achmatova
Start Omhoog

                 


Voor verdriet is ’t pad zelfs ’s nachts verlicht

Annenski

 



 


't Hoorngeschal is nu verstild,

Raadsels in 't hart zijn gebleven,

Herfstsneeuw komt luchtig en mild

Over het croguetveld zweven,

 

Ruis nog maar voort, laatste blad!

Kwijn nog maar, laatste gedachten'

Nooit wou 'k verhinderen dat

Hij, die zo vrolijk was, lachte.

 

Ik heb de dierbare mond 't

Bittere grapje vergeven...

0, als je morgen hier komt

Over de sneeuwwitte dreven,

 

Dan gaan de kaarsen aan die

's Middags het vriendelijkst stralen,

En uit de oranjerie

Zullen we rozen gaan halen.

 

Augustus 1910, Tsarskoje Selo


 

Voor M. Lozinski

De zware amberen dag duurt zonder einde voort!

Hoe onverdraaglijk het verdriet, hoe zinloos 't wachten!

En nogmaals wordt de zilveren stem van 't hert gehoord

Dat in de dierentuin verhaalt van witte nachten.

Ook ik weet zeker dat er koele sneeuw bestaat

Een blauwe doopvont voor wie arm of ziek en oud is,

En ook een kleine slede die onzeker gaat

Onder het verre klokgelui dat zo vertrouwd is.

 

1913


 

DE STEM DER HERINNERING

Voor 0.A.Glebova-Soedejkina

Waarnaar zit je zo te staren op de muur,

Bij de laatste stralen van het hemelvuur?

 

Naar een meeuw op 't blauwe waterkleed misschien

Of zou jij de Florentijnse tuinen zien?

Of het park van Tsarskoje Sela, dat oord

Waar jouw levensweg door onrust werd verstoord?

 

Of zie jij daar bij je knieën soms de man

Die de witte dood koos, aan jouw ban ontkwam?

 

Nee, mijn ogen zijn slechts op de muur gericht -

Naar de weerschijn van het dovend hemellicht.

 

18 juni 1913 Slepnjovo


 

Voor N.V.N.

Het innig samenzijn van mensen kent een lijn

Die hartstocht noch verliefdheid ooit kan overschrijden, –

Zelfs niet als lippen angstig stil versmolten zijn

En liefde ’t hart uiteenrijt en doet lijden.

 

En vriendschap heeft geen macht hier, noch de tijd

Van ’t vurige geluk, van groots beminnen,

Wanneer de ziel nog vrij is en niet ingewijd

In de vervoerde loomheid van de zinnen.

 

Wie streeft naar deze lijn heeft geen verstand,

Wie hem bereikt gaat aan verdriet ten onder…

Dus als mijn hart niet klopt onder jouw hand

Is dat, zoals je nu begrijpt, geen wonder.

 

Mei 1915, Petersburg


 

't Betraande najaar lijkt een weduwvrouw

Die, in het zwart gekleed, het hart doet schromen.

De woorden van haar man gedenkend, diep in rouw,

Laat zij haar tranen almaar stromen.

Zo gaat het tot de stilste sneeuw zich vlijt

Over die treurende, vol medeleven ...

Vergetelheid van pijn en zaligheid -

Daarvoor je leven zelfs te geven.

 

15 september 1921, Tsarskojee Selo


 

Wanneer een mens gaat sterven

Veranderen zijn portretten.

De ogen zijn anders, de lippen

Glimlachen op andere wijze.

Ik merkte dat bij mijn terugkeer

Van de begrafenis van een dichter.

En ik ben er sindsdien op gaan letten,

En mijn vermoeden werd bevestigd.

 

21 mei 1940


 

DE LEZER

't Is zaak niet heel treurig te wezen,

Vooral niet gesloten zijn. Neen!

Een dichter moet helderheid geven,

En open zijn voor iedereen.

