oorlog
Start wereldoorlog een getto en kamp

                 


 

 

 

Ik had een nieuwe driewieler, rood en geel, met een bel...

Denk je dat ze die ook kapotgemaakt hebben?  

Maida, 12 jaar, uit Skopje.

 

 

 

Dietrich Bonhoeffer:

 

 

 


Dietrich Bonhoeffer:  

NACHTELIJKE STEMMEN IN TEGEL

Uitgestrekt lig ik op mijn brits

te staren naar de grijze wand.

Buiten trekt een zomeravond

die mij niet kent

zingend door het land.

Zacht ebben de vloedgolven van de dag

op het eeuwige strand.

Ga even slapen!

Win kracht voor lichaam en ziel, hoofd en hand!

Buiten staan volken, huizen, hoofden en harten in brand.

Houd stand,

tot na de bloedrode nacht

jouw dag aanbreekt!

 

Nacht. Stilte.

Ik luister.

Alleen stappen en een roep van bewakers.

In de verte lacht heimelijk een verliefd stel.

Slaapkop hoor je niets anders?

Ik hoor het beven en twijfelen van mijn eigen ziel.

Niets anders?

Ik hoor, ik hoor

iets als stemmen, roepen,

schreeuwen als om reddingssloepen,

het zijn de onuitgesproken nachtelijke gedachten

van lotgenoten, die dromen of waken

ik hoor bedden onrustig kraken

ik hoor ketenen.

 

Ik hoor hoe ze slapeloos keren en woelen,

het verlangen naar vrijheid en daden voelen.

Als de slaap hen overmant in het morgengrauw

mompelen ze dromend van kind en vrouw.

Ik hoor gelukkige klanken van halfwassen zonen,

die zich laven aan kinderlijke dromen.

Ik hoor ze trekken aan hun deken

tot de nachtmerrie is geweken.

 

Ik hoor het zuchtend ademen van mannen oud en grijs

die zich stil toebereiden voor de grote reis.

Zij zagen recht en onrecht gaan en komen

nu zullen ze in onvergankelijke eeuwigheid wonen.

 

Nacht. Stilte.

Alleen stappen en een roep van bewakers.

Hoor je het beven, barsten en kraken

in dit zwijgende huis,

nu honderden gloeiende harten ontwaken?

 

Geen stem heeft het koor

maar ik neig mijn oor:

'wij vaders en zonen

waar wij ook wonen

wij zwakken en sterken

waar wij ook werken,

wij armen en rijken

in ongeluk gelijken

wij slechten en besten

uit alle gewesten,

wij mannen met wonden

getuigen van wie de dood vonden,

weerspannigen en belaagden,

onschuldigen en aangeklaagden,

door eenzaamheid geplaagden.

Broeder, wij zoeken, wij roepen je,

broeder hoor je mij?

 

Twaalf koude magere slagen van de torenklok

wekken mij.

Geen klank of warmte daarin

bedekken mij.

Boos blaffende honden om middernacht

verschrikken mij.

Armzalig klokgelui

scheidt een armoedig gisteren

van een arm heden.

Wat kan het betekenen,

dat dagen op elkaar volgen,

die voor niets nieuws, niets beters zorgen,

dan snel te wijken voor morgen?

 

Ik wil het keerpunt der tijden zien,

als de tekenen lichtend aan de nachtelijke hemel staan,

over de volkeren nieuwe klokken slaan

en onafgebroken luiden.

Ik wacht op een middernacht

die met verschrikking en stralende pracht

de slechten de angst laat vergaan

en de goeden in vreugde laat bestaan.

 

Booswicht,

kom in 't licht

toon je gezicht.

 

Bedrog en verraad,

slechte daad,

verzoening geeft baat.

 

Mensen merk

heilig en sterk

is het gericht aan 't werk.

 

Juicht en zegt

trouw en recht

nieuwe mensen voorzegd.

 

Hemel geef vrede,

verzoen al het wrede,

op aarde beneden.

