomloos slavenkleed bedekt,
schouderhoog als een vlot dobberend op een getij van betovering, wordt weggedragen naar de laatste beenderakker
ter bestelling als stoffelijk overschot -- vlees tot stof (of gras) en vogelgeluiden , ' met de stank van verrotting
in je neus, dan blijf jij, achter: vlekkeloze gevleugelde van mijn verhaal als een vuur vermompeld onder woorden.
3. Wat is bewustzijn eigenlijk anders dan het vernachten van het bekennen? En het bekennen, dan de glijval van dezelfde woordwordende slang, in een doek :
geknoopt, als een blinde tekst spartelend in al zijn onmacht op zoek naar verboeking van licht? Voor het aannaaien van betekenis is een gedicht waarschijnlijk te licht in de broek.
Want zoals mijn hemel van ijzer is, zo ben ik zelf van steen, zonder een schaduwspoor op mijn pagina's. Wat is schrijven anders dan slechts
het zwijgzware slepen met een armzalige hand op de maat van de parende slang? Wie geeft het gedicht een gezicht in deze drieste dorre tijden?
4. O Heer van de Rokende Spiegel, als ik van onmacht en verscheurdheid huil, druk jij dan als troost je lippen op. mijn voorhoofd? En als. ik de klank in mijn keel verlies of blind word in mijn ogen, en jouw breekbare profiel mij in het platte glas ontgaat,
leg je dan je hand op mijn hand leid je mijn schrijven van vlekken tot op de plek van de verslinding, zodat ik voor de laatste maal geloven mag dat de enige manier om te vergaan is door te beseffen dat het ik nooit heeft bestaan om te amuseren of om voor de gek te houden?
Is het ademrijm er alleen maar als vloek om elke schijn van een voleinding te bezweren?
5. Boven de melaatse gebouwen van het kleine vliegveld cirkelen de eerste roofvogels al loom op de wind -- elk is een dwarrelgedachte, een flard van een brief zonder afzender noch bestemming. Flamboyanten vatten vlam. Soldaten in camouflagepak staan paraat. Over de weg waar aan beide kanten krottenlabyrinten beginnen, scharrelt een mager varken rond en daar loopt ook een ezeltje dat al is uitgeput van het voorspel van alweer een snikhete dag. Door een beslagen bril prevelbidt een oude man met blauwe lippen Koraanse arabesken. In het heilig woud hurken mensen bijeen die tongklappertandend met voorouders onderhandelen om de cirkels van de roofvogels te mogen lezen. Zo, precies zo las men ooit gedichten met wat ze in- en uitdrukken.
6. Er komt een man op mij af, hij vraagt me: 'Ik heb een tragische kijk op het leven -- wat moet ik doen? Kunt u me helpen?' Ik zeg: 'Meneer, het enige dat ik u wellicht raden kan is om elke dag een sonnet te prakkiseren voor een engel. Vertel hem of haar over uw pijn. Laat uw woorden paren, laat ze zich vermenigvuldigen, en vervlecht ze in een regel klinkers waarmee u kunt proberen het uitingslijk te knopen om de nek van uw gespreksgenoot, en die als wering tegen klaagzangen van ezels op te hangen.
7. De duiven op het zinken dak van het Flamboyant Hotel in Ziguinchor die; nog voor de dag over de apenbroodboom en de brede stroom losbreekt, al ritselen en koeren, zijn dezelfde duiven als van honderd verzen her op het zinken dak van Paradys, mijn huis in Montagu, toen een opkomende zon over de bergkammen tuimelde en het gebladerte bewoog. Zij trippelden met dezelfde tsjierp-tsjierp schraapgeluiden, precies zo hielden ze hun kopjes schuin om nieuwsgierig schuw te turen naar waar ik in de schemerige binnenplaats op mijn hurken wachtte op berichten. Over het donkere verleden van honderd nachten vlogen zij heen met hun vuurrode oogjes om mij iets te zeggen. Maar hoe wisten ze mij hier te vinden?
8. Wat is bewegen anders dan het scheppen van verwantschappen, dan het voelen dat landschappen bestaan en een omgeving? Als er iets bestaan kan buiten mij om, iets aan de keerzij van de ruiten die de vingertoppen kunnen raken om op de doeken
over te brengen, dan moet dat toch betekenen dat ik besta? Gesteld dat ik mijzelf verbeelden kan -- het leven immers groeit en taant -- zijn er dan geverfde schuiten vol met lachende mensen als tranen tegen de ruiten, en lees ik daar mijn naam als een wimpel op de maan?
O, engel, die als flakkerend duister tussen Licht en ooglid vliegt over de getijden van het hemelruim met mijn gezicht: praat toch met mij, laat mij als diepleefduiker naar het wrak omlaag gaan om te zien hoe woorden rammelen als scharminkeltaal.
