katznelson
Start Omhoog

                 


Jitzchak Katnelson

Lied van het vermoorde Joodse Volk

Naarden 1966, (Element Uitgevers)

Vertaling W. Bril


 



 


ZING

1.

"Zing! neem je harp ter hand

hol, uitgeput, ontzield

leg op de dunne snaren

je loden vingers, als harten

die gemarteld zijn

en zing het laatste lied

zing van Europa’s laatste

joden het laatste lied."

2

-Hoe kan ik zingen'?

hoe krijg ik klanken

uit mijn keel, ik die

eenzaam achter bleef

mijn vrouwen mijn twee

jongens, prille duifjes nog-

o gruwel! mijn lichaam beeft. ..

ik hoor geween, overal geween -

 

3

"Zing, zing! verhef

je van smart gebroken stem

zoek! zoek hem daarboven

of hij er nog is -en zing...

zing voor hem het laatste

lied over de laatste joden

geleefd, gestorven, niet begraven

en tot niets vergaan... "

4

-Hoe kan ik zingen'? hoe kan ik

mijn hoofd opbeuren'? mijn vrouw

is weggevoerd met Bentzje

en met Jomele, nog maar een kind

ze werden me ontnomen en ze

laten me niet los! O duistere

schimmen van wie eens mijn zonlicht

waren, schimmen koud en blind. -

5

"Zing, zing nog één keer

in dit leven, strek je hals

kijk hem strak in de ogen

en zing je laatste lied

voor hem, speel op je harp:

er zijn geen joden meer!

vermoord!

ze zijn niet meer!"

6

-Hoe kan ik zingen?

hoe mijn verstarde blik

opslaan? een traan, gestold,

heeft zich genesteld

in mijn oog, worstelt

zich naar buiten

wil er uit maar kan niet

kan niet vallen, God mijn God! -

7

"Zing, zing, staar

dan omhoog met blinde

ogen als woonde in de hemelen

een God, geef hem een teken

alsof daar nog een groot

geluk ons tegenblinkt

ga zitten op de puinhoop

van je vermoorde volk en zing!"

8

-Hoe kan ik zingen

als de wereld woest en leeg is?

hoe kan ik spelen

met geknakte vingers'?

waar zijn mijn doden, God?

ik zoek in iedere hoop drek

in iedere berg as: spreek

waar kan ik jullie vinden?

9

 Schreeuw uit elke korrel zand

van onder iedere steen

uit al het stof, schreeuw

uit alle vlammen, alle rook

want dat is jullie vlees en bloed

het merg van je gebeente

dat is jullie lijf en leven

schreeuw het uit, schreeuw hemelhoog!

10

Schreeuw uit de ingewanden

 van de vissen in het water, van de

wilde dieren in het bos aan wie je

werd gevoerd, uit kalkovens

huil, huil groot en klein

jammer, maak misbaar, ik wil

jullie stemmen horen, schrei

mijn uitgemoorde volk, ten hemel schrei!

11

Nee schrei niet ten hemel, doof

als de gore aarde is de hemel

en schrei niet naar de zon

ach kon ik die lichtbron

doven zoals men het licht

dooft in een moordenaarsnest;

mijn volk, jouw glans was sterker

dan de zon! je gaf meer licht!

12

Sta op, mijn volk,

verschijn, strek je handen

uit al die graven, diep

en overvol en eindeloos lang

laag om laag

met kalk begoten en verbrand,

sta op! rijs op vanuit

de onderste, de diepste laag.

13

Komt allen uit Treblinka

uit Auschwitz, uit Sobibor

uit Belzec, uit Ponar

komt van daar en daar en daar

met gesmoord gehuil, gebroken ogen

met woordenloze jammerklacht

komt uit moeras, uit zand

uit diepe modderpoelen.

14

Komt, uitgeteerden

verpletterd en vermorzelden

komt, trekt een wijde cirkel

om mij heen, schaar je

in de grote kring: zeides, bobes,

mames met kindjes in hun buik

kom, tot zeep en meel vermalen

joods gebeente.

15

Kom tevoorschijn allemaal

treed uit het duister

zien wil ik jullie, aankijken

stuk voor stuk, ik wil heel

mijn uitgeroeide volk aankijken

sprakeloos, verstomd -

en ik zal zingen… ja...

geef hier die harp ik… speel!

3-5/10/1943

 


IK SPEEL

1

Ik speel; ik hurkte op de grond

en speelde, treurend zong ik:

o mijn volk!

miljoenen joden stonden

om mij heen en luisterden

miljoenen uitgeroeiden

ze luisterden

een mensenzee.

2

Een mensenzee, zo groot, onmetelijk!

Ezechiels dal vol beenderen zou

er bij in het niet verzinken

een rimpel in de aardkorst

en hij, Ezechiel zelf, zou niet

vol blind geloof en hoop als toen

tot de vermoorden spreken

hij zou als ik hier zitten, radeloos.

3

Radeloos en even hulpeloos

als ik zou hij gekweld

zijn blik ten hemel slaan

die grauw alom is, ver en leeg

en zou zijn hoofd weer buigen

dieper, dieper, dieper

naar de grond

verstomd tot steen.

4

Ezechiel, jood onder joden

in het dal van Babylon

jij zag de dorre beenderen

van je volk, je raakte

buiten zinnen en als een

ledenpop heb jij, Ezechiel,

je willoos door de Eeuwige

laten binnenvoeren in dat dal.

5

Je liet je door hem vragen:

'hasichjeino' mensenkind voorspel

'zullen deze beenderen

opstaan en herleven?'

jij wist het niet -wat zal

ik dan zeggen? wej iz mir

van mijn vermoorde volk zijn zelfs

geen beenderen gebleven!

6

Niets om vlees en spieren

aan te hechten, niets

om te bespannen met een huid

niets om leven in te blazen

zie, een volk, vermoord

volledig weggevaagd

staart ons roerloos

met starre ogen aan.

7

Zie, miljoenen hoofden naar ons

toegewend en handen uitgestrekt. ..

tel ze! gezichten, lippen, zie

bestierf daarop gejammer of gebed?

ga naar ze toe en raak ze aan....

niets om aan te raken, leegte!

'k heb mij een jiddisj volk

verbeeld! ik heb het mij verbeeld!

8

Ze zijn er niet en zullen

hier ook nooit meer zijn

het was een zinsbegoocheling

een hersenschim alleen

het foltertuig is zichtbaar

alleen de marteling

van deze massamoord

is levensgroot en waar.

9

Zie, allen staan ze om mij heen

in lange rijen, dichte drommen

en allen kijken ze

-een schok gaat door mijn lijf –

met Bentzjes ogen, met de

bange blik van Jomele

ach met Chanes droeve ogen

kijken ze me aan.

10

Ook de grote blauwe ogen

van Berl mijn broer

herken ik in hun blik!

daar staat hij zelf

hij zoekt zijn kinderen

hij weet niet dat ze hier

staan tussen de miljoenen...

ik zeg het hem niet, nee.

11

Mijn Chanele is weggehaald

met twee van onze zonen,

samen zijn ze weggesleept

zij weet waarheen

maar ze weet niet waar Zvi is

noch waar ik ben, ze weet niets

van mijn ongeluk af:

dat ik nog leef...

12

Ze kijkt mij aan met holle ogen

alsof ze mij niet ziet, zo

kijkt het hele volk mij aan

toe Chane, zwijgende

en zoveel zeggende

toe, kijk toch, Chane

luister naar mijn stem

herken me!

13

Bentsikl, mijn talmid-gochem,

Die Jeremia's klaaglied kent

luister naar mijn klaaglied

van de laatste jood het laatste lied

en jij mijn kleine Jomele

mijn zonlicht en mijn troost

waar is je glimlach Jom?

o glimlach, glimlach niet!

14

Je glimlach maakt me bang

zoals mijn glimlach anderen

schrik aanjaagt luister

naar mijn zingen .

als een hand laat ik mijn hart

de harp bespelen, zodat

het nog meer hartzeer geeft

en nog meer pijn van binnen.

15

Ezechiel en Jeremia.. .ik kan

ze missen! ik riep ze aan:

och help mij, sta mij bij!

maar met mijn laatste lied

zal ik op hen niet wachten

'k heb hun orakeltaal niet

nodig, ik zelf zal zingen

van mijn groot verdriet.

15/10/1943

 


VERDRIET, MIJN GROOT VERDRIET

1

Verdriet, mijn groot verdriet...

gezegend jullie, joden

eenzame overblijvenden

aan de overkant van de oceaan

jullie weten nog van niets...

als mijn verdriet zou spreken

je wereld zou verduisterd worden

vergiftigd je bestaan.

2

Verdriet, je wordt zo groot

in mij, je groeit maar door

je wroet en knaagt, waarheen?

naar binnen of naar buiten?

niet naar buiten!

groei inwaarts, groei en zwijg

terwijl je me zo pijnigt

o pijn, je bent zo groot.

3

.Je woekert in mij door

je graaft je gangen blindelings

met open muil, als wormen

in een graf. .. o pijn, o srnart

verstom in mij met al mijn doden

strek je in mij uit, om als

een worm in de mierikswortel

rust te vinden in mijn bitter hart.

4

Ani hagèver, ik ben de man

die verschrikking heeft gezien

die zag hoe onze kinderen

onze vrouwen, mannen jong en oud

de wagens in geslingerd werden

als stenen, spaanders hout

en meedogenloos geslagen

beledigd, uitgejouwd.

5

Ik keek door het raam, ik zag

de beulen, God mijn God!

wie sloeg en wie geslagen werd

ik zag het -van schaamte bevend

stond ik daar. ..o schande

o spot, men heeft de joden

ach met joden onze

joden omgebracht!

6

Gedoopte joden of tot doop bereid

met glimmende laarzen aan de

voeten en met petten, waarop

de davidsterren hakenkruisen leken

hebben ons in de gehate taal

genadeloos en grof

de trappen afgeschopt

de huizen uitgesmeten.