 

Aarde gedij,

mens word vrij

wees vrij.

 

Ik heb mij plotseling opgericht

als kreeg ik op een zinkend schip land in zicht

als ware er iets te pakken, te grijpen,

als zag ik gouden vruchten rijpen.

Maar waar ik ook kijk of pak of gris

om mij is ondoordringbare duisternis.

 

Ik verzink in peinzende gedachten

verdiep mij in de diepte van het duister.

Nacht, vol kwaad en boze krachten,

zeg me je naam, ik luister.

 

Waarom, hoe lang nog tart je ons geduld?

Diep en lang zwijgen.

Dan hoor ik de nacht zich tot mij neigen:

Ik ben niet duister, duister is alleen de schuld.

 

De schuld! Ik hoor een beven en hijgen

ik hoor gemompel en geweeklaag oprijzen.

Ik hoor woede en misbaar

talloze stemmen door elkaar

vormen een geluidloos koor

dat opstijgt naar Gods oor.

 

"Door mensen gepijnigd en opgejaagd

weerloos gemaakt en aangeklaagd,

al moeten we zware lasten dragen,

toch zijn wij het die aanklagen.

 

Wij klagen hen aan die ons tot zonde porden

die ons medeschuldig lieten worden.

Zij maakten ons van het onrecht getuige

om medeschuldigen voor hen te laten buigen.

 

Veel kwaad sloegen onze ogen gade

zo werden wij met schuld beladen.

Toen stopten ze onze monden dicht

en maakten het zwijgen tot onze plicht.

 

Wij leerden al snel hun hielen te likken

en openlijk onrecht zomaar te slikken.

Werd weerloze mensen geweld aangedaan

dan bleef ons oog koud, het liet geen traan.

 

De brandende vragen, die het hart ons gebood,

noemen wij niet, we zwegen ze dood.

We beteugelden ons vurig bloed

en doofden de innerlijke gloed.

 

Al wat mensen ooit heilig had verbonden,

hebben wij verscheurd en geschonden.

Verraden waren vriendschap en trouw

bespottelijk tranen en berouw.

 

Wij zonen uit vrome geslachten,

die vochten voor recht en ware gedachten

verachten nu God en de mensen.

Wat meer kan de hel zich wensen?

 

Maar ook al zijn wij van vrijheid en eer beroofd,

voor mensen heffen wij trots het hoofd,

ondanks alle kwaadsprekerij,

voor mensen spreken wij ons vrij.

 

Rustig kunnen we voor hen staan

wij worden beklaagd? Wij klagen aan!

Maar voor u, voor wie geen geheimen bestaan,

kunnen wij slechts als zondaars staan.

 

Wij zijn bang om te lijden, arm aan daden,

zo hebben we u bij de mensen verraden.

 

We zagen de leugen de kop opsteken

maar zijn de waarheid niet waard gebleken.

 

We zagen broeders in grote nood

maar waren bang voor de eigen dood.

 

We hebben de weg tot u gevonden

door het belijden van onze zonden.

 

Heer, in de onrust van deze tijden

wil ons in alles begeleiden.

 

Laat ons na zoveel schuldig falen

een nieuwe dag mogen binnen halen.

 

Maak, zover ons oog kan gaan

met uw woord voor ons vrij baan.

 

Geef ons rust en veel geduld

tot u vergeeft van alle schuld.

 

Dat wij ons in stilte voorbereiden

op uw roep in nieuwe tijden.

tot u stillegt storm en vloed

en met uw wil wonderen doet.

 

Broeder, tot de nacht voorbij is,

bid voor mij!

 

Het eerste ochtendgloren sluipt mijn venster binnen

bleek en grauw.

Een zuchtje wind strijkt langs mijn voorhoofd

zomers lauw.

Zomerse dag, mooie zomerse dag! was het enige dat ik zei.

Zomerse dag, wat breng je mij?

Buiten hoor ik iemand haastig, ingehouden gaan

in mijn buurt blijft hij plotseling staan.

