|
| PAUL CELAN:
NIEDRIGWASSER.
Wir sahen
die
Seepocke,
sahen
Die
Napfschnecke, sahen
Die Nägel an
unsern Handen.
Niemand schnitt
uns das Wort von der Herzwand.
(Fährten der
Strandkrabbe, morgen,
Kriechfurchen,
Wohng„nge, Wind-
zeichnung im
grauen
Schlick. Feinsand,
Grobsand, das
van den Wänden
Gelöste, bei
andern
Hartteilen, im
Schill.)
Ein Aug,
heute,
gab es dem
zweiten, beide,
geschlossen,
folgten der Strömung zu
ihrem Schatten,
setzten
die Fracht ab (niemand
schnitt uns das
Wort von der - -), bauten
den Haken
hinaus - eine Nehrung, vor
ein kleines
Unbefahrbares
Schweigen.
LAAGWATER. Wij
zagen
de
zeepok,
zagen
de
bekerslak,
zagen
de nagels aan
onze handen.
Niemand sneed
ons het woord van de hartwand.
(Sporen van de
strandkrab, morgen,
kruipgleuven,
woongangen, wind-
tekening in het
grauwe
slik. Fijnzand,
ruwzand, het
van de wanden
losgeraakte, bij
andere
hartdelen, in
de
schil.)
Een oog,
vandaag,
gaf het het
tweede, beiden,
gesloten,
volgden de stroming tot
hun schaduw,
zetten
de vracht af
(niemand
sneed ons het
woord van de - - ), bouwden
een haak eruit
- een smalle landtong, voor
een klein
onbevaarbaar
zwijgen.
STEHEN, im
Schatten
des wundenmals
in der Luft.
Für-niemand-und-nichts-Stehn.
Unerkannt,
für dich
allein.
Mit allem, was
darin Raum hat,
auch ohne
Sprache.
STAAN, in de
schaduw
van het
litteken in de lucht.
Voor-niemand-en-niets-staan.
Niet herkend,
voor jou
alleen.
Met
alles, wat
daarin plaats heeft,
ook zonder
taal. DAS WORT VOM ZUR-TIEFE-GEHN, Hinübersein heute Nacht. Mit Worten holt ich dich wieder, da bist du, alles ist wahr und ein Warten auf Wahres. Es klettert die Bohne vor unserm
Fenster: denk wer
neben uns aufwächst und ihr zusieht. Gott, das lasen wir, ist ein Teil und ein zweiter, zerstreuter: im Tod all der Gemähten wächst er sich zu. Dorthin führt uns der Blick, mit dieser Hälfte haben wir Umgang. Schwarze Milch der Frühe wir trinken sie abends wir trinken sie mittags und morgens wir trinken sie nachts wir trinken und trinken wir schaufeln ein Grab in den Lüften da liegt man nicht eng Ein Mann wohnt im Haus der spielt mit den Schlangen der schreibt der schreibt wenn es dunkelt nach Deutschland dein goldenes Haar Margarete er schreibt es und tritt vor das Haus und es blitzen die Sterne er pfeift seine Rüden herbei er pfeift seine Juden hervor läßt schaufeln ein Grab in der Erde er befiehlt uns spielt auf nun zum Tanz Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts wir trinken dich morgens und mittags wir trinken dich abends wir trinken und trinken Ein Mann wohnt im Haus der spielt mit den Schlangen der schreibt der schreibt wenn es dunkelt nach Deutschland dein goldenes Haar Margarete Dein aschenes Haar Sulamith wir schaufeln ein Grab in den Lüften da liegt man nicht eng Er ruft stecht tiefer ins Erdreich ihr einen ihr andern singet und spielt er greift nach dem Eisen im Gurt er schwingts seine Augen sind blau stecht tiefer die Spaten ihr einen ihr andern spielt weiter zum Tanz auf Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts wir trinken dich mittags und morgens wir trinken dich abends wir trinken und trinken ein Mann wohnt im Haus dein goldenes Haar Margarete dein aschenes Haar Sulamith er spielt mit den Schlangen Er ruft spielt süßer den Tod der Tod ist ein Meister aus Deutschland er ruft streicht dunkler die Geigen dann steigt ihr als Rauch in die Luft dann habt ihr ein Grab in den Wolken da liegt man nicht eng Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts wir trinken dich mittags der Tod ist ein Meister aus Deutschland wir trinken dich abends und morgens wir trinken und trinken der Tod ist ein Meister aus Deutschland sein Auge ist blau er trifft dich mit bleierner Kugel er trifft dich genau ein Mann wohnt im Haus dein goldenes Haar Margarete er hetzt seine Rüden auf uns er schenkt uns ein Grab in der Luft er spielt mit den Schlangen und träumet der Tod ist ein Meister aus Deutschland dein goldenes Haar Margarete dein aschenes Haar Sulamith
Ik ben alleen,
ik zet de asbloem
in het glas vol
rijp zwartsel. Zustermond,
je spreekt een
woord, dat voortleeft voor de vensters,
en geluidloos
klimt, wat ik droomde, aan mij omhoog.