9. Overal ben ik met hem samen, met Jan Afrika -- ik lig naast hem in bed, reis naar de onderwereld met hem om zijn dromen te dromen, net als hij schrik ik als hij wijst naar de kraaien die de lijken aan flarden plagen op zoek naar het geheim van ontbinding. Ik maak hem wakker, kam zijn haar, slurp zijn koffie, help de nacht die oud is weg te dragen om haar bloot te stellen aan het licht. We betreden landschappen en straten en vergane visioenen, we wegen onze adem als de kikker kwaakt. (Ook houd ik zijn hand vast en leid die als hij woorden van bestaan aan het papier wil toevertrouwen, en met diezelfde hondenhand streel ik stout zijn vrouw haar rondingen, want die is koud.)
Pas als hij blind naar zijn weerkaatsing in de spiegel staart, weet ik alles weer, zoals bij zijn geboorte: dat verdomde masker van vlees is vergeten hoe ik heet.
10. Wanneer de nacht wordt geleegd van het bloed van het donker ~ en je de zware adem van de branding tegen het land ho06 woeden alsof die een windvlaag is zonder beweging ' (op de zeebodem drijven wrakken en dode walvissen en wolken. als de afgedreven nageboorten van dromen rond) en er verder op zee een schip dringend een waarschuwing loeit voor de gevaren van onbekende tradities en reizen, en roofvogels, aangetrokken door de honger, al hoog tegen de zilveren hemel patronen spellen, en paarse rode witte oranje papierbloemen in een oogwenk kleuren brengen, want die horen bij het licht, nu kraaiend begroet door de rillende haan met een vlag in zijn keel -- dan weet je niet meer hoe je vuur kon ontsteken uit het bergenland tot hier in de vervreemding van het leven, en je wacht tot je ogen weer aan de daggang die doorgaat voor werkelijkheid gewend zijn.
11. De aarde beeft / een geneeslijke ziekte is leven / en rotsen zijn het geheugen van de wind: . . oudemannenschrijfsels, zoals dit, gaan slechts over liefde en dood ( hier zinkt elke Manksteen omlaag, zwaar aan opgebaarde betekenis die zal vergaan) of, wat zwakker uitgedrukt, over het lood , . en de diefstal van waarneembaarheid. Een oude man met veren in zijn handen die doet of hij een vogel is kijkt gulzig toe hoe de ene metafoor de andere besluipt en schaduwt . . als een soort veelwijverij. Oudemannenschrijverij is een poging om de dichtgegroeide vijver schoon te scheppen met een spade zonder steel op zoek naar licht in het water. Terwijl het hart nog wiegelt bestijgt hij het begeren maar hij weet best dat de maan net als het kalf in de put valt als hij wil doen alsof hij een vogel is.
12. In de nacht langs een donkere kust met een gebroken maan en sterrenspikkels erboven vervaagt alles wat je ooit was net als kielwater in het geheugen. -- In de sloot van de nacht is er een knipperlicht laag aan de einder, iets wat je onthouden moest van het verleden een haven, misschien mensen, de doden hebben geleerd om geduldig te zijn: in de nacht wordt Afrika geboren.
Waar de Casamance-rivier uitmondt en zijn bruine tong diep in de zee steekt -- maar nog voor het licht wordt een smaragdgroene vleugel openvouwt -- hangen kleine witte zeezwaluwen pennenkrassend boven een bootje: uit de nacht wordt Afrika geboren.
13. Geliefde engel, wil je bij mij blijven, hoe ver ik ook ga door de koude harde uren, hoezeer ik ook met de stilte vecht van de verrotte maan, die scheurt en zinkt in een sterrenoceaan?
Herken je de zwarte eenzaamheid van eilanden, zie je Hoe rotsen zich verschuilen in een berg en hoeveel het vergt aan kijken en zien
om een .oog te kunnen vlechten? En als de vroegte blauwt, besef je dan dat kraaien zomen stikken aan de mouwen van de hemel om de botten van de nacht erin toe te vouwen?
Mijn gedichten, Engel, zijn een almanak van klippen, zijn het woordenboek van versteende begrippen, gedoopt in azijn voor jouw vogelverschrikkende lippen.
Ik ga mijn lettergrepen op doeken in de straten hangen, zodat het lijk met zijn gestroopte vlerken de afwezigheid kan vangen.
14. Op de uiterste grens van de dag zijn bergen van sneeuw als brandstapels van rokende rozenblaadjes, en 's nachts zit de maan onder een korst van stenen, een half gelaat dat de donkere ontbinding overleefde.
Wanneer het wilde zwijn in de wintertuin wroet op zoek naar bollen en de eerste tulpen als geschulpte kleuren, barsten uit de grond, wanneer het seizoen wentelt . en de vogels hun schaduwen als hondengedachten
over de weg haasten -- dan mondmaak je woorden als een net om daar de zon mee te vangen: deze bannieren hier op straat, uit een onbekend oord, als neerslag van wind: reisverslagen en verzenvlagen voor de engel
die alles weet en nooit de wegen van de mens bewandelt: een lijkwade bevlekt met de wonderen van wonden.
|
|
|
de Rijn - collage 30 x 40 cm
Share |
canandanann 31-01-2012
|