7

Ze trapten deuren in

drongen met geweld naar binnen

in verschanste joodse huizen

met knuppels en met vuisten

zochten ons en sloegen ons

dreven jong en oud naar buiten

de straat op naar de wagens

hemeltergend, schaamteloos.

8

Ze haalden ons uit kasten,

onder 't bed vandaan en scholden:

"de wagens wachten, naar de

Umschlagplatz, de duivel mag je

halen!" ze hebben ons uit huis

gesleurd en alles leeggeroofd

de laatste overjas, het laatste

meel, de laatste kruimel brood.

9

En op straat -zie –

het is om gek te worden!

de buurt is uitgestorven,

toch is er tumult, geschreeuw-

de hele joodse wijk is leeg...

de joodse wijk is vol: wagens

wagens met joden en uit de wagens

klinkt een ‘och oen wej’.

10

Wagens met joden!

huilend en wanhopig, roepend

velen zwijgen, maar hun zwijgen

ach, spreekt luider dan geschrei!

zij kijken elkaar aan, alleen

dat kijken al… is het een boze droom?

of is het waar? joodse politie overal

met petten, laarzen, O God sta ons bij!

11

De Duitser staat terzijde

en amuseert zich kostelijk

de Duitser staat op afstand

zich bemoeit zich er niet mee

de Duitser! hij brengt met joden

onze joden om, wee mij!

kijk naar de wagens, zie

de schande, zie de pijn.

12

Ik zag de volgeladen wagens

ik zag ze door mijn raam...

ik heb het hemelschreiend hulpgeroep

het stil gekerm gehoord – o wagens

van lijden met levende have

bestemd voor de dood...

de paarden trokken de wagens

en de wielen draaiden voort.

13

O stomme paarden, waarom laatje

het hoofd zo treurig hangen?

wielen wat draai je droevig rond?

weten jullie wel waarheen

 de weg voert? waarheen

zin? je ze weg voert, de edele

dochters en schrandere

zonen van mijn volk?

14

Ach als je het wist

wild zou je briesen

 steigeren op je achterpoten

je voorpoten als handen

radeloos ineenslaan

 en de ronde wielen

 van de wagens zouden

niet meer kunnen draaien...

15

Maar de paarden weten van niets,

uit Nowolipkistraat buigen zij

richting Zamenhof, naar

de omheinde  Umschlagplatz

waar treinen wachten, lege wagons

zij voeren al de onzen weg, ver weg

en keren morgen leeg weerom…

o wurgende angst!

22/10/1943


 

DE WAGONS ZIJN AL WEER TERUG!

1

Een wurgende angst, een

 felle schrik verlamt me –

de wagons zijn al weer hier!

gisteravond pas vertrokken

vandaag weer terug,

ze wachten op de Umschlagplatz...

 zie je die muilen?

ze staan dreigend open!

2

Ze willen al weer voedsel

ze zijn nog niet verzadigd

ze staan te popelen -joden!

waar blijven ze, breng hier!

ze hebben honger, als hadden

ze nog niets naar binnen

en hebben ze dat wel, nou en!

ze willen meer en meer.

3

Ze smachten, watertanden

als bij een volle dis

klaar om aan te vallen -joden!

laden maar, er kan nog wel wat bij!

joden, prille, jonge kinderen

zoete druiven op een oude tak

en oude joden als

koppige, belegen wijn.

4

"Het smaakt naar meer

schep nog eens op!"

als kille, harteloze

 vreters schreeuwen de wagons

om meer! ze zijn nog lang niet zat

en staan met open mond

te wachten op de Umschlagplatz

een lange rij stompzinnige wagons.

5

Ze hebben gisteren tot stikkens toe

zich volgepropt met joden,

tussen de levenden

stonden wezenloos de doden

de doden stónden

konden in 't gedrang niet vallen

het was ook niet te zien

wie dood was of nog leefde.

6

De doden schudden

met het hoofd als levenden

en bij de levenden stond

het doodszweet op het gelaat

een kind smeekte zijn dode mame:

"water, mame, een slok water!"

en sloeg haar met zijn handjes

in 't gezicht: "ik heb 't zo heet!"

7

Een ander kind, een kleintje nog,

bij zijn dode vader op de arm

ja, kinderen, misselijk

en dorstig houden het uit...

de vader, een robuuste man

was al bezweken, de kleine

weet het niet en roept:

"kom pappa kom, ik wil er uit."

8

En aan de andere kant, daar

in die hoek van de wagon

daar is iets aan de hand

weet iemand wat daar is gebeurd?

men glimlacht...gist. ..

er is zojuist iemand

uit de trein gesprongen!

er wordt geschoten, hoor!

9

Er is iemand uit de trein gesprongen –

en toch"een onderdrukt gelach;

o dierbaar volk

mijn heilig volk, waarom die lach?

hoor, de Oekraïner, hij

schiet vanaf het dak –

wat geeft 't?! als een van ons

maar vrij is, maar ontsnapt!

10

Want wat hindert ons een kogel? een kogel

wenst ieder zich in de wagon -een kogel

werkt afdoend en snel, beter buiten

in vrijheid om te komen dan...waar?

waar brengen ze ons heen? wie zet

de belijdenis der zonden in met luide

stem? bidt allen mee, bidt mee en stort

je dan uit deze hel naar buiten.

11

Lege wagons, eerst barstensvol

nu al weer leeg

waar zijn ze heen, de joden

waar heb je ze gelaten?

 tienduizend waren het, verzegeld

en geteld -hoe kom je alweer hier?

vertel, wagons, lege wagons

zeg me waar je bent geweest!

12

Ik weet het, van gene zijde

komen jullie, dat moet wel

heel dichtbij zijn, gisteren

ingeladen, weg -en nu al terug

klaar voor een nieuwe reis

wat een haast wagons! wat vlieg

je heen en weer? je zult als ik

vroeg oud zijn, oud, kapot en grijs.

13

Het toekijken alleen al alles zien en horen, oj gewald!

Hoe houden jullie het uit

al ben je dan van ijzer en van hout .

je lag ooit, ijzer, in de schoot

van moeder aarde, koel en diep

hout, jij was een boom op aarde

trots en groot.

14

En nu zijn jullie treinen

goederentreinen en zien toe

stille getuigen van een trieste

lading mensen in onmenselijke nood

jullie kijken doof en zwijgend toe

waar rijden jullie heen, wagons?

reist het joodse volk met jullie

naar de dood?

15

Ach, jullie zijn niet schuldig

ze laden jullie vol en roepen: fort!

vol word je uitgestuurd

en leeg loop je weer binnen-

wagons, terug van gene zijde

vertel tenminste iets, wielen

ratelende wielen, verhaal

en ik zal wenen...

26/10/1943

 


DE RAAD VAN DE JOODSE GEMEENTE VERGADERT OVER DE TIEN...

1

Verhaal wagons verhaal, alleen

jullie woonden de uitvaart bij

jullie, doodkisten, hebben de

levenden op hun laatste reis

gedragen, de dode stof bracht

het levende ten grave;

lm de doodkisten geven te

verstaan: niet vragen...

2

Verhaal, verhaal al weet ik meer

dan jullie, ik weet hoe het begon

ik zag toch de plakkaten door de Raad

zelf ondertekend met 'op straffe van';

ach ja 't was onder dwang

dus geen ontkomen aan:

zesduizend op één dag! ik ken

het begin ...het einde zagen jullie.

3

Verhaal, ik ken alleen het begin

het begin is niet genoeg

ik wil het einde horen

of heb je hinder van mijn tranen'?

vertel het einde, ik zal

luisteren en in stilte wenen

ik ben een rots die wordt geslagen

het water welt vanzelf.

4

Vertel! anders zal ik het doen

ja, ik zal vertellen, huilen zal ik

och mijn ogen, laatje tranen

om wat je zag de vrije loop

zwijgende doodkisten, over het einde

is zoveel te zeggen; weten jullie

hoe 'per-dag-zesduizend-joden'

tienduizend geworden zijn?

5

Je hebt eergisteren toch zesduizend

joden weggevoerd? slechts zesduizend

ten dode weggevoerd?

en gisteren zoveel meer! waarom?

tienduizend! exact tienduizend

en niet één minder God verhoede!

één dag later, na de eerste zes

zo'n sprong -luister, luister:

6

Als een horde wilde beesten

vielen zij binnen in het huis

van de Joodse Gemeente, de oudste

van de Raad, Czerniakow; de president

kreeg aangezegd: "zesduizend joden

zijn niet genoeg! zorg voor meer dan zes

tien eisen wij! tien! tien!"

zo, kort en scherp werd het gezegd.

7

"Heden nog moet dit plakkaat, bestemd

voor alle joden, worden opgehangen:

morgen -tienduizend -melden!"

en ze zijn weg; de president

verbleekt, zakt in zijn diepe stoel

bij de vergadertafel. ..je ondertekent'~

ga je akkoord met tien?

tien of zes, dat is toch om't even?

8

Czerniakow? ingenieur Czerniakow, Adam

hoor je me? tien? ja dat is meer dan zes

maar luister Adam... wat?! wat haal je

in je hoofd! je meent het heus?

ach daar is je assistente, zij weet

nog niet watje van plan bent...

je stuurt haar weer naar huis?

Adam, ach je huilt en huilt en huilt. ..

9

Waarom huilen? je bent toch geen slecht

mens maar....het blijft onder ons

je hebt weinig van een jood... het gaatje

om die tien? zes kon er wel mee door?

Ben je nu kwaad?op wie? ah, op jezelf...

Je hebt  wroeging en je neemt vergif...

Haast je dan, doe het wat sneller, vlug

de hele Raad staat dadelijk voor de deur.

10

Je hebt weinig van een jood, Adam...

 je neemt vergif, je doodt jezelf?

jolden wórden toch gedood en dat

vergt veel meer moed, maar nee

jij drinkt vergif? je reinigt je

je wast je schoon? jouw leven

staat in het teken van de doop

je sterven grijpt nog dieper in.