Ik sta in de
bloei van het uitgebloeide uur
en spaar een
hars voor een late vogel:
hij draagt de
vlok sneeuw op levensrode veren;
het korreltje
ijs in de snavel, komt hij door de zomer.
Für Klaus Demus An den langen Tischen der Zeit zechen die Krüge Gottes. Sie trinken die Augen der Sehenden leer und die Augen der Blinden, die Herzen der waltenden Schatten, die hohle Wange des Abends. Sie sind die gewaltigsten Zecher: sie führen das Leere zum Mund wie das Volle und schäumen nicht über wie du oder ich.
DE KRUIKEN voor Klaus Demus Aan de lange tafels van de tijd brassen de kruiken Gods. Ze legen de ogen der zienden en de ogen der blinden, de harten der heersende schimmen, de holle wang van de avond. Zij zijn de grootste brassers: ze brengen het lege naar de mond en het volle en schuimen niet over, zoals jij of ik.
(vertaling T. Naaikens)
De kruiken
Op de lange
tafel van de tijd
drinken de
kruiken Gods.
Ze drinken de
ogen van de zienden leeg
en de ogen van
de blinden,
de harten van
heersende schaduwen,
de holle wang
van de avond.
Zij zijn de
geweldigste drinkers:
zij voeren het
lege naar de mond als het volle en schuimen niet over zoals jij of ik.
Zo ben je dan
geworden
zoals ik je
nooit heb gekend:
je hart slaat
overal
in een
bronnenland,
waar geen mond
drinkt en geen
gestalte de
schaduwen omzoomt,
waar water
kwelt voor de schijn
en schijn als
water schuimt.
Je stijgt in
alle bronnen,
je zweeft door
elke schijn.
Je hebt een
spel verzonnen,
dat wil
vergeten zijn.
SO bist du denn geworden wie ich dich nie gekannt: dein Herz schlägt allerorten in einem Brunnenland,
wo kein Mund trinkt und keine Gestalt die Schatten säumt, wo Wasser quillt zum Scheine und Schein wie Wasser schäumt.
Du steigst in alle Brunnen, du schwebst durch jeden Schein. Du hast ein Spiel ersonnen, das will vergessen sein.
ZOALS jij nu bent geworden, zo kende ik jou niet: je hart is wild gaan Moppen in een bronnenrijk gebied,
waar geen mond drinkt en geen lichaam in de schimmen huist, waar water welt voor de schijn, en schijn als water bruist.
Je stapt in alle bronnen, je zweeft door elke schijn. Je hebt een spel verzonnen, het wil vergeten zijn. (vertaling T. Naaikens)
Uit harten en
hersenen
spruiten de
halmen van de nacht,
en een woord,
door zeisen gesproken,
buigt ze in het
leven.
Stom als zij
waaien wij de
wereld tegemoet:
onze blikken,
misleid, om
getroost te zijn,
tasten zich
voort,
wenken ons
donker naderbij.
Blikloos
zwijgt nu jouw
oog in mijn oog zich,
zwervend
hef ik jouw
hart aan de lippen,
hef jij mij
hart aan de jouwe:
wat we nu
drinken,
stilt de dorst
der uren;
wat we nu zijn,
schenken de
uren van de tijd in.
Smaken wij hun?
Geen geluid en
geen licht
glipt tussen
ons, om het te zeggen.
O halmen,
jullie halmen.
Jullie halmen
van de nacht.
Jullie hoge
populieren - mensen van deze aarde!
Jullie zwarte
vijvers geluk - jullie spiegelen ze dood!
Ik zag je,
zuster, staan in deze glans.
In het laatrood
In het laatrood
slapen de namen:
een
wekt je nacht
en voert hem,
met witte staven langs-
tastend aan de
zuidwand van het hart,
onder de
dennen:
een, van
menselijke gestalte,
schrijdt naar
de pottenbakkerstad toe,
waar de regen
zijn intrek neemt als vriend
van een uur van
het meer.
In het blauw
spreekt zij een
schaduwbelovend boomwoord,
en je lieve
naam
rekent zijn
letters daartoe.
De beide deuren
van de wereld
staan open:
geopend door
jou
in de
schaduwnacht.
We horen ze
slaan en slaan
en dragen het
onzekere
en dragen het
groen in jouw altijd.
Leg de dode de
woorden in het graf
die hij sprak,
om te leven.
Bed zijn hoofd
tussen hen,
laat hem voelen
de tongen van
verlangen,
de tangen.