Ik word koud en heet,

ik weet het, ja ik weet...

Een snijdende koude stem leest iets voor, heel zacht

Houd je goed, broeder, het is nu gauw volbracht.

Ik hoor je stappen, moedig, ongebogen.

Niet dit moment, maar de toekomst heb je voor ogen.

Ik ga met je mee, broeder, daarheen

en hoor je laatste woorden:

Broeder, als de zon ondergaat voor mij,

leef dan in plaats van mij!

 

Uitgestrekt lig ik op mijn brits

te staren naar de grijze wand.

Buiten trekt een zomerse morgen,

die de mijne nog niet is

zingend door het land.

Broeder, we houden stand

tot na een lange nacht

onze dag aanbreekt.

Juni 1944               


MORGENGEBED

Tot U, God, roep ik in de vroege morgen

help mij te bidden

en mijn gedachten te richten op U,

ik kan het niet alleen.

 

In mij is duisternis

maar bij U is licht.

Ik ben eenzaam, maar Gij verlaat mij niet

ik ben bevreesd, maar bij U is hulp

ik ben onrustig, maar bij U is vrede

in mijn hart is bitterheid, maar bij U is geduld

ik begrijp U wegen niet, maar Gij kent mijn weg.

 

Vader in de hemel,

ik prijs U en ik dank U voor de nieuwe dag

ik prijs U en ik dank U voor al Uw goedheid

en trouw, die ik in mijn leven ervaren heb.

Gij hebt mij veel goeds gegeven,

laat mij nu ook wat zwaar is

uit Uw hand aanvaarden.

Gij zult mij niet meer opleggen

dan ik kan dragen.

Gij doet alles ten goede keren

voor Uw kinderen.

 

Heer Jezus Christus,

Gij leefde in armoe en ellende

gevangen en verlaten zoals ik.

Gij kent alle nood van de mensen.

Gij blijft bij mij

ook als niemand naast mij staat.

Gij vergeet mij niet, Gij zoekt mij,

Gij wilt dat ik U zie

en mij tot U wend.

Heer, ik hoor roep en volg U,

help mij !

Heilige Geest,

geef mij het geloof dat mij bevrijdt

van vertwijfeling, ziekelijk verlangen en zonde,

geef mij liefde tot God en de mensen,

een liefde die alle haat en bitterheid uitbant.

Geef mij de hoop, die mij bevrijdt

van vrees en moedeloosheid.

Heilige, barmhartige God,

mijn Schepper en mijn Heiland

mijn Rechter en mijn Verlosser

Gij kent mij en alles wat ik doe

Gij haat en straft het kwaad in deze

wereld en in gene, zonder aanzien des persoons.

Gij vergeeft ons onze zonden,

als wij het U oprecht vragen.

Gij hebt het goede lief en beloont het

op deze aarde met een getroost geweten

en in de komende wereld

met de kroon van gerechtigheid.

Voor U staand denk ik aan al de mijnen,

aan mijn medegevangenen aan allen,

die in dit huis hun zware dienst verrichten.

Heer, erbarm U!

Schenk mij de vrijheid terug

en laat mij nu zo leven,

dat ik het kan verantwoorden

tegen over U en de mensen.

Heer, wat deze dag ook brengt,-

Uw Naam zij geprezen!

Amen.

 

'Had God mij niet bijgestaan

had Zijn aangezicht mij niet geleid,

ik zou van angst al zijn vergaan.

Alle dingen hebben tijd

Maar Gods liefde eeuwigheid'.  

Voor Paul Gerhardt


AVONDGEBED

Heer, mijn God, ik dank U

dat Gij deze dag ten einde hebt doen gaan,

ik dank U, dat Gij mijn lichaam en ziel

tot rust laat komen.

Uw hand rustte op mij,

Gij hebt mij beschermd en bewaard.

Vergeef mij mijn kleingelovigheid

en al het onrecht van deze dag

en help mij, dat ik allen vergeef,

die mij onrecht hebben aangedaan.