 

Hij staat in het schijnsel van ’t voetlicht,

En alles is doods, leeg en licht,

Terwijl als een brandmerk de gloed zich

Kil aftekent op zijn gezicht.

 

De lezer is echter een raadsel,

Een schat diep verstopt in de aard,

Ook hij, de toevallige, laatste,

Die altijd het zwijgen bewaart.

 

En alles wordt daar naar behagen

Verstopt voor ons door de natuur.

Daar klinkt iemands hulpeloos klagen

Op 't daartoe geëigende uur.

 

De nachtelijke schemer, die bleke

Gedaanten, wat is het daar koud,

En vreemd de ogen die spreken

Met mij tot het morgenlicht grauwt,

 

Die mij soms van alles verwijten,

Al keuren ze ook wel iets goed…

Zo vloeien in woordeloos belijden

Gesprekken vol zalige gloed.

 

Slechts kort duurt op aarde ons leven

De kring die men gaan moet is nauw,

Maar hij, de onbekende, is eeuwig

Een vriend, aan de dichter getrouw.

 

Zomer 1959, Komarovo


 

27 JANUARI 1944

En het is op die sterloze avond,

Dat, verbaasd over 't lot, teruggekeerd

Uit een dodelijk dal, uit de afgrond,

Leningrad voor zichzelf salueert.


 

BEVRIJD

Frisse sneeuw verstuift langs de voren,

't Pijnbos wuift in de frisse wind.

Geen vijandige stap meer te horen

In mijn land dat zijn rust hervindt.

 

Februari 1945


 

AAN DE NAGEDACHTENIS VAN EEN VRIEND

Als op de Overwinningsdag de morgen

Nevelig rood kleurt in het ochtendgrauw,

Is de verlate lente aan het zorgen

Als bij een naamloos graf een weduwvrouw.

Ze zit geknield en ademt op een knop,

Ze strijkt de grassen glad, laat uit haar handen

Een vlinder zachtjes op de aarde landen,

En schudt het eerste paardenbloempje op.

 

8 november 1945


 

DE VIERDE

Herinneringen kennen drie getijden.

't Eerste is als de dag van gisteren.

De ziel schuilt onder hun gezegend dak,

Het lichaam is gelukkig in hun schaduw.

De lach weerklinkt nog en de tranen stromen,

De inktvlek op 't bureau is niet gewist,-

Op 't hart als een stempel nog de kus,

Die onvergetelijke kus bij 't afscheid...

Maar dit is allemaal van korte duur...

Er is geen dak meer boven 't hoofd, maar ergens

Op een verlaten plek een eenzaam huis,

Waar 't 's winters koud is, in de zomer gloeiend,

Waar 't stoffig is, met grote spinnenwebben,

Waar liefdesbrieven liggen te vergaan,

Waar men portretten heimelijk vervangt,

Waar mensen heengaan of 't een kerkhof is.

Bij thuiskomst wassen ze met zeep hun handen

En pinken nog een vluchtig traantje weg

Van hun vermoeide ooglid - zuchten diep ...

Maar 't klokje tikt steeds door, een nieuwe lente

Vervangt de oude en de lucht wordt roze,

De steden krijgen steeds een andere naam,

En van wat was zijn geen getuigen meer

Om samen mee te huilen, te gedenken.

En langzaam gaan de schimmen van ons weg,

We roepen ze niet langer, want hun terugkeer

Zou veel te angstaanjagend voor ons zijn.

En op een dag, wanneer we wakker worden,

Zijn we de weg naar 't eenzaam huis vergeten,

Stikkend van toorn en schaamte rennen we

Er heen, maar (net als in een droom gebeurt)

Alles is anders: mensen, dingen, muren,

En niemand kent ons – we zijn vreemdelingen.

We zijn niet waar we wezen moeten... God!