Leg op de
oogleden van de dode het woord,
dat hij iemand
weigerde,
die tot hem
zei,
het woord,
waaraan het
bloed van zijn hart voorbijsprong,
als een hand,
zo naakt als de zijne,
die iemand, die
jij tot hem sprak,
in die bomen de
toekomst knoopte.
Leg hem dit
woord op de oogleden:
misschien
treedt in zijn
oog, dat nog blauw is,
een tweede,
vreemder blauw,
en die iemand,
die jij tot hem sprak,
droomt met hem:
wij.
Nabij zijn wij,
heer,
nabij en
grijpbaar.
Gegrepen reeds,
Heer,
de klauwen
reeds in elkaar geslagen, alsof
het lichaam van
ieder van ons
jouw lichaam
was, Heer.
Bid, Heer,
bid tot ons,
wij zijn nabij.
Windscheef
gingen wij heen,
gingen wij
heen, om ons te buigen
over trog en
kratermeer.
Naar de
drenkplaats gingen wij, Heer.
Het was bloed,
het was
wat jij
vergoten had, Heer.
Het glansde.
Het wierp ons
jouw beeld in de ogen, Heer.
Ogen en mond
staan zo open en leeg, Heer.
Wij hebben
gedronken, Heer.
Het bloed en
het beeld
dat in 't bloed
was, Heer.
Bid, Heer.
Wij zijn nabij.
Niemand kneedt
ons weer uit aarde en leem,
niemand
bespreekt ons stof.
Niemand.
Geloofd ben
jij, Niemand.
Uit liefde voor
jou willen
wij bloeien.
Jou tegemoet.
Een niets
waren wij, zijn
wij, zullen
wij blijven,
bloeiend:
de niets - de
Niemandsroos.
Met
de griffel
zielenhel,
de stofdraad
hemelswoest,
de kroon rood
van het
purperrood, dat wij zongen
over, o over
de doorn.
-
- - - - -
Niemand
boetseert ons weer uit aarde en leem,
niemand spreekt
tot ons stof.
Niemand.
Geloofd zijt
Gij, Niemand.
Om Uwentwil
willen wij bloeien.
U tegemoet.
Een Niets waren
wij, zijn wij,
zullen wij
blijven, bloeiend:
de Niets-, de
Niemandsroos.
Met de stijl
zielehelder,
de meeldraad
hemelwild,
de kroon rood
van het purperwoord,
dat wij zongen
boven, o boven de doorn uit.
Brandmal
Schnee ist gefallen, lichtlos. Ein Mond ist es schon oder zwei, dass der Herbst unter mönchischer Kutte Botschaft brachte auch mir, ein Blatt aus ukrainischen Halden:
'Denk, dass es wintert auch hier, zum tausendstenmal nun im Land, wo der breiteste Strom fließt: Jaakobs himmlisches Blut, benedeiet von Äxten.. . O Eis von unirdischer Röte- es watet ihr Hetman mit allem Trog in die finsternden Sonnen.. . Kind, ach ein Tuch, mich zu hüllen darein, wenn es blinket von Helmen, wenn die Scholle, die rosige, birst, wenn schneeig stäubt das Gebein deines Vaters, unter den Hufen zerknirscht das Lied von der Zeder... Ein Tuch, ein Tüchlein nur schmal, dass ich wahre nun, da zu weinen du lernst, mir zur Seite die Enge der Welt, die nie grünt, mein Kind, deinem Kinde!'
Blutete, Mutter, der Herbst mir hinweg, brannte der Schnee mich: sucht ich mein Herz, dass es weine, fand ich den Hauch, ach des Sommers, war er wie du. Kam mir die Träne. Webt ich das Tüchlein.
ZWARTE VLOKKEN Sneeuw is gevallen, lichtloos. Eén maan her is het al of twee dat de herfst ook mij in monnikspij een tijding bracht, een blad uit Oekraïense heuvels:
'Bedenk dat het wintert ook hier, voor de duizendste keer nu in het land waar de breedste stroom vliedt: Jaäkobs hemelse bloed, gebenedijd door bijlen.. . ijs van onaardse roodheid - daar waadt haar hetman met heel z'n tros naar donkerende zonnen.. . kind, ach, een doek om me in te hullen als het blinkt van de helmen, wanneer de schol, de rozige, barst, als het gebeente van je vader sneeuwig verstuift, onder de hoeven vol wroeging het lied van de ceder... Een doek, een klein doekje maar, opdat ik nu, nu je leert huilen, voor mezelf bewaar het nauw van de wereld, die nooit groent, mijn kind, voor jouw kind!'
Bloedde, moeder, de herfst me maar weg, brandde de sneeuw me maar: zocht ik mijn hart maar, dat het huilt, vond ik de zucht maar, ach, van de zomer, was-ie als jij. Kwam me de traan. Weefde ik dat doekje.