11

 Want wat is het gevolg? Niet jij

Niet jij maar wel de Raad

zal buigen voor het bevel...

wordt er nog gestemd? Nou ja proform

tien wordt geëist. ..wat doe je er tegen!

Adam, dezelfde twijfel die jij had

bij zes -wat doe je er tegen

knaagt ook aan hen, het is dezelfde worm.

12

Tja...Adam is dood, de dode

president zit in zijn stoel en wacht

de ogen dicht, zijn hoofd opzij gezakt

zo zit hij op zijn vaste plaats; de Raad

klopt aan -wat heeft dit te beduiden?

heeft de president zich ingesloten?

hij heeft toch zelf een spoedvergadering

belegd....klop nog eens, luider, luider!

13

Het leek precies of iemand

uit de kamer 'binnen' riep

dat dachten ze althans

en ja, de president zit als een dode

in zijn stoel- ''meneer de president

u hebt ons toch geroepen? u wenst

een zitting! hier zijn we...allemaal

de vergadering is voltallig."

14

En nu, wat nu? telefoneren?

nee, ze zullen razend zijn

ze zullen...nee beter niets gezegd!

 hij leeft al is hij dood.

Maar hoe nu verder? toch vergaderen

tien, ja tien!...zwijgend, stil

en bleek zet de Raad zich

rond de groene tafel. ..

15

De president aan het hoofd

dan de leden van de Raad

hun haren rijzen overeind

het bloed stolt in hun aderen

één neemt het woord –

zijn tong trilt als een blad...

allen luisteren, de dode president

leidt de vergadering -zoals het hoort.

29/10/1943

 


DE EERSTEN

1

Zo ging het verder: tienduizend

Per dag, tienduizend joden...

dat heeft niet lang geduurd

o nee niet lang, het werden er al gauw

vijftienduizend -die stad vol joden,

Warschau, vergrendeld en ommuurd

Verdween voor onze ogen

smolt weg als sneeuw.

2

Warschau! joodse stad van oudsher –

vol als een sjoel op Jom Kippoer, vol

als een jaarmarkt, Warschauer joden

handel drijvend op de markt, biddend

in sjoel zo droef en zo blijmoedig, joden

naar een karwei op zoek, naar God op zoek …

 Warschau, ommuurd en afgesloten –

wat bruiste je van leven toen!

3

Nu ben je leeg! ontvolkt! volkomen

leeggehaald! een graf ben je

een necropool en doodser dan een

dodenstad, met uitgestorven straten

-géén lijk zelfs te bekennen-

en openstaande huizen

niemand komt naar buiten

en niemand komt meer thuis.

4

 Als eersten waren kinderen

aan de beurt, de wezen en verlatenen

het edelste en mooiste dat

de boze aarde heeft! het eenzaamste

weesje uit een kinderhuis had

ons kunnen troosten en het bleekste

droevigste gezichtje was

voor ons een nieuwe dag geweest!

5

Eind winter tweeënveertig was ik

In zo’n kinderhuis, ik zat daar

In een hoekje en zag kinderen

net van straat gehaald; op schoot

bij een verzorgster zat een meisje 

amper twee jaar oud, lijkbleek

mager en met ogen o zo ernstig

ik keek ik keek-

6

Ik keek naar die tweejarige

dat joodse kind was honderd jaar

en honderd jaar haar ziel, haar pijn;

wat haar bobe in haar droom

niet heeft gezien zag zij –

ik huilde en zei tot mezelf:

huil niet, pijn gaat voorbij

de joodse ziel leeft voort.

7

 De joodse ziel leeft voort, doordringt

de wereld, verdiept het leven, verlicht

en prikkelt en maakt blinde ogen ziend;

zij is als de Torah, als profetie

als het heilige geschreven woord

huil niet. .. huil niet,

tachtig miljoen moordenaars

kind. tegen de ziel van één joods kind.

8

Huil niet. ..ik zag een meisje

van een jaar of vijf in dat asyl

dat haar huilend broertje,

veel kleiner nog dan zij en ziek,

te eten gaf, ze doopte droge brokjes

brood in dunne marmelade en smokkelde

die handig in zijn mond...

ik mocht het zien.

9

Ik mocht die kleine mame zien, dat

moedertje  van vijf, hoe ze hem voedde
hoe ze met hem babbelde; mijn jiddisje

mama was minder vindingrijk dan zij!

Met een lachje wiste ze zijn traantjes

Weg,  vertelde hem een grapje

Ach jiddij meidele! Sjolom Aleichem

had het je niet nagedaan, ik zag het!

10

 Ik zag daar de ontbering

In  dat kinderhuis, ik ging

Ook naar de tweede zaal, een

koude wind joeg er doorheen

een ijzeren vuurpot in een verre hoek

wierp zijn schijnsel op een

hoopje kinderen, halfnaakt

die zich warmden aan de kolengloed.

11

De een strekte een voetje naar het vuur

een tweede een bevroren handje

een ander warmde een bloot schoudertje

en één bleek jongetje met zwarte ogen

vertelde een verhaal, vertelde?

nee, hij bruiste, spetterde!

Jesaja, zo vurig en zo joods

heb jij nooit gesproken.

12

Hij sprak een mengeling van jiddisj

en hebreeuws nee het was puur losjn-koidesj!

luister,kijk naar die joodse ogen

kijk hoe hij zijn hoofd opheft. ..

 Jesaja, nooit ben jij zo klein geweest

als hij en nooit zo groot, nooit

zo goed, zo echt, en jij, Jesaja

hebt ook nooit zo diep geloofd! ...

13

En niet alleen dat jochie in het

kinderhuis, dat joch met zijn verhaal

maar ook zijn zusjes en zijn broertjes

luisterend met open mond...

dit hebben jullie, o alle landen

en steden van Europa, oude en herbouwde

dit hebben jullie eerder niet gezien

zoiets heeft op aarde eerder niet bestaan.

14

 Zij gingen er als eersten aan

die joodse kinderen allemaal

ouderloos de meesten en gekweld

door honger, kou, onder de luizen –

kleine Messiassen, kleine martelaren...

waarom die straf, waarom moesten zij

als eersten aan de beul

de hoogste prijs betalen?

15

 Als eersten werden zij gehaald

gingen als eersten op transport

opgeschept als hopen vuil

de wagens ingegooid –

afgevoerd, vermoord, verbrand

er bleef van hen geen spoor

wee mij, wee ons

van onze bloesem bleef geen spoor.

2-4/11/1943

 


TE LAAT

1

Wee mij, ik wist het

en mijn buren wisten het

iedereen van groot tot klein

van jong tot oud -we wisten het

en niemand die iets zei. ..geen woord!

ook voor onszelf verzwegen we het

stopten hot weg diep in ons binnenste

verstikten het.

2

Nog voor het ontuig ons had opgesloten

ons allemaal in veel te nauwe getto's

vóór Chelmno, vóór Belzee, nog vóór Ponar

lang vóór het einde, de eerste dagen

van de oorlog al, ontmoette je op straat

een vriend -ik weet het nog -

dan sloegen we onze ogen neer en

drukten steviger elkaar de hand.

3

Onze lippen, onze ogen zwegen

onze ogen waren bang de ander

aan te zien.. ,blikken geven meer

dan woorden je gedachten weer...

alleen de handen, onze sprakeloze

handen durfden het uit te schreeuwen:

mene tekel. ..onzichtbare woorden

geschreven aan de wand.

4

O niet wij alleen, de muren!

de muren in elk huis en elke steen

op straat, ze wisten het als wij ...

wie heeft het ze gezegd?

daarom staarden ze ons aan

de muren, akelig stil en bleek

daarom staarden ze ons aan

de stenen, zwijgend en ontzet.

5

We wisten het, de vissen in het water

de vogels op het dak, de niet-joden

om ons heen, ze wisten het: we gaan

er aan, wij allen moeten dood!

en zonder een waarom… wat doe je er aan!

het is een uitgemaakte zaak: ombrengen

het joodse volk! vernietigen van klein tot groot!

6

Amper was Hitlers oorlog uitgebroken

moordend en waanzinnig als hijzelf

amper had de barbaarse Duitse horde

Polens grondgebied bezet of

Het joodse volk begon

stad en sjtetl te verlaten

geen zuigeling bleef in zijn wieg

geen grijsaard op zijn eigen plek.

7

Men vluchtte, maar waarheen?

vraag niet waarheen, aan niemand

vraag evenmin waarom; wees blij

datje 't niet weet, vraag er niet naar!

geef niemand een advies, raad niets aan

en raad niets af, noch om rustig

thuis te blijven, noch op goed geluk

met alle anderen op weg te gaan.

8

Thuis! ... ze dringen joodse huizen

binnen en gaan er ongehoord te keer

erger nog: ze slepen mensen weg

weg uit hun huizen...op transport!

en de wegen...die zijn overvol, verstopt

kijk, Messerschmidts, hoe laag ze

overvliegen! kijk die dappere vliegers,

ze nemen uitgeputte joden onder schot.

9

Geef niemand raad, zelfs niet

aan wie je bent gehecht, die zich

vertwijfeld naar jou richt, smekend

als een knecht, en als een knecht

jouw hulp verwacht: wat moet ik doen?

ach zelfs al was je God

zeg niets! zeg niets! watje ook

aanraadt, het loopt slecht af.

10

Alle wegen, voetpaden en straten

bezweken onder de last van joden...

een last zonder rugzak op de schouders

een last zonder bagage in de hand...

ze liepen, zwaar met angst

beladen en in grote haast

en zonderhoop...ach, een ander land!

hoe komen we in een ander land\

11

Te laat! te laat, eergisteren

gisteren nog, vanmorgen kon je

met een bus, een trein, een goederentrein...

tot aan een grens nog ergens

nu is het te laat, wat nu?

de voeten als verlamd, de handen

machteloos, te laat! iedere uitgang

is al dicht, iedere deur gesloten.