En dan begint het allerbitterste:

We kunnen het verleden, zien we, niet

Binnen de grenzen van ons leven plaatsen,

't Verleden is voor ons haast even vreemd

Als het voor onze naaste buurman is,

we zouden onze doden niet herkennen,

En zij die God van ons gescheiden heeft,

redden zich heel goed zonder ons -en zelfs

Nog beter ook...

 

5 februari 1945, Leningrad


 

AAN DE DOOD

U komt beslist een keer. Dus waarom dan niet nu?

Ik wacht op u. ’t wordt mij te machtig.

Ik doofde 't licht en opende de deur voor u,

Zo simpel en zo raadselachtig.

Neem elke vorm aan die u maar te binnen schiet,

Kom mij met gasgranaten overvallen,

Of met een loden pijp, zoals een aartsbandiet,

Vergiftig me met tyfuswalmen.

Kom als een sprookje, door u zelfbedacht,

Tot walgens toe bekend uit het verleden,

Waarin steeds weer een blauwgemutste wacht

En ook een huisbaas, bleek van angst, optreden.

't Maakt mij niet uit. De Jenisej vervolgt haar dans,

De Poolster werpt haar licht van boven.

In de geliefde ogen zal de blauwe glans

Ten slotte van ontzetting doven.

 

19 augustus 1939, Huis aan de Fontanka


 

Die stem, die twistte met de grote stilte,

Kwam als de overwinnaar uit de strijd.

Nog leeft in mij, als lied of leed, die winter,

De laatste winter voor de oorlogstijd,

 

Die witter dan de Smolnykerk-gewelven,

Mystieker dan de zomertuin zou zijn.

We konden toen niet weten dat we weldra

Om zouden zien in mateloze pijn.

 

Januari 1917


 

We kunnen geen afscheid nemen,

En slenteren zij aan zij voort.

Heel langzaam valt rond ons de schemer,

Jij mijmert, en ik zeg geen woord.

 

We lopen een kerk in en kijken

Naar uitvaart, doop, huwelijksmis.

We gaan, elkaars blikken ontwijkend…

Waarom het bij ons niet zo is?

 

Of we zetten op ’t kerkhof ons neder

In de sneeuw, en we voelen ons vrij.

Met je wandelstok schets je kastelen,

Waar je eeuwig zult wonen met mij.

 

1917


In Memoriam 19 juli 1914

 

Ineens waren we honderd jaren ouder,

En dat kwam in één enkel uur tot stand:

De korte zomer was voorbij, ’t werd kouder,

En damp steeg van het omgeploegde land.

 

De stille weg was plots een bond gewemel,

Zilverig rinkelend klonk ’t rouwbeklag…

’t gezicht bedekkend smeekte ik de hemel

Dat God mij doden zou voor de eerste dag.

 

De schim van zang en hartstocht is vervlogen,

Als nutteloos geworden last voor ’t brein.

Aan ’t leeg geworden brein bevalt de Alhoge

Een boek vol onheilstijdingen te zijn.

 

Zomer 1916, Slepnjovo


 

Vlak voor de lente zijn er van die dagen:

Onder het lichte sneeuwdek rust de wei,

De bomen ritselen vol welbehagen,

Het zoele windje dartelt licht en vrij.

’t Verbaasde lichaam voelt zich als herboren,

En je herkent je eigen huis niet meer,

Het lied dat jou verveelde kort tevoren,

Zing je als nieuw, en vurig als weleer.

 

Lente 1915, Slepnjovo


 

’t is de vraag of je dood bent of levend,-

Of ‘k op aarde moet zoeken naar jou

Of alleen in mijn avondgebeden,

Als ik om de ontslapenen rouw.

 

Het is alles voor jou: ’t daaglijks bidden,

Slapeloosheids verterend vuur,

Witte vluchten van al mijn gedichten,

En mijn ogen van vlammend azuur.

 

Er is niemand die mij zo kastijdde,

Die mij zo innig lief heeft gehad,

Zelfs niet hij die me prijsgaf aan ’t lijden,

Zelfs niet hij die me streelde en vergat.