Paul Celan (vert. T. Naaijkens)
NACHTS ist dein Leib von Gottes Fieber braun: mein Mund schwingt Fackeln über deinen Wangen. Nicht sei gewiegt, dem sie kein Schlaflied sangen. Die Handvoll Schnee, bin ich zu dir gegangen,
und ungewiss, wie deine Augen blaun im Stundenrund. (Der Mond von einst war runder.) Verschluchzt in leeren Zelten ist das Wunder, vereist das Krüglein Traums - was tuts?
Gedenk: ein schwarzlich Blatt hing im Holunder - das schöne Zeichen für den Becher Bluts.
's NACHTS is je lichaam bruin van Gods koorts: fakkels zwaait boven je wangen mijn mond. Niet zij gewiegd voor wie ze geen lied zingen konden. Ik had sneeuw in mijn handen toen ik je vond,
en kon niet weten hoe in het urenrond je ogen blauwen. (De maan was vroeger ronder.) Versnikt in lege tenten is het wonder, verijsd het kruikje droom - of het iets ertoe doet?
Gedenk: een zwart glanzend blad, met de vlierbes verbonden - het fraaie teken voor de beker bloed.
Paul Celan (vert. T. Naaijkens)
SO schlafe, und mein Aug wird offen bleiben. Der Regen füllt' den Krug, wir leerten ihn. Es wird die Nacht ein Herz, das Herz ein Hälmlein treiben - Doch ists zu spät zum Mähen, Schnitterin.
So schneeig weiß sind, Nachtwind, deine Haare! Weiß, was mir bleibt, und weiß was ich verlier! Sie zählt die Stunden, und ich zähl die Jahre. Wir tranken Regen. Regen tranken wir.
KOM slaap maar, mijn oog zal open blijven. Regen vulde de kruik, we hebben 'm flink geraakt. De nacht zal een hart, het hart een halmpje krijgen - Maar om te maaien, maaister, is het nu te laat.
Zo wit als sneeuw, nachtwind, zijn je haren! Wit wat ik verlies, wit wat bij mij zij! Zij telt de uren en ik tel de jaren. We dronken regen. Regen dronken wij.
Paul Celan (vert. T. Naaijkens)
Voller, da Schnee auch auf dieses sonnendurchschwommene Meer fiel, blüht das Eis in den Körben, die du zur Stadt trägst.
Sand heischst du dafür,, denn die letzte Rose daheim will auch heut abend gespeist sein aus rieselnder Stunde.
Ook vanavond Voller, nu sneeuw ook op deze van zon doorzwommen zee viel, bloeit het ijs in de manden die je draagt naar de stad.
Zand eis je in ruil, want de laatste roos thuis wil ook vanavond gevoed zijn uit een miezerend uur.
Paul Celan (vert. T. Naaijkens) Augen, weltblind, im Sterbegeklüft: Ich komm, Hartwuchs im Herzen. Ich komm.
Mondspiegel Steilwand. Hinab. (Atemgeflecktes Geleucht. Strichweise Blut. Wölkende Seele, noch einmal gestaltnah. Zehnfingerschatten - verklammert.)
Augen weltblind, Augen im Sterbegklüft, Augen Augen:
Das Schneebett unter uns beiden, das Schneebett. Kristall um Kristall, zeittief gegittert, wir fallen, wir fallen und liegen und fallen.
Und fallen: Wir waren. Wir sind. Wir sind ein Fleisch mit der Nacht. In den Gängen, den Gängen.
SNEEUWBED Ogen, wereldblind, in de sterfkrochten: ik kom, met verharding in het hart, ik kom.
Steile wand maanspiegel. Afdalen. (Met adem bevlekte schijnsels. Vegen bloed. Wolkende ziel, nog eens gestalte haast. Tienvingerschaduw - vastgeklampt.)
Ogen wereldblind, ogen in de sterfkrochten, ogen ogen:
het sneeuwbed onder ons beiden, het sneeuwbe. Kristal na kristal, met een tijddiep rooster, we vallen, we vallen en liggen en vallen.
En vallen: we waren. We zijn. We zijn één vlees met de nacht. In de gangen, de gangen.
Paul Celan (vert. T. Naaijkens)
In Mundhöhe, fühlbar: Finstergewächs.
(Brauchst es, Licht, nicht zu suchen, bleibst das Schneegarn, hältst deine Beute.
Beides gilt: Berührt und Unberührt. Beides spricht mit der Schuld von der Liebe, beides will dasein und sterben.)
Blattnarben, Knospen, Gewimper. Augendes, tagfremd. Schelfe, wahr und offen.
Lippe wusste. Lippe weiß. Lippe schweigt es zu Ende.
OP MONDHOOGTE Op mondhoogte, voelbaar: donkergewas.
(Je hoeft het, licht, niet te zoeken, blijft het sneeuwnet, houdt je buit vast.