12

Door de radio sprak een Duitser in 't Pools:

wij zijn in aantocht! het duurt niet lang

meer of wij marcheren binnen!

voor ons hoeft niemand bang te zijn!

de burger die zich rustig houdt

doen wij geen kwaad, "alleen de jood"

-zo schreeuwde hij de ether  in –

"de joodmoet op zijn hoede zijn!"

13

Het was woensdag, wanhoops-woensdag

twee uur na middernacht

nacht joden doolden ongewis en radeloos

langs Polens wegen, o God

met meer kans op overleven

gaat een soldaat de oorlog in –

in zo'n beroerde wereld heeft het

meer zin je het leven te benemen. 

14

Men vluchtte van Bendin naar Czestochowa,

Uit Kalish weg naar Lodz, de Lodzers

Zochten heul in Warschau en de Warschauers

ook zij verlieten in paniek hun stad, maar

in de ijlings verlaten joodse huizen werd

de vluchteling, die van elders kwam, bekropen

door een vreemde, kille angst, dezelfde angst

waarvoor hij uit zijn eigen huis was weggelopen geheim.

15

Het hele volk, in al zijn lagen

assimilanten en Bundisten

de namaak en de vurig vromen

de Zionisten en al die andere

handelaars in mooie praat

ze schrokken plotseling wakker

 de zweer brak door! red je!

Naar Erets-Jisroel! maar het was te laat..

7-12/11/1943

 


ONS HUIS VERWOEST  EN PLATGEBRAND

1

Te laat, alle wegen afgesloten

elke uitgang, elke grens is dicht

de aarde, evenals de hemel

heeft ons afgestoten, in grote

angst is men tot Lublin nog gekomen

en verder zelfs...maar wat daarna?

de dood loopt voor ons uit

met bloed, met vuur, met rook.

2

 Ze lopen, maar ontlopen niet...

en wie er toch in slaagt

wie met wonden en gezwollen voeten

denkt zijn doel bereikt te hebben

kijkt somber en vertwijfeld om

en wil terug, alleen maar terug!

ja, we keren om naar huis –

laat komen wat er komt.

3

 Ze keerden om. " o treurige weg

terug, dezelfde hel als heen

dezelfde kwelling, angst, gevaar

maar wel naar huis!

als we toch sterven moeten, dan

in de eigen stad, mijn eigen straat

mijn huis, mijn bed... o Godlaat

mij dood gaan in mijn eigen huis.

4

Ze gingen terug...de een heeft het gehaald

de ander God beware niet, maar iedereen

-óf onderweg óf terug in eigen huis-

kwam kwalijk aan zijn eind! elk menselijk

wezen, langs de weg vermoord of in de

bossen aan een boom gehangen, is een jood!

wie wel zijn huis bereikt, voor hem is

dag en nacht zijn huis niet meer een thuis.

5

Hij kan zich nergens laten zien, noch

binnenshuis noch buiten; een Duitser

-gisteren was hij nog een Pool, vandaag

Volksdeutscher -is naar hem op jacht .

“Jij hier? Je was toch weg, in veiligheid… "

roept een goede vriend geschrokken

en verbaasd, bij een toevallige ontmoeting

ergens in een achterstraat.

6

De synagogen zijn in brand gestoken

De Torahrollen in het vuur gegooid

de rabbijnen zijn gefolterd...jij, ben je

in een sjoel geweest? de heilige Ark staat

nog aan de oostwand, de bimah in het midden

en de rabbijn...waar is reb Jossel?

hij draaft rond de bimah, door een stel

Duitsers met zwepen opgejaagd.

7

De rabbijn is oud en klein van stuk

hij heeft een hoge rug en scheve

schouders, niet erg fraai nietwaar?

hij bukt en draait en draaft. .. en valt!

een zweep raakt keer op keer zijn bochel

de Duitsers kijken toe en proesten het uit. ..

rebbe, hef uw lichtend aangezicht omhoog

maak ze beschaamd, of nee verhul

8

verhul uw heilige gelaat

het straalt in volle luister

verspil het niet aan hen, laat

de wulpse zon zich maar bevlekken

de hemelen hun blauw onteren en

zich ontbloten voor die geile blikken!

wees niet als zij, u bent mooier,

rebbe, dan de zon en reiner dan de hemel!


9

Staan blijven rebbe...de Duitser maakt

zich kwaad, gebiedt u stil te staan

uw mond te openen, doe open! ...

de sjammes moet u spugen

in de mond... de rabbijn gehoorzaamt

maar de sjammes barst in huilen uit:

"meneer de Duitser, hoe kan ik hem...

onze rabbijn... zo onbeschaamd!"

10

"Spuug me sjammes, doe het snel, jij

ezel die je bent!" de sjammes valt

de officier te voet: "hoe kan ik heer

hoe kan ik en waarom? 't is onze rebbe

't is Jossele!" de rebbe schreeuwt:

"spuug! hij trekt al zijn revolver!"

de sjammes doet alsof hij spuugt...

de Duitser duwt hem ruw omver.

11

 "Kijk, kijk goed jij, vuile jood,

ik zal je leren hoe je spugen moet"

hij fluimt de rebbe in diens open

mond: "slik door!" de rebbe slikt

"kijk" roept de Duitser, wijzend

op de rebbe, "hij doet zijn plicht!"

de sjammes slaat zijn handen

voor het gezicht.

12

Toch een schot, het treft de sjammes

in zijn been -"en nu eruit en opgedonderd!"

hinkend leidt de sjammes de bejaarde rebbe die

nauwelijks nog lopen kan -hoogstens draven

rond de bimah in Gods huis -uit de synagoge

met zachte hand duwt hij hem voort

onder een regen van slagen ...

sla maar! de maat is nog niet vol.

13

De maat was nog niet vol, maar eer de rebbe

met de sjammes thuis gekomen is

zie, rook stijgt op en vlammen slaan omhoog:

waar? wat staat in brand? de sjoel!

de heilige Ark met deTorah! Es brent

oj oendzer sjtetl brent!

de rebbe draait zich om, de sjammes houdt

hem vast: ach de maat...de maat is vol.

14

O jij die in paniek ontvluchtte

waarom ben je teruggekeerd?

ongelukkige, waarom ben je

in den vreemde niet gebleven?

Zodat je niet had hoeven zien

hoe zwaar je huis geschonden werd,

hoe het bloedde en zonder reden

werd gepijnigd en onteerd.

15

Zeg toch waarom? de teruggekeerde

laat triest een vage glimlach zien

die op zijn gezicht verstart –

in hij zwijgt een ogenblik, dan kijkt

hij om zich heen in grote angst:

ik kom toch juist van huis:

ons huis is -overal

verwoest en platgebrand.

16-18/11/1943


 

TOT DE HEMELEN

1

Zo is het gegaan vanaf het begin...

hemel, zeg waarom? waartoe?

verklaar waarom juist wij vernederd

moesten worden op deze grote aarde?

de aarde hield zich doof en stom

deed of ze het niet zag, maar

hemel u hebt het gezien, u keek

van boven toe en kantelde niet om!

2

Uw banale blauw bleef onbewolkt

was stralend als altijd

de zon deed als een brute beul

in rood gekleed zijn dagelijkse ronde

de maan, schendige hoer, ging door

met haar nachtelijk getippel

en de sterren flikkerden

vals als katte-ogen.

3

Verdwijn! Ik wil u niet meer zien

wil niets meer van u weten

listige, verraderlijke, lage

hemelen daar boven, ach hoe berouwt

het mij dat ik u ooit geloofde, mijn vreugd

en wanhoop aan u toevertrouwde

mijn glimlach en mijn tranen, u bent even

smerig als die grote mesthoop aarde.

4

Hemelen ik heb in u geloofd, heb u

bezongen in mijn liederen, al mijn zangen

ik had u lief zoals een man een vrouw

maar zij verdween, zij loste op als schuim

uw vlammende zonsondergangen

vergeleek ik in mijn vroegste jeugd al

met mijn hoop: "zo gaat mijn hoop

ten onder, zo verbleekt mijn droom!"

5

Verdwijn, bedrogen hebt u ons

mijn volk en voorgeslacht bedrogen!

al eeuwen lang misleidt u ons, u hebt

mijn vaderen misleid en mijn profeten!

naar u, naar u hebben ze opgekeken

zich aan uw gloed gewarmd, en als

uw trouwste volgelingen hier op aarde

naar u gehunkerd en verlangd.

6

U riepen ze als eerste aan

eerst u, daarna de aarde pas

mijn Mozes deed dat, Jeremia en Jesaia:

"haazinoe!" riepen ze: "hoort, hemelen!"

want als gij niet luistert, wie dan wel?

wat bent u plotseling van ons vervreemd?

u bent niet beter dan de aarde

doorluchtige, verheven hemelen.

7

U kent, herkent ons al niet meer

waarom? zijn wij dan zo veranderd?

wij zijn nog steeds dezelfde joden

en beter nog, ik spreek niet voor mezelf!

ik wil, ik kan mij met de profeten

niet vergelijken, maar alle andere joden

al die ten dode weggesleepten

al die miljoenen uitgemoorden wel.

8

Zij zijn het beste deel, hebben meer geleden

zijn in ballingschap gelouterd, o wat betekent

een groot man van weleer, vergeleken

met een kleine, doorsnee jood van nu

balling in Polen, in Litouwen, in Wolhynië

of waar ter wereld ook? -uit iedere joodse mond

jammert een Jeremia, een Job in grote nood

een koning met zijn 'IJdelheid der ijdelheden'.

9

 Hemelen, u kent, herkent ons al niet meer

niet één van ons, als hadden we ons vermomd

toch zijn wij nog dezelfde joden, wij zondigen

nog steeds, maar louter tegen ons zelf
eigen geluk, daar gaat het ons niet om

ook nu nog willen wij de wereld redden –

blauwe hemelen, wat bent u blauw terwijl wij

worden uitgemoord! wat bent u mooi, waarom?