 

Zomer 1915, Slepnjovo


 

VOOR DE GELIEFDE

Liefste, stuur geen duif aan mij en schrijf

Geen ontdane brieven meer naar hier,

Blaas in mijn gezicht geen maartse wind.

Gisteren betrad ik 't paradijs,

Waar in 't lommer van een populier

Men voor ziel en lichaam vrede vindt.

 

En ik zie het stadje hiervandaan,

Het paleis met wachthuisjes ernaast,

Boven 't ijs -geel- de Chinese brug.

Drie uur wachtje op mijn stoep, want gaan

Kun je niet,je beeft en kijkt verbaasd

Naar de nieuwe sterren in de lucht.

 

Als een eekhoorn spring ik in de olm,

Als een zwaan geef ik naar jou een schreeuw,

Als een wezel ren ik voor je uit,

Ter verstrooiing van de bruidegom,

Die daar in de blauwe dwarrelsneeuw

Staat te wachten op zijn dode bruid.

 

27 februari 1915, Tsarskaje Sela


 

Als in een diepe put een witte steen,

Schuilt één herinnering in mij. Bestrijden

Kan ik haar niet, dat wil ik ook niet eens:

Zij is de vreugde en zij is het lijden.

 

Ik denk dat wie mij in de ogen ziet,

Haar in de kortste keren zal ontdekken.

Dit stemt hem meer tot peinzen en verdriet

Dan luisteren naar droevige gesprekken.

 

De goden maakten mensen tot een ding,

Maar zó dat hun bewustzijn is gebleven,

Opdat een groots verdriet voorgoed zal leven.

Dat maakte jou tot mijn herinnering.

 

5 juni 1916, Slepnjovo

 


't Allereerste straaltje licht - Gods zegen -

Gleed 't voorhoofd van mijn lief dat sliep,

En de dromer werd een beetje bleker,

Maar zijn slaap was daarna eens zo diep

 

't Licht dat uit de hemel kwam gegleden

Leek welhaast een kus ... zo teder, warm

Streek ik met lippen lang geleden

Langs zijn lieve mond, zijn bruine arm…

 

Maar vandaag, nu ik nog lichaamlozer,

Troostelozer dan de doden dwaal,

Kom ik slechts als lied naar hem gevlogen,

Streel ik als een vroege zonnestraal

 

14 mei


 

Hoe galmend en steil zijn de bruggen,

Wat zijn deze pleinen hier breed!

En boven ons, somber en rustig,

Spreidt 't sterloze duister zijn kleed.

 

Twee sterflijke mensen, zo gaan we

Door 't sneeuwdek, nog maagdelijk rein.

En is het geen wonder hier samen

Op 't uur voor ons scheiden te zijn?

 

Opeens heb ik knikkende knieën,

Mijn adem lijkt moeizaam te gaan ...

Jij -zonlicht van mijn poëzieën,

Jij -zegening van mijn bestaan.

 

Dan deinen de donkere daken,

Ik val met een plofweer omlaag,

Het is niet zo erg te ontwaken

Voor mij in mijn dorpstuin vandaag.

 

10 maart 1917, Petersburg


 

Goddank ga ik minder van hem dromen

Denk ik minder vaak aan bestaan.

Mist is op de witte weg gekomen,

Over 't water vliegen schimmen aan.

 

Klokken de hele dag te horen

Boven het geploegde land. 't Geluid

Van de hoge Jona-kloostertoren

Hoor je hier steeds boven alles uit.

 

‘k snoeide van de welige seringen

Elke tak die niet meer bloeiend was;

Langs de oude vestingwallen gingen

Monniken voorbij met trage pas.

 

Moge ik, niet-ziende, dit herwinnen:

’t stoffelijk vertrouwde wereldbeeld.

Met de koele rust van ’t niet-beminnen

Heeft de Hemelvorst mijn ziel geheeld.

 

1912, Kiev

 


Hoe vreselijk is 't lijf versleten,

Hoe de gekwelde mond vervaald!