Allebei geldt: Aangeraakt en Onaangeraakt. Allebei spreken ze met de schuld over de liefde, allebei willen ze zijn en sterven.)
bladmerken, knoppen, donzigs. t Lonkt, dagvreemd. Schil, waar en open.
Lip wist. Lip weet. Lip zwijgt het ten einde.
Paul Celan (vert. T. Naaijkens)
mit Schnee bewirten: sooft ich Schulter an Schulter mit dem Maulbeerbaum schritt durch den Sommer, schrie sein jüngstes Blatt.
ONTHAAL me gerust op sneeuw: steeds als ik schouder aan schouder met de moerbei door de zomer schreed, krijste zijn jongste blad.
Paul Celan (vert. T. Naaijkens)
in den Gipfelhängen, kein mit- sprechender Thymian.
Grenzschnee und sein die Pfahle und deren Wegweiser-Schatten aushorchender, tot- sagender Duft.
NIETS VERHOUTS meer, hier, op de glooiingen, geen mee- pratende tijm.
Grenssneeuw en de geur ervan, die de staken en hun wegwijzer-schaduw uithoort, dood- verklaart.
Paul Celan (vert. T. Naaijkens)
Schneefall, dichter und dichter, taubenfarben, wie gestern, Schneefall, als schliefst du auch jetzt noch.
Weithin gelagertes Weiss. Drüberhin, endlos, die Schlittensput des Verlornen.
Darunter, geborgen, stülpt sich empor, was den Augen so weh tut, Hügel um Hügel, unsichtbar.
THUISKOMST Sneeuwval, dichter en dichter, duifkleurig, net als gisteren, sneeuwval, alsof je nog steeds aan 't slapen was.
Wit dat zich ver uitstrekt. Daarop, eindeloos, het karrenspoor van het verlorene.
Daaronder, geborgen, stulpt zich omhoog wat de ogen zo pijn deed, heuvel na heuvel, onzichtbaar.
Paul Celan (vert. T. Naaijkens)
Schneepart, gebäumt, bis zuletzt, im Aufwind, vor den für immer entfernsten Hütten:
Flachträume schirken übers Geriffelte Eis;
die Wortschatten heraushaun, sie klaftern rings um den Krampen im Kolk.
Paul Celan
Sneeuwpartij, tegendraads, tot het laatst, oplevend, voor de voor altijd ontvensterde hutten:
platte dromen ketsen over het geribde ijs;
de woordschaduwen uithakken, ze opstapelen rond het houweel in de gletsermolen.
Paul Celan (vert. T. Naaijkens) Erst jenseits des Kastanien ist die Welt.
Von dort kommt nachts ein Wind im Wolkenwagen, und irgendwer steht auf dahier… Den will ich über die Kastanien tragen: `Bei mir ist Engelsüß und roter Fingerhut bei mir! Erst jenseits der Kastanien ist die Welt.‘
Dann zirp ich leise, wie es Heimchen tun dann halt ich ihn, dann muss er sich verwehren: ihm legt mein Ruf sich ums Gelenk! Den Wind hör ich in vielen Nächten wiederkehren: `Bei mir flammt Ferne, bei dir ist es eng…‘ Dann zirp ich leise, wie es Heimchen tun.
Doch wenn die Nacht auch heut sich nicht erhellt, und wiederkommt der Wind im Wolkenwagen: 'Bei mir ist Engelsüß und roter Fingerhut bei mit!' Und will ihn über die Kastanien tragen - dann halt, dann halt ich ihn nicht hier.. .
Erst jenseits der Kastanien ist die Welt.
Aan de overzijde Voorbij de kastanjes begint de wereld pas.
Vandaar komt ’s nachts de wind in de wolkenwagen, En iemand staat op alhier… Hem wil ik over de kastanjes heen dragen: ‘Bij mij staan rood janskruid en wilde vlier! Voorbij de kastanjes begint de wereld pas.’
Dan tjirp ik zacht, zoals krekels dat doen, Dan houd ik hem vast, moet hij het ontberen: Mijn roep grijpt hem bij zijn polsgewricht! In heel wat nachten hoor ik de wind terugkeren: ‘Bij mij vlamt verte, bij jou is het dicht…’ Dan tjirp ik zacht, zoals krekels dat doen,
Maar als ook vandaag de nacht niet opklaart en de wind terugkeert in de wolkenwagen: 'Bij mij staan rood janskruid en wilde vlier!' En wil ik hem over de kastanjes heen dragen - dan houd, dan houd ik hem niet hier.. .
Voorbij de kastanjes begint de wereld pas. Ein Kranz ward gewunden aus schwärzlichem Laub in der Gegend von Akra: dort riss ich den Rappen herum und stach nach dem Tod mit dem Degen. Auch trank ich aus hölzernen Schalen die Asche der Brunnen von Akra und zog mit gefalltem Visier den Trümmern der Himmel entgegen.