10

Ik zal als Saul, mijn koning, in mijn wanhoop

tot tovenarij mijn toevlucht nemen

ik zal als hij het duistere pad betreden

het pad der radelozen naar Ein-Dor

ik roep al mijn profeten uit hun graven

en bezweer hen: komt, verrijst, sta op

richt u tot die mooie hemelen en spuw hen

in het gezicht: "vervloekt! de duivel mag je halen!"

11

U hebt, hemelen, van boven toegekeken hoe

onze kinderen met boten, treinen en te voet

zijn weggevoerd, bij dag of in het diepste

duister, hun einde tegemoet –

in stervensnood staken miljoenen kinderen

hun handen naar u uit, miljoenen edele

mama's, papa's, het heeft u niet geraakt

uw blauwe huid bleef strak en gaaf.

12

U zag de Jomeles, elfjarigen,

een en al goedheid, levenslust

u zag de Bentzjes, kleine bollebozen

ernstig en leergierig, o troost

van al wat leeft, u zag de Chanes

die hen baarden, die hen heiligden

in Gods huis, en u keek toe.. .lege

hemelen, er woont geen God in u!

13

Er woont geen God in u! open wijd

uw poorten voor de kinderen

van mijn volk, vermoord, gefolterd

open alle poorten voor de grote

'hemelvaart', heel mijn volk

barbaars gekruisigd moet naar binnen...

o, elk joods kind dat werd gedood

verdient de plaats van God.

14

Hemel, woest en leeg als een woestijn

in wie ik mijn enige God verloor

voor hen was dat te weinig, zij hebben er

in u wel drie: de joodse God, diens Geest

en de jood uit Galilea, die zij

hebben opgehangen -het was nog niet

genoeg, wij állen moesten naar de andere

wereld -O smerige afgoderij!

15

Verheug u, hemelen, want u was arm

nu bent u rijk, gezegend met een volle

oogst! heel een volk viel u ten deel!

vier, hemelen, met de Duitsers feest

zij vieren het op aarde met u mee

moge van hier een vuur oplaaien

en u, hemelen, verzengen, om daarna

verschroeiend op aarde terug te slaan.

23-26/11/1943


 

HET BEGIN VAN HET EINDE

1

Zo was de eerste dag, zo ging

het door, de dag erna opnieuw

iedere ochtend weer opnieuw –

het leek pas gisteren! Verdriet

niet de tijd om oud te worden

vanmorgen vroeg, hoor: nieuwe rampspoed,

doodsangst telkens weer! de dood begeleidt

ons, volgt ons als een schaduw op de voet...

2

Dag in dag uit is iedereen getuige

van wat de ander overkomt,

'iets’ wat-dan-ook... getroffen worden

door een kogel en sterven is 'zoiets';  

een auto stopt, 't portier gaat open

iemand wordt er in gesleurd en

weggevoerd... je bent beter af

als je op straat wordt neergeschoten.

3

De eerste dagen dat zij binnentrokken

in de stad, heb ik niet thuis geslapen,

een avond was ik naar familie onderweg

mijn vrouw ging dit keer mee, een officier,

dook uit het donker op, hield halt

hij keek me aan... heel even maar en liep

weer door; tien stappen verder klonk

er een schot, hij had een ander neergeknald.

4

Ons! Chanele, ons schoot hij dood

jou en mij, hij zocht alleen een jood

en was van ons niet zeker...

zag je hoe de bloedhond ons bekeek?

wij versnelden noch vertraagden onze stap

de stap van leven naar de dood...

hij liep een ander tegen het lijf

 in zijn ogen een meer uitgesproken jood.

5

Chane, in die ene vreselijke sekonde

heeft hij ons allen neergemaaid

jou en mij en onze kinderen, het hele

Joodse volk in dit christelijke land!

met stalen blik nam hij ons op, hij legde

aan en schoot! spiedend in een straat

op een duister uur, greep hij zijn kans...

och Chane, wat zijn je handen koud.

6

Jouw handen en de mijne -koud

hij heeft ons allebei vermoord

ga naar huis en zeg de kinderen niet

dat we een Duitser tegenkwamen, dat hij daar

stond, blond, ons met zijn blik heeft omgebracht

ons én hen en heel ons volk, zeg het ze niet,

God sta je bij en ga naar huis alsof er niets

gebeurd is, Chane, Chanele, je kijkt zo triest.

7

Ga naar huis en morgen vroeg wanneer de dag

aanbreekt zal ik bij jullie zijn, ik wacht

een ogenblik en bel dan zachtjes aan

je zult het horen, het signaal herkennen –

sta rustig op en sla iets om

open snel de deur en breng de kinderen

bij me...och mijn kleintjes zo vol

levenslust, zo mooi, zo jong.

8

Kijk, mijn Jomekl wordt met een glimlach

wakker... Jom, mijn kind, mijn schat!

en Bentzje steekt zijn hand onder zijn kussen

hij weet nog waar hij vóór het slapen gaan

zijn boek heeft neergelegd, hij bladert even

en vindt de bladzij en de regel. ..

waarom, o Chanele, o kinderen

waarom zijn jullie omgebracht?

9

Chanele, ik blijf vannacht bij jullie

ik zal niet meer weg gaan 's nachts –

waarvoor moeten doden of ter dood

veroordeelden nog op hun hoede wezen?

we hebben toch het ergste al gehad

ze hebben ons al omgebracht

 je zag die Duitser? hoe hij keek?

wat hebben we dan nog te vrezen...

10

Dat was de satan zelf, vorst van

de onderwereld, louter vuil en drek

en bloeddorst, de belichaming

van al het kwaad, van redeloze haat

tegen rechtvaardigen die weerloos zijn

tegen alles wat van waarde is op aarde –

een Duitser! de Duitser, die bleef staan

en ons koud aankeek in de Gdanskastraat.

11

Het was Hitler, Himmler, Alfred

Rosenberg, nee alle Duitsers samen

het slechtste, meest gewetenloze volk

stond vóór ons in die straat. Chane

als ik toen een wapen had gehad

hem had vermoord, hem neergelegd

ik had mijn volk en jou en mij

en onze kinderen gered.

12

De kinderen zijn wakker, zeg hen niets!

wat doe je? ach, je tornt de koperen

knopen en de blauwe tressen

van hun schooljas af; je naait op

onze kleren en op die van Zvi de jodenster

ja Zvi is al groot! hij stribbelt tegen

wil de jas niet aan... en jij, Jomekl

mijn kleine, wat kijkje nu beteuterd?

13

Mijn Jomek weet niet dat men ons al

heeft vermoord of nog vermoorden gaat!

het hele Duitse volk is zelfs één traan

van een verdrietig jiddisj kind niet waard

ach als hij eens wist, mijn Jom, mijn zorgeloze

het wordt mij koud om het hart omdat ik zie

wat komen gaat, wee mij .... gelukkig, joodse

kinderen, dat jullie ogen nog niet zien.

14

Chanele, jij bent een sterke vrouw

veel sterker dan ik wist; je wilt alleen

hier achterblijven? met de kinderen alleen?

en mij zegje: vertrek naar Warschau

snel! ik ging naar Warschau, moest wel

gaan ofschoon ik het niet wou

mijn ogen bleven bij het afscheid droog...

de tranen stokten in mijn keel.

15

Nauwelijks twee maanden later ben jij

met de jongens uit je huis gezet

het is je nog gelukt mij in Warschau

te bereiken, samen zagen wij het voorspel

van het eind... bij het einde zelf

was jij met Bentzikl en Jomek niet meer hier...

met mijn oudste zoon bleef ik alleen en zag

ons aller ondergang in vlammen en in vuur.

4-6/12/1943


 

WEET JE NOG?

Ik zeg zo graag je naam, ik zeg

hem liefst hardop: Chanele!

Ik roep je zo graag aan, nu je

met mijn volk van mij werd weg-

genomen; je antwoordt me, kijkt

me stralend aan, om je mond

je droeve, lieve glimlach

ik roep je zo graag aan, om

in mijn eenzaamheid te vragen:

weetje nog?

2

Weet je nog? Ik vraag zo graag

of je het nog weet. Chanele

kom bij me, dichter bij me

leg op mijn schouder je geliefde

hoofd, je haren, prachtig zwart

met hier en daar wat wit, omarm mij

maak mij sterk, wek mij tot leven –

ik roep je wakker uitje rust

rust niet, Chanele, vergetelheid

mag nimmer onze wonden helen.

3

Kom bij me zitten, ik heb je zo zeer

lief... omwille van mijn grote

liefde, hoor wat ik je toevertrouw

je luistert! zelfs in mijn diepste rouw

maak je me nog blij, ChaneIe mijn vrouw!

in diepe smart om onze ondergang

bezwanger ik je met mijn aanklacht

draag die als je kind, zoals je

onze zonen droeg en stuur het dan

de wereld in, die zondig is en grauw.

4

Weet je het nog? het gruwelijkste

en onbarmhartigste dat de wereld

heeft gekend, weetje nog? Je weet het

die herinnering heb je meegenomen

naar de eeuwigheid, jij en mijn zonen

de slachting van ons volk en de kreet

om wraak zullen eeuwig in je gedachten

wonen, ook bij mij! ik vrees de dag

-moge hij nooit komen

dat ik vergeet. ..

5

Ik heb mij steeds op jou verlaten

meer dan op mijzelf, als was ik je

gezant, die jouw tedere bevel volbracht

ik deed wat je verlangde

je legde zware plichten op mijn schouders

ik heb ze allemaal vervuld, met vreugde

en ontzag: mijn volk heb ik in mijn hart

gesloten, ik droeg met hen de ballingschap

bezong hen in mijn verzen

vol hoop, vol angst.