Ik wilde van zo'n dood niet weten,

En heb dit tijdstip niet bepaald.

 

't Leek mij dat ergens in den hogen

De wolken botsten, dat daarbij

Een bliksemschicht, snel aangevlogen,

Een stem, door grote vreugd bewogen,

Als eng'len neerdaalden op mij.

 

1913


 

Wat zou toch deze eeuw de allerergste maken?

Wellicht dat in de walm van angst, verdriet,

Zij wel de zwartste zweer wist aan te raken,

Maar haar genezen kon zij niet.

 

In 't westen schijnt de aardse zon nog op de huizen,

Zodat de daken in haar licht te glanzen staan.

Hier zet de witte dood op alle deuren kruizen

En roept de kraaien, en de kraaien vliegen aan.

 

Winter 1919


 

Vergeefs heb 'k jarenlang op hem gewacht.

't Is of ik al die tijd heb lopen dromen.

Maar drie jaar terug -'t was op Palmzaterdag –

Is een ondoofbaar licht tot mij gekomen.

Mijn stem brak af, ik zweeg als was ik stom

Want voor mij, lachend, stond mijn bruidegom

 

En buiten ging het volk voorbij, heel stil,

Met kaarsen, ongehaast. O, nacht van geloven!

Zacht kraakte 't dunne ijsdek van april,

't Gebeier van de klokken klonk van boven,

Als een voorspelling waar men troost bij vindt.

De lichtjes deinden in de zwarte wind.

 

Ik zag de witte narcissen en 't glas

Met rode wijn op tafel staan. Er zweefde

Een licht omheen alsof 't al ochtend was.

Mijn hand, bespat met druppels kaarsvet, beefde,

En op 't moment dat ik een kus ontving,

Zong 't in mijn bloed: gezegende,juich, zing!

 

1916


 

VERSCHIJNING

De straatlantarens branden al,

Ze wiegen heen en weer, en kraken,

Sneeuwvlokken in een vrije val,

Die 't feestelijker, lichter maken.

 

De paarden gaan opeens heel vlug,

Als van iets achter zich geschrokken,

Het blauwe dekkleed op hun rug

Gaat schuil onder de witte vlokken.

 

Een dienaar in livrei met goud

Staat op de slede, onbewogen,

Terwijl de tsaar 't geheel aanschouwt,

Bevreemd, met lege lichte ogen.

 

Winter 1919


 

Jij bent dood, verrijst niet meer

Uit de sneeuw. Vijfmaal

Schoten, achtentwintig keer

Bajonettenstaal.

En ik naaide voor mijn man

Bitter linnengoed.

Hoe bemint het Russisch land

Elke druppel bloed.

 

16 augustus 1921

 


Voor Joenia Anrep

Nam soms mijn levenslot een nieuwe wending,

Of is het spel nu echt gedaan?

Waar zijn de winters dat ik pas naar bed ging

Als ik de klok zes hoorde slaan?

 

Ik leef hier kalm en sober tegenwoordig

Aan deze ongerepte kust.

Voor ’t uitspreken van lege, lieve woorden

Ben ik niet langer toegerust.

 

’t Is bijna kerst, ik kan het niet geloven.

Ontroerend groen is ’t steppeland.

De zon straalt. Een haast warme golf strijkt over

Het vlakke spiegelende strand.

 

Wanneer ik loom en uitgeput versmachtte

Van dit geluk, dan droomde ik en genoot,

Inwendig bevend, van die rust en trachtte

Mij altijd voor te stellen in gedachten

Dat zó de zielen dwalen na de dood.

 

December 1916, Sebastopol (Belbek)

 

Anna Achmatova- Werken (Amsterdam 2007)

Vertaling uit het Russisch door M. Berg en M. Wiebes

 

 


                 

 

    

de Rijn - collage 30 x 40 cm

 

 

  Share |

 

canandanann 31-01-2012