Denn tot sind die Engel und blind ward der Herr in der Gegend von Akra, und keiner ist, der mir betreue im Schlaf die zur Ruhe hier gingen. Zuschanden gehaun ward der Mond, das Blümlein der Gegend von Akra: so blühn, die den Dornen es gleichtun, die Hände mit rostigen Ringen.
So muss ich zum Kuss mich wohl bücken zuletzt, wenn sie beten in Akra... O schlecht war die Brünne der Nacht, es sickert das Blut durch die Spangen! So ward ich ihr Iächelnder Bruder, der eiserne Cherub von Akra. So sprech ich den Namen noch aus und fühl noch den Brand auf den Wangen.
EEN LIED IN DE WOESTIJN Een krans werd gevlochten uit zwart glanzend blad in de landstreek van Akra: ik gaf er mijn moor flink de sporen en stak naar de dood mijn rapier. Ook dronk ik uit vuurhouten schalen de as van de bronnen van Akra, bestokend het puin van de hemels, getooid met geloken vizier.
Want dood zijn de engelen, blind werd de heer in de landstreek van Akra; op mij slaat er niemand nog acht van de mannen die slapen hier gingen. Te schande geramd werd de maan, die bloem van de landstreek van Akra: dus bloeien als takken met doorns de handen met roestige ringen.
Dus moet ik ten slotte wel bukken en kussen, als ze bidden in Akra.. . O slecht was de nacht in kuras, er sijpelt al bloed door de spangen! Dus werd ik hun grijnzende broeder, de ijzeren cherub van Akra. Dus spreek ik de naam nog eens uit en voel nog de gloed op mijn wangen. NACHTS, wenn das Pendel der Liebe schwingt zwischen Immer und Nie, stößt dein Wort zu den Monden des Herzens und dein gewitterhaft blaues Aug reicht der Erde den Himmel.
Aus fernem, aus traumgeschwärztem Hain weht uns an das Verhauchte, und das Versäumte geht um, groß wie die Schemen der Zukunft.
Was sich nun senkt und hebt, gilt dem zuinnerst Vergrabnen: blind wie der Blick, den wir tauschen, küsst es die Zeit auf den Mund.
's NACHTS, wanneer de slinger van de liefde zwaait tussen altijd en nooit, stoot jouw woord naar de maan van het hart en jouw onweersblauwe oog reikt de aarde de hemel aan.
Uit een ver, van dromen mart bos waait ons aan wat uitgeblazen is, en wat verzuimd is waart rond, groot als de schimmen van de toekomst.
Wat nu daalt en stijgt is gemunt op wat zo diep begraven is: blind als de blik die we wisselen kust het de tijd op de mond. Ich weiß das abendlichste aller Hauser: ein viel tiefres Aug als deines halt dort Ausschau. Vom Giebel weht die große Kummerfahne: ihr grünes Tuch - du weißt nicht, dass du's webtest. Auch fliegts so hoch, als hättst nicht du's gewebt. Das Wort, von dem du Abschied nahmst, heißt dich am Tor willkommen, und was dich hier gestreift hat, Halm und Herz. und Blume, ist Iängst dort Gast und streift dich nimmermehr. Doch trittst in jenem Haus du vor den Spiegel, so sehen drei, so sehen Blume, Herz und Halm dich an. Und jenes tiefre Aug, es trinkt dein tiefes Auge.
DE VASTE BURCHT Ik ken het avondlijkste aller huizen: een veel dieper oog dan het jouwe staat er op uitkijk. Aan de gevel waait de grote kommervlag: haar groene doek - je weet niet dat je het weefde. Het vliegt ook zo hoog, als was een ander de wever. Het woord waarvan je afscheid nam, begroet jou aan de poort, en wat je hier geroerd heeft, halm en hart en bloem, is daar allang te gast en roert je nooit meer. Maar ga je in dat huis voor de spiegel staan, dan kijkt een drietal, dan kijken bloem en hart en halm je aan. En dat diepere oog, het drinkt jouw diepe oog. Aus getriebenem Golde, so wie du’s mir anbefahlst, Mutter, formt ich den Leuchter, daraus sie empor mir dunkelt inmitten splitternder Stunden: deines Totseins Tochter.
Schlank von Gestalt, ein schmaler, mandeläugiger Schatten, Mund und Geslecht umtanzt von Schlummergetier, entschwebt sie dem klaffenden Golde, steigt sie hinan zum Scheitel des Jetzt.
BIJ EEN KAARS Uit gedreven goud, zoals je me aanbeval, moeder, smeed ik de luchter waaruit ze opdonkert in me, te midden van vergruizende uren: de dochter van jouw dood-zijn.
Slank van gestalte, een dunne schaduw met amandelogen, mond en geslacht omdanst door sluimergedierte, ontzweeft ze de gapende goudkloof, stijgt ze nader to de kruin van het nu.