6

Weet je nog het huis in Twardastraat

dat weeshuis in het kleine getto'?

die vijftig jongetjes? gezonde spruiten!

en het toneelstuk dat ik voor hen schreef

weetje het nog: 'Mich tsit in gas'?

die kinderen, ze groeiden spelend

in hun rol en werden levensecht

zo ook mijn stuk .. zij hebben

meer dan ik heel hun gevoel

en heel hun hart gegeven...

7

Weet je nog die dag dat wij

te horen kregen: ook zij, ook zij

zijn weggehaald, samen met hun trouwe

onderwijzers Dombrowski en zijn vrouw;

zonder het jou te zeggen ben ik meteen

naar de brug over Chlodnastraat

gegaan.. .in het kleine getto

zwierven nog alleen

wat honden rond en katten

en de zon... die scheen.

8

Joden trof ik in het kleine getto

niet meer aan, hier en daar zag ik

een schaduw sluipen met op zijn rug

een levensgrote zak; die zak deed me

vermoeden dat het een jood moest zijn

hij haastte zich, de zak hielp hem een handje

gaf hem een duw: 'vooruit, vooruit. .. '

het was gebeurd! niemand meer in Eizn-gas,

in Grzibow, in Krochmalna,Walitsów

onwardastraat, het was afgelopen! uit!

9

Ik ging van Cieplastraat de Twarda in

linksaf naar nummer zeven

ik vloog de poort door

pijlsnel de trappen op naar boven

tweede verdieping -ik opende de deur!

ik stond daar en ik wou.. .ik wou...

ik wou naar binnen, maar il{ kon niet

kon niet de drempel over

ik stond daar voor een open deur

en heb mij niet verroerd.


 

10

Ik hoorde een voetstap...

in de poort? of op de trap?

een laffe dief?

of laffer nog een Duitser?

ik liep de lange gang in

alle deuren rechts en links geopend

brede schoven zonlicht vielen

redeloos en zinloos in de gang

het verblindde en verwarde me

ik werd er duizelig van.

11

Ik zag jasjes hangen in de gang, een paar

herkende ik, raakte ze aan: Abale!

hij speelde de koopman in mijn stuk

-zijn scène speelde op een binnenhof –

hij maakte zijn entree met opgeheven hoofd

zijn blik gericht op alle vensters

en zwaaiend met zijn handen riep hij:

 "Jidn! heb je lorren, lappen, alles

wat gedragen is, versleten of kapot ik koop het op!"

12

Dat overjasje is van Ahrek, hij was

 de hoofdrol, de jongen die de straat

op wil, 'mich tsit in gas!' en die

zijn zangleraar ertussen neemt:

"ik moet naar huis, di mame iz mir krank"

hij stookt zijn vriendje op: "chaver,

kom mee, de straat op, jij zingt

en ik sla op de trommel"

als hij terug is in de klas hoort hij:

zijn moeder is echt ziek geworden!

13

En dat, dat nieuwe jasje is van Pinchas

de zoon van Hersjele, de dichter

Hersjele was zelf een jaar tevoren

van honger omgekomen en zijn

verweesde zoon speelde de hongerige

jongen die gewiekst en snel

uit een mand een broodje jat –

terwijl hij at, kwamen de tranen

de woorden stokten in zijn keel

hij had het zelf niet in de gaten.

14

Ik ga de zaal in en van schrik

loop ik er gelijk weer uit, haast mij

de eetzaal in, daarna de leraarskamer...

 ze zijn er niet, David Dombrowski

noch zijn vrouw! allebei

als Korczak enWilczynska

 zijn ze met de kinderen meegegaan

naar 't oord, waarheen een vader

noch een moeder hen begeleiden zou...

een berg papier ligt op de grond

15

 Ik doorzocht die rommelige hoop papier...

o werp al mijn geschriften in het vuur

om één kind van die vijftig jongetjes

te redden; Chanc, weetje het nog

ik bracht van Twardastraat geen weeskind

mee naar huis maar een gedrocht

'mich tsit in gas' geheten,

één schrift, de middelste van drie

een wangedrocht zonder hoofd en zonder benen.

14-165/12/1943


 

DE MILASTRAAT

1

Er is een straat in Warschau

dat is de Milastraat

o ruk uw hart uit

leg er een steen voor in de plaats

ruk uw behuilde ogen uit

bedek de plek met scherven

alsof u niets gezien hebt, niets

geweten, stop uw oren dicht

en luister niet, wees doof:

ik ga vertellen van de Milastraat.

2

Er is een straat in Warschau

de Milastraat. ..wie huilt daar

en zo zacht? ik niet, ik huil niet nee!

de Milastraat stijgt boven alle

tranen uit, daar huilt geen jood om

niet-joden, hadden zij 't gezien

zij zouden uitgebarsten zijn

in bitter, jammerlijk geween

niet-joden heb ik echter in die dagen

van Milastraat in het getto niet gezien.

3

Joden slechts en Duitsers...joden

joden, joden zoveel, steeds meer

toch waren driehonderdvijftigduizend

joden in Warschau al vermoord -

de oudjes neergemaaid

op de begraafplaats

de anderen naar Treblinka afgevoerd

en nog is het vol in Milastraat

overvol als treinwagons

kijk en verbaas u.


 

4

Waar komen ze vandaan?

ze waren toch al omgebracht!

allemaal al neergeschoten en vergast?

nee dit zijn joden die in fabrieken

werken, in Nowolipie-en Lesznostraat

joden met een arbeidsnummer, ja

joden met mazzel, die nog net

een baantje kregen in de fabriek

het laatste beetje joden, ja

 de rest! de rest. ..

5

Joden dus uit die fabrieken en joden

verderop tewerkgesteld in Gesiastraat

en leden van de joodse Raad

met kentekens op de borst

en bezems in de hand om lege

straten aan te vegen

en Arbeitsjuden die voor dag en dauw

elke morgen zingend het getto uitmarcheren

en ondergedoken joden...ja in Warschau

zijn nog joden!...ach dat wist ik niet...

6

Halewai, ik wou dat ze er niet waren

dat ze nooit geboren waren

en toch geboren, wou ik

dat ze eerder waren afgemaakt

zodat de Milastraat

die straat in Warschau

hen was bespaard gebleven –

luistert allen: gelukkig maar

dat er geen God bestaat

al gaat het zonder hem niet beter.

7

Maar als hij wel bestond was het nog

erger: God én de Milastraat! och

wat een stel! haal je kinders

uit je koffers waarin je ze verstopte

slinger ze, verpletter ze tegen de muren

steek levensgrote vuren aan en spring er handenwringend

in: er is een God! wat een gotspe!

wat een bespotting! wat een schande!

8

In alle vroegte, lang voordat het

wreed en dreigend dag begon te worden

was ieder op de hoogte, in kelders

en op zolders of waar men elders

zat verscholen: "alle joden

moeten zich voor tien uur melden

in de Milastraat en geen seconde

later, alleen met handbagage...

wie thuis blijft wordt

ter plekke doodgeschoten."

9

In alle vroegte en overal vandaan

formeerde zich een lange, dichte stoet:

die kwam tevoorschijn uit een kelder die van zolder, je zag meteen

waar ieder had gezeten zieken kropen uit hun bedden

kijk 's aan, ze zijn zo goed als beter!

jij, help ze niet bij 't gaan

ondersteun ze niet, als iemand

valt, reik hem geen hand:

10

hij is op weg naar Mila...

wij allen zijn op weg naar Mila

over een uur is hier geen joodse

ziel meer levend te bekennen

in geen enkele straat, niet in Dzielna

niet in Pawia, nergens meer!

over een uur ziet Warschau er

precies zo uit als alle joodse steden

en stadjes in Polen en Litouwen

en overal waar Duitsers binnenvielen.

11 Nog een uur en boven Warschau

zal de zon gedoofd zijn

en met ons verdwenen naar de Milastraat

met meer dan honderdduizend

joden naar de Milastraat -nee

het is niet de zon maar een

makabere hemel, die ons wreed

begeleidt en zich in elk gezicht

van deze meer dan honderdduizend

 joden lijkbleek weerspiegelt.

12

Angst! verstikkend vol als Milastraat

met joden is, zo vol is zij met angst

angst hangt in de lucht, ook wij

behoren deze aarde niet meer toe

de grond ontglipt aan onze voeten

ik zie bekenden, ik weet niet eens

hun namen meer, vrienden, vergeten

hoe ze heten als waren ze al dood...

 wie is hij? en wie is die daarginds?

en zij ...die vrouw hier met dat kind?

13

 Ik ben een huis binnen geslopen

met mijn zoon, een dag, een halve

nacht hielden we ons schuil, liggend,

op de grond; voor dag en dauw schoven

we aan, vijf in een rij bij de fabriek

langs de selectie, onze levens

in de waagschaal leggend

 -in de Duitse waagschaal –

 direct gedood te worden of pas later...

we liepen langs met opgeheven hoofd.

14

Ik keek en zag hoe men een plunjezak

van iemands magere schouders haalde

en de plunjezak begon te huilen...

een kind! een jodenkind! de bewaker, 

razend, wil weten wie de vader is

schreeuwt naar het kind:

 ''wijs aan, wie is je vader!"

de jongen kijkt zijn vader

 in de ogen, staart hem aan, huilt niet. ..

hij heeft zijn vader niet verraden.

15

Ach jongetje! de Duitser sleurt een ander

uit de rij, een 'schuldeloze' -jij!

en stuurt beide, man en kind,

naar een andere rij, de dodenrij –

dat was me toch een grap! ik zag het

-nee stel geen vragen, vraag niet

naar het 'wat, wanneer of waar!'

heb u toch bezworen:

niets zien, niets horen

als ik van Milastraat verhaal.

24-26/12/1943


 

MET CHALOETSIM

1

Nee stel geen vragen, herinner mij

niet meer aan Milastraat, voorheen

zo vol, zo uitgestorven nu, meer

dan honderdduizend joden liepen er

met tassen in de hand en zakken

op de rug, daarin een hemd,

een handdoek, een stuk brood

dat men de kinderen gaf

die, grauwen dorstig als de broodkorst

die ze aten, zwijgzaam waren als het graf.