Dies ist das Auge der Zeit: es blickt scheel unter siebenfarbener Braue. Sein Lid wird von Feuern gewaschen, seine Träne ist Dampf.
Der blinde Stern fliegt es an und zerschmilzt an der heißeren Wimper: es wird warm in der Welt, und die Toten knospen und blühen.
Mit nachtverhangnen Lippen sprech ich den Segen:
Im Namen der Drei, die einander befehden, bis der Himmel hinabtaucht ins Grab der Gefühle, im Namen der Drei, deren Ringe am Finger mir glänzen, sooft ich den Bäumen im Abgrund das Haar lös, auf dass die Tiefe durchrauscht sei van reicherer Flut-, im Namen des ersten der Drei, der aufschrie, als es zu leb en galt dort, wo vor ihm sein Wort schon gewesen, im Namen des zweiten, der zusah und weinte, im Namen des dritten, der weisse Steine häuft in der Mitte, - sprech ich dich frei vom Amen, das uns übertäubt, vom eisigen Licht, das es säumt, da, wo es turmhoch ins Meer tritt, da, wo die graue, die Taube aufpickt die Namen diesseits und jenseits des Sterbens: Du bleibst, du bleibst, du bleibst Einer Toten Kind, geweiht dem Nein meiner Sehnsucht, vermählt einer Schrunde der Zeit, vor die mich das Mutterwort führte, auf dass ein einziges Mal erzittre die Hand, die je und je mir ans Herz greift!
OOG VAN DE TIJD Dit is het oog van de tijd: het kijkt scheel van onder een zevenkleurige wenkbrauw. Het lid wordt gewassen door vuren, zijn tranen zijn damp.
De blinde ster botst erop en smelt weg op de hetere wimper: het wordt warm in de wereld, en de doden botten en bloeien.
Met door nacht bedekte lippen spreek ik de zegen:
In naam van de drie die elkander bestrijden tot de hemel neerdaalt in het graf der gevoelens, in naam van de drie wier ringen mijn vingers sieren wanneer ik de bomen beneden van haren ontdoe, opdat de diepte doorruist wordt door rijkere vloed -, in naam van de eerste der drie, die schreeuwde toen er moest worden geleefd waar zijn woord hem al voor was geweest, in naam van de tweede, die toekeek en huilde, in naam van de derde, die witte stenen stapelt in het midden, - spreek ik je vrij van het amen dat ons verdooft, van het ijzige licht dat het omzoomt, daar waar het hoog als een toren in zee gaat, daar waar de grijze, de duif de namen oppikt aan deze en gene zijde van het sterven: je blijft, je blijft, je blijft het kind van een dode, gewijd aan het nee van mijn hunkering, gehuwd met een barst in de tijd waarheen het moederwoord me leidde, opdat, één keer slechts, de hand zal trillen die mijn hart van tijd tot tijd grijpt.
Flügelnacht, weither gekommen und nun für immer gespannt über Kreide und Kalk. Kiesel, abgrundhin rollend. Schnee. Und mehr noch des Weissen.
Unsichtbar, was braun schien, gedankenfarben und wild überwuchert von Worten.
Kalk ist und Kreide. Und Kiesel. Schnee. Und mehr noch des Weissen.
Du, du selbst: in das fremde Auge gebettet, das dies überblickt.
VLEUGELNACHT Vleugelnacht, gekomen van ver, en nu voorgoed gespreid boven krijt en kalk. Kiezel, afgrondwaarts rollend. Sneeuw. En nog meer dat wit is.
Onzichtbaar wat bruin leek, gedachtekleurig en wild omwoekerd door woorden.
Kalk is en krijt. En kiezel. Sneeuw. En nog meer dat wit is. Jij, jijzelf: in het vreemde oog gebed dat dit overziet. Augenrund zwischen den Staben.
Flimmertier Lid rudert nach oben, gibt einen Blick frei.
Iris, Schwimmerin, traumlos und trüb: der Himmel, herzgrau, muss nah sein.
Schrag, in der eisernen Tülle, der blakende Span. Am Lichtsinn erräst du die Seele.
(Wär ich wie du. Warst du wie ich. Standen wir nicht unter einem Passat? Wir sind Fremde.)
Die Fliesen. Darauf, dicht beieinander, die beiden herzgrauen Lachen: zwei Mundvoll Schweigen.
SPREEKTRALIE Ogen rond tussen de spijlen. Ooglid, trilhaardiertje, roeit opwaarts, geeft een blik vrij.
Iris, zwemster, droomloos en dof: vast is de hemel, hartgrauw, nabij.
Schuin, in de ijzeren dil, de roetende spaan. Aan de lichtzin peil je de ziel.
(Was ik ais jij. Was jij als ik Stonden we niet onder één passaat? We zijn vreemden.)