2

Niets had geholpen, allen waren ze

gepakt, gevonden waar ze zaten weggekropen

diep in de kelders van de Milastraat

of op zolders, verscholen achter

planken, onder vuilnishopen

overal, we zaten overal, de Milastraat

wemelde van ons; hoe liep 't af:

er bleven weinigen maar over

we werden neergeschoten of

weggevoerd, genadeloos, ten dode.

3

Een klein deel van ons is teruggekeerd

naar de fabriek in Nowolipie en Leszno

ik werkte in de weverij, mijn zoon,

de enige die mij bleef, stond stil en stom

bij een machine; fabriek -o smerig oord

als een onrein altaar -wij, laatste

twintigduizend joden van het getto

klemmen ons nog aan je vast. ..

wie van ons heeft in die dagen het getto

niet gezien, wie heeft er niet rondgedwaald!

4

Er werd gewoond in afvalbakken

langs de straat, daar was het warm

en in de huizen voelde men zich vreemd

zijn eigen huis had niemand meer,

een akelige kou trok overal doorheen

een ieder at het armenvoedsel

dat anderen hem gaven

droeg een gekregen hemd

en sliep in vreemde, koudebedden....

eenzaam en ontheemd.

5

Onopgemerkt liep ik soms weg

uit de fabriek, sloop door lege

straten en glipte het getto binnen;

een tijdlang keek ik dan

naar die onmenselijke tafrelen

wie had zoiets verdiend? ik had

goede vrienden, niet één

is er meer over! even haastig

als ik het getto binnenging

heb ik het weer verlaten.

6

Dierbare vrienden had ik daar

schrijvers, musici en schilders

niemand meer, vermoord!

Hillel Zeitlin in gebedskleed

naar de Umschlag weggesleurd

en neergeschoten

ook Jisroel Stern en Gilbert,

juwelen als Warszawski, Dawidowicz,

Jacques Levi en Ostrzega, O trotse .

kroon op onze hoofden.

7

Een week later -ik sluip weer

het getto in...ik heb er toch nog vrienden!

Jitzchok Zukerman! en Zivia, zijn vrouw

de edelste, de dapperste op aarde! chaloetsim!

ja, partizanen! wie zegt: we hebben alles

in dit leven al verloren?

de partizanen zijn er nog! het leven

heeft nog zin, er is nog een houvast. ..

o nee, ik huil niet nee al staan er tranen in mijn ogen.

8

Jitzchok bracht voor mij die week

een groet uit Krakau mee van Laban! Laban

leider van de opstand daar, had hem gemeld

hoeveel officieren, tuig van de SS, ze hadden

koud gemaakt...terwijl hem dat werd meegedeeld

had plotseling een 'handen hoog!' geklonken

en Laban in officierstenue werd gearresteerd

Jitzchok ontvlucht, doolt rond, een kogel

in zijn been. "Jitzchok, het bloed

staat in je laars...ga liggen met dat been!"

9

Dat was zeventien januari

driëenveertig, ik bleef die nacht

bij hem en nog voor de dag aanbrak

-werd het maar nooit meer dag!

ging ik de straat op, terug van Zamenhof

naar Nowolipie, naar de fabriek –

het getto... afgesloten!

de SS verjaagt ons: terug!

soldaten met geweren in de aanslag

staan op alle hoeken.

10

Alweer! wat gaat er nu gebeuren?

het is met ons gedaan, ik krijg

het koud en warm tegelijk, ik ga terug

terug naar mijn zoon en naar de partizanen...

zij weten het al, iemand van buiten

heeft het nieuws gebracht: Zivia!

kijk, Jitzchok loopt alweer

op zijn gezonde en gewonde been

alsof de wond al was genezen –

hij schrikt als hij mij ziet, verbleekt,

11

hij wordt krijtwit. .."wat zie je bleek

Jitzchok!" wil ik zeggen, maar ik zwijg...

hij roept een medestrijder: "ga direct

een bunker zoeken op het erf

en breng die twee in veiligheid."

"Jitzehok" zeg ik en grijp hem stevig

bij de hand, zijn kleur komt terug –

"ik wij hier bij jullie blijven

Zvi ook, hij wil niet weg!"; een partizaan

komt binnen en deelt geweren uit.

12

Ik kreeg geen wapen, toch was dit

voor mij een weergaloos moment

al was het dan te laat. ..nee! het is

nooit te laat! ook als de laatste jood

een moordenaar doodt, redt hij zijn volk

 zelfs een volk dat al is uitgemoord...

 ''redt wat er te redden is!" spoorde

ik mijn makkers aan, ik sprak hen

moed in, hen en daarmee ook mijzelf

'mazzel oen braoche' heb ik hen toegewenst.


 

13

Ze hebben post gevat, de strijders, bij

de deur, in de gang en boven aan de trap,

bij het raam deed iemand fluisterend

verslag van wat er voorviel in de straat

ik stond roerloos voor een venster, dat
uitkeek op de Umschlagplatz..,wee mij

daar worden ze weer afgevoerd

zwijgend en met diepgebogen hoofd

de laatsten van mijn volk, waarom

ben ik niet blind, waarom niet doof?

14

Hoor, twee soldaten rennen weg

 de straat uit, ze komen met versterking

 terug en steken een gebouw in brand

een huisje aan de overkant staat al in vlam

in plaats het vuur te blussen wakkert

een brandweerman de vonken aan en meldt

aan een Duitser in het Pools:

 "hier zitten er nog drie verstopt!"

men haalt ze alle drie naar buiten en rood

kleurt zich de sneeuw, een warme damp stijgt op.

15

Wees stil! ze zijn nu vlak bij ons

ik zie een Duitser, ik zie alleen

zijn rug, niet zijn gezicht, hij wordt

niet in de rug geschoten, hij krijgt

een kogel in zijn borst en valt,

een tweede ook, "dieJuden schieszen"

roept één van hen verbaasd, ja het is waar!

joodse strijders, Zecharje, Gutman, Eliezer,

en in de Niskastraat de Garde van de Zionisten

ja, Juden schieszen! ze hadden het niet verwacht.

3-5/1/1944


 

HET EINDE

1

Ze hadden het niet verwacht

"die Juden schieszen!"ik hoorde

het hem schreeuwen, de satanszoon,

 vóór hem zijn smerige ziel verliet

het was geen schreeuw, het was ontzetting

hoe is dat mogelijk! -stomme verbazing

ongeloof: "die Juden schieszen!" o niet

 alleen van hem, het was een schreeuw van

tachtig miljoen moordenaars: ook zij!

de joden doen hetzelfde als wij!

2

Wee ons! wij kunnen het, wij kunnen

ons verweren en jullie, moordenaars,

vermoorden, ja ook wij! wij kunnen

echter iets dat jullie vreemd is

en altijd vreemd zal zijn: niet doden!

niet een weerloos volk vermorzelen

dat vergeefs de blik ten hemel slaat

dat kunnenjul1ie niet, zondig

geborenen: niet doden!

jullie grijpen eeuwig naar het zwaard.

3

 Ik ken jullie! en al weegt mijn woord

niet even zwaar als van mijn vaderen

de profeten, toch heb ik jullie even goed

 doorzien als zij! toen in 't begin van juli

het eerste doodstransport Warschau verliet

is er een vergadering belegd, was ik daar

bij geweest -ik zou mét de partizanen

 hebben uitgeroepen: tomoes nafsji! ....

 we worden allen uitgeroeid! evenals in Lublin,

in Litouwen, in Wolhynië en in de Oekraïne!

4

Ik weet het, het had niet geholpen

niet omdat we zonder wapens zaten –

een bijl is ook van ijzer en een kogel

graaft zich niet dieper in het vlees

 dan scherpe nagels....

maar joden in Amerika en in Erets-Jisroel

zouden zeker onze dood betreuren, toch

in hun hart - misschien ook wel hardop

ach, wen men

zouden ze zeggen: ach, hadden ze zich

maar niet verzet, was dat nou nodig...

5

Was dat nou nodig! wee mij, eind december

zat ik er nog zwijgend bij, toen enkele

joodse opzichters van de fabriek -in het

Pools uiting gaven aan hun woede

die groter was dan hun verdriet:

“wat een volk! als kalveren laat het zich

ter slachtbank voeren, wat een volk!"

en boos hebben ze het hoofd geschud...

wee ons, een volk dat van de aarde moet

verdwijnen geeft nóg zichzelf de schuld.

6

Op achttien januari zag ik vijfduizend

joden de dood ingaan en twee Duitsers

zag ik, twee moordenaars, van de op die dag

neergeschoten twaalf -slechts twaalf –

en ze sidderden van angst

die twee lafaards met hun wapens:

"die Juden schieszen!"

sindsdien drongen ze onze huizen

niet meer met zijn tweeën binnen

maar in horden, als een roedel wolven.

7

Als wolven! ik klom met jonge knapen

over muren, over scheve daken

met sneeuwen ijs bedekt, het hele blok

van Zamenhof nummer achtenvijftig naar

vierenveertig Muranow, vanaf het dak kropen

we naar binnen, een paar makkers bleven

met mij op de zolder, de anderen slopen

naar beneden, daar hebben ze weer twee

moordenaars geliquideerd, ik heb ze

niet gezien, hoorde alleen de schoten.

8

'sAvonds met zijn allen naar

Mila eenenzestig met een rijke buit

-een geweer en wat revolvers!

de dag erop hebben we ons verdeeld

ik zat in een groep van honderd

op een lange, smalle, koude zolder

een vrouw naast mij hoestte een paar keer

als een kat sprong iemand op haar toe

en wachtte met uitgestrekte vingers

scherpe nagels... ze stikte er haast in.

9

Een week later keerde ik terug

naar de fabriek, in Nowolipie

en Leszno waren alweer minder joden

daarom zijn wij er tewerkgesteld

om ons makkelijker te doden.