( De tegels. Daarop, dicht bij elkaar, beide hartgauwe plassen: twee monden vol zwijgen. Föhniges Du. Die Stille flog uns voraus, ein zweites deutliches Leben.
Ich gewann, ich verlor, wir glaubten an dustere Wunder, der Ast, rasch an den Himmel geschrieben, trug uns, wuchs durchs ziehende Weis in die Mondbahn, ein Morgen sprang ins Gestern hinauf, wir holten, zerstoben, den Leuchter, ich stürzte alles in niemandes Hand.
Een dag en nog een Föhnig was je. De stilte loog voor ons uit, een tweede, duidelijk leven.
Ik won, ik verloor, we geloofden in duistere wonderen, de tak, snel aan de hemel geschreven, droeg ons, groeide door het trekkende wit naar de baan van de maan, een morgen sprong op naar gisteren, we haalden, uiteengestoven, de kandelaar, ik stortte alles in niemand z'n hand.
(vertaling; T. Naaikens)
wirft das schlaflos durchwanderte Brotland den Lebensberg auf.
Aus seiner Krume knetest du neu unsre Namen, die ich, ein deinem gleichendes Aug an jedem der Finger, abtaste nach einer Stelle, durch die ich mich zu dir heranwachen kann, die helle Hungerkerze im Mund.
DOOR DE ONDROOM aangevreten werpt het slapeloos doordwaalde broodland de Ievensberg op.
Uit zijn kruim kneed jij onze namen opnieuw, die ik, een oog als het jouwe aan elk van mijn vingers, aftast naar een plek waardoor ik mij nader tot jou waken kan, de helle hongerkaars in mijn mond. SCHWIMMHÄUTE zwischen den Worten, ihr Zeithof - ein Tümpel,
Graugrätiges hinter dem Leuchtschopf Bedeutung.
ZWEMVLIEZEN tussen de woorden, hun tijdhalo - een plas,
grauw en kregel achter de lichtkuif betekenis.
war die ein – flüglig schwebende Amsel, über der Brandmauer, hinter Paris, droben, im Gedicht.
AANSPREEKZAAM was de een – vleugelig zwevende merel, boven de brandmuur, achter Parijs, boven, in het gedicht.
Lass dein Aug in der Kammer sein eine Kerze, den Blick einen Docht, lass mich blind genug sein, ihn zu entzünden.
Nein. Lass anderes sein.
Tritt vor dein Haus, schirr deinen scheckigen Traum an, lass seine Hufe reden zum Schnee, den du fortbliest vom First meiner Seele.
DUBBELGESTALTE Laat je oog in de kamer een kaars zijn, Je blik een pit, Laat me blind genoeg zijn, Om hem aan te steken.
Nee. Laat iets anders zijn. Treed voor je huis, span je gevlekte droom in, laat spreken zijn hoeven tot de sneeuw die je afblies van de kam van mijn ziel.
Aug in Aug, in der Kühle, lass uns auch solches beginnen: gemeinsam lag uns atmen den Schleier, der uns voreinander verbirgt, wenn der Abend sich anschickt zu messen, wie weit es noch ist von jeder Gestalt, die er annimmt, zu jeder Gestalt, die er uns beiden geliehn.
V E R T E N Oog in oog, in de koelte, laat ook ons iets beginnen als dit: laat ons samen de sluier ademen die ons voor elkaar verbergt als de avond gaat peilen hoe ver het nog is van elke gestalte die hij aanneemt naar elke gestalte die hij ons beiden geleend heeft.
Wo Eis ist, ist Kühle für zwei. Für zwei: so ließ ich dich kommen. Ein Hauch wie von Feuer war um dich Du kamst von der Rose her.
Ich fragte: Wie hiess man dich dort? Du nanntest ihn mir, jenen Namen: ein Schein wie von Asche lag drauf- Von der Rose her kamst du.
WAAR IJS IS Waar ijs is, is koelte voor twee. Voor twee: dus liet ik je komen. Om je heen hing een zweem als van vuur - je kwam van de roos.
Hoe werd je er, vroeg ik, genoemd? En je noemde hem mij, die naam: een glimp van as lag erover - Van de roos kwam je af.
Rabenüberschwärmte Weizenwoge. Welchen Himmels Blau? Des untern? Obern? Später Pfeil, der von der Seele schnellte. Stärkres Schwirren. Näh'res Glühen. Beide Welten.
ONDER EEN SCHILDERIJ Door raven omzwermde graangolven. Blauw van welke hemel? De onderste? Bovenste? Late pijl, die van de ziel zoefde. Sterker gesnor. Nabijere gloed. Beide werelden.
HET COMPLETE WERK VAN PAUL CELAN:
|
|
|
de Rijn - collage 30 x 40 cm
Share |
canandanann 31-01-2012
|