Bicz! waar ben jij Bicz! kortgeleden

nog een jeugdige Bundist, nu jood

in hart en nieren! ook in de fabrieken

heeft men zich verweerd! ook daar heeft men

ons weggevoerd, ook daar zijn we gedood.


 

10

Dagelijks neemt ons aantal af, maar niemand

sterft gewoon, we worden uit de weg geruimd

één krijgt op straat de kogel, een tweede wordt

gemarteld in een kerker van Zelazna honderddrie

en anderen gaan op transport -gewald!

ik zou het van de daken willen schreeuwen

luidkeels door de straten willen roepen:

gewald! maar er is blijdschap ook: wapens!

we kopen wapens! een deel van ons verschanst

zich in de bossen! Zvi wil met hen mee.

11

Zo weinig joden nog, zo'n handjevol

en tussen hen verraders: Alfred Nossig

 -moge zijn naamworden uitgewisten-

joodse naziknechten, joden die zich

verkochten aan de Duitsers...één troost

bleef ons: joden schieten hen als honden neer...

schiet maar, beter tien slechte joden afgemaakt

dan één slechte goj! niet allen gaan er aan...

met rijke honden wordt anders afgerekend: zoveel

voor een handgranaat, zoveel voor een geweer!

12

Sluipwegen zijn er over zolders

van Leszno tot aan Nowolipie, verder

via een binnenhof naar Smocza, dan

een stille straat in met je revolver

rechtsaf een gat door in een dikke muur

en je bent gelijk in het getto; kom je een

Duitser tegen, verman je, ga niet

aan de haal, hij vermoedt dat je gewapend

bent en gaat je uit de weg...wat wil je meer?

wat wil je, beste vriend, nog meer?

13

Jij wilt hetzelfde als ik, doodgaan

 Omdat je hart doodgaat, te vroeg wellicht

maar eindelijk rust -over en voorbij!

het laatste beetje joden wordt verplaatst

naar arbeidskampen in de buurt van Lublin

ik ga niet mee! al heb ik hier geen enkele

schuilplaats en naar de arische kant kan ik

niet komen; sommigen hebben verwanten

die zorgen voor een vreemdelingenpas...

als iemand ook eens aan mij dacht...

14

Voor al de mijnen hen ik al gestorven...

was het maar waar, maar nee ik zal niet

sterven. ik word vermoord...

ik werk niet meer in Nowolipie, de fabriek

is opgeheven, ik zwerf al dagen rond

in Lesznostraat; bij een kennis tref ik

een bleke jongen aan, die mij vertelt

dat hij van buiten is gekomen, dat hij

heel Groot-Polen heeft doorkruist, onderweg

heeft hij geen joden meer gezien, niet een.

15

Dat was twee dagen nog vóór Pesach

één dag later was het ook afgelopen

metde fabriek in Leszl1o.. .ik heb me

daar verscholen, ik hoorde dag en nacht

kanonnen,'s nachts zag ik het getto

branden, de laatste joden verdwenen

met de muren in het vuur -knetterende

vlammen verlichtten hel de hemel en als

daar iemand was, dan heeft hij toegekeken

en het eind gezien.

9-13/1/1944



 

VOORBIJ

1

Het einde. De hemel flakkert

in de nacht en hult zich overdag

in rook om 's nachts weer op te laaien

l'havdl- vergeef me de vergelijking

als de woestijn in onze vroegste dagen:

een wolkenzuil bij dag, een vuurzuil

in de nacht, zo ging mijn volk vol

vreugde en vertrouwen een nieuw leven

tegemoet, en nu de dood, het einde...

wij zijn allen van de aardbodem verdreven.

2

Waarom? laat niemand vragen naar 't waarom

want ieder weet het, elke niet-jood weet het

van de beste tot de slechtste; de slechtste

heeft de Duitsers goed geholpen en de beste

deed een oogje toe, hij hield zich slapende

nee, rekenschap hoeft niemand af te leggen

geen mens zal navraag doen naar hoe of wat

wij joden zijn nu eenmaal vogelvrij

men mag ons bloed vergieten

men mag ons doden, ongestraft.

3

Onder de Polen joeg de vijand

op de vrijheidsstrijders en dan

alleen maar op vermeende patriotten....

bij de Russen werden overwegend

partizanen neergeschoten...

bij ons vermoordde men de zuigelingen

en baby's in de moedederbuik

wij moesten állen naar Treblinka

en vóór wij onze dood in gingen

voegde men ons toe:

4

"Trek je kleren uit, leg ze zorgvuldig

neer, de schoenen aan elkaar geknoopt

laat alles achter, je hebt je spullen

straks weer nodig, je bent zo terug!

jullie komen van de reis? ach sol uit

Warschau, uit Parijs, uit Praag, Saloniki?

neem toch een douche!" en duizend

worden er een ruimte ingejaagd

en duizend wachten buiten, naakt

tot de eerste duizend zijn gestikt.

5

Zo werden wij vernietigd

van Griekenland tot Noorwegen

en tot aan Moskou toe, zeven

miljoen zowat, de ongeborenen

niet meegerekend, alleen de

zwangere moeders tellen mee

en is er ergens nog een jood

in Erets-Jisroel of in Amerika

eis ook de niet geboren kinderen op

die vergast zijn in de moederschoot.

6

Waarom gebeurde dit'? niemand vraagt

waarom, geen levend wezen -. wel de

levenloze stof: alle onbewoonde huizen

in duizend steden, dorpen vragen

naar 't waarom, want lege woningen

staan niet lang leeg, verlaten

huizen worden spoedig weer bewoond

er trekken andere mensen in, een andere

taal wordt er gesproken, de dagen

en de nachten zijn er anders.

7

De zon zal bij zijn opkomst boven 't sjtetl

in Polen en Litouwen geen oude joodse

man meer vinden, die staande voor het venster

gloedvol zijn psalmen bidt, noch iemand

onderweg naar sjoel, hij treft alleen

op alle wegen boeren op hun karren aan

die naar de jaarmarkt rijden als van ouds

louter gojim, meer dan ooit, gewald!

de markt, de markt is dood!

de markt is vol maar dood!

8

Geen jood zal meer de jaarmarkt

sieren, verlevendigen of bezielen

nergens zal een kaftan fladderen

die grutten meetorst, aardappels

en meel, geen joodse hand betast

een kip of streelt een kalf. ..

de dronken boer legt nors de zweep

over zijn paard, dat de volgeladen

wagen terugsleept naar het dorp...

en nergens, nergens joden meer.

9

Geen joodse kinderen meer, die 's morgens

vroeg ontwaken uit hun lichte dromen

ze gaan niet naar het cheder, kijken

hun ogen niet meer uit naar vogels

stoeien niet of spelen in het zand;

joodse jongetjes met je glinsterende ogen

engeltjes, vanwaar? van hier beneden'?

of uit een andere wereld? meisjes als

pareltjes, zelfs als hun gezichtjes

ongewassen zijn, hun haren ongekamd.

10

 Zij zijn niet meer! laat niemand, zelfs

aan verre kusten, vragen naar Kasrilewke, niet

naar Jehoepets, doe het niet! zoek Menachem-Mendl ,

 niet of Tevje der Milchiker, geen Sjloime-Nogid,

 Motke-·Ganev, zoek ze niet! zoals de jammerklacht

 van uw profeten Jesaia, Jeremia, Ezechiël,

Amos en Hosea opklinkt uit de eeuwige Tenach

zo wenen zij tot u uit Bialiks gedichten

zo spreken zij tot u uit de geschriften

van Sjalom Aleichem en van Sjolom Asch.

11

De stem van de Torah zal nimmer meer

te horen zijn in Talmoedscholen, synagogen

of uit de mond van bleke knapen, doorkneed

in 'lernen', die zich verdiepen in Gods leer

…nee, niet bleek maar met een matte glans!

gedoofd die glans! rabbijnen, leraren, broze

geleerden vol van bijbelcommentaren, klein

van gestalte, groot van geest, met hun hoge

voorhoofd en hun klare blik -ze zijn

niet meer en zullen niet meer zijn.

12

Geen joodse mame zal een kind meer wiegen

niemand sterft en niemand wordt geboren

jiddisje, aangrijpend mooie liederen

van onze grote dichters worden nergens

meer gehoord, voorbij, voorgoed voorbij!

verdwenen zijn de jiddisje theaters

je kunt er niet meer lachen door je

tranen heen, muzikanten, schilders als

Barczinsky, vernieuwers in de kunst…

 nooit meer een schepping van hun hand.

13

Geen joden meer, die zullen strijden

voor een idee, die zich opofferen

voor andermans belang, die het lijden

van de naasten willen lenigen

ongeacht hun eigen pijn;

o dwaze goj, de kogel die je afschoot

op een jood heeft ook jezelf getroffen!

wie zal je helpen bij de opbouw

van je land, wie zal je ooit nog zo

met hart en ziel zijn toegedaan?

14

Onze felle communisten raken nooit

meer slaags met de massa's van de Bund

en beide zullen niet meer bakkeleien

met onze trouwe chaloetsim!

zij torsten het zwaarste juk

brachten de grootste offers –

ik was zo vaak met tegenzin en pijn

van hun geharrewar getuige...

konden ze elkaar nog maar bestrijden,

ze zouden nog in leven zijn!

15

Niemand meer, wee mij, er was een volk,

vergaan! er was een volk...voorbij!

wat een verhaal! in de bijbel vangt het aan

en loopt tot aan vandaag, een verhaal

zo droef, wie vindt dat mooi? Vanaf Amalek

tot de Duitser, wreder nog dan hij ...

o verre hemel, wijde wereld, onafzienbare

oceanen, bundel uw krachten niet, verdelg

de satanskinderen niet op deze aarde…

laat hen zichzelf verdelgen!

15-18/1/1944

 

 

 


                 

 

    

de Rijn - collage 30 x 40 cm

 

 

  Share |

 

canandanann 31-01-2012