 

Laat mij in vrede slapen

onder Uw bescherming

en bewaar mij voor de aanvechtingen

van de duisternis.

 

Ik beveel U aan wie ik lief heb,

dit huis, mijn lichaam en mijn ziel.

God, Uw heilige naam zij geprezen.

Amen.

 

'De dagen zeggen tot elkaar

mijn leven is een reizen naar

de grote eeuwigheid.

Eeuwigheid met al Uw pracht

geef dat mijn hart al op U wacht,

ik hoor niet thuis in deze tijd'.


IN GROTE NOOD

Heer, God,

ik ben in grote nood geraakt.

Mijn zorgen dreigen mij te verstikken

ik zie geen uitweg meer.

God, wees genadig en help mij.

Geef kracht, dat ik kan dragen wat gij zendt.

Laat de vrees geen macht hebben over mij,

zorg als een vader voor de mijnen

voor vrouw en kinderen.

 

Barmhartige God, vergeef mij alles,

waarin ik zondigde tegen U

en de mensen.

Ik vertrouw op Uw genade en geef mijn leven

helemaal over in Uw hand.

Doe met mij naar Uw wil

en zoals het beste is voor mij.

In leven en sterven ben ik bij U

en Gij zijt bij mij, mijn God.

Heer, ik wacht op Uw heil

en op Uw rijk.

Amen.

 

'In alles, wat er mogen komen

sterk van geest, bevreesd,

zal een christen zich steeds tonen.

Mocht de dood hem willen pakken,

hij houd zich goed, en vol moed,

hij zal niet verzwakken.

Geen dood kan ons meer doden,

hij geneest, onze geest

van talloos vele noden

hij sluit de deur van bitter lijden,

maakt ruim baan om te gaan

naar het hemelse verblijden'.


VERLEDEN

Je bent gegaan, geliefd geluk, geliefde zware pijn,

hoe noem ik je? Mijn nood, mijn leven, zaligheid,

een deel van mij, mijn hart, - verleden tijd?

De deur is in het slot gevallen,

ik hoor je stap verdwijnen, sterven.

Wat rest mij? Vreugde, kwelling of verlangen?

Ik weet slechts dit: je bent gegaan - en alles is voorbij.

 

Voel je, hoe ik naar je grijp?

Hoe ik me aan je vastklamp

dat het je pijn moet doen?

Hoe ik je wonden open rijt,

dat je bloed vloeit

alleen om zeker te zijn dat je dicht bij blijft,

mijn lijfelijk, aards, vol leven?

Begrijp je, dat ik nu verschrikkelijk verlang

naar zelf pijn lijden,

dat ik mijn eigen bloed wil zien

alleen om alles niet te laten wegglijden

in het verleden?

 

Leven, wat heb je me aangedaan?

Waarom ben je gekomen? Waarom ging je weer?

Verleden, als je mij ontloopt -

je blijft toch mijn verleden, mijn?

 

Zoals de zon boven de zee steeds sneller zakt,

alsof het duister haar omlaag trekt

zo zakt onophoudelijk

het beeld van jou in de zee van het verleden,

de golven begraven het.

Zoals een waas van warme adem

oplost in de koude morgenlucht,

zo vervluchtigt het beeld van jou,

ik weet je gezicht niet meer, je handen, je gestalte.

Een glimlach, een blik, een groet,

ze schijnen, maar vallen uiteen,

lossen op

zonder troost, zonder nabijheid

verbrokkeld en enkel verleden.

 

Ik zou je geur willen inademen

opzuigen, erin wonen -

zoals zware bloesems op een hete zomerdag

bijen uitnodigen

die zich bedwelmen,

zoals nachtvlinders dronken worden van de liguster

maar een ruwe windvlaag verstoort geur en bloesems,

zo sta ik verdwaasd

bij mijn ontglipt verleden.

 

Het is alsof er met vurige tangen

stukken uit mijn lichaam gereten worden

nu jij, mijn verleden leven wegrent.

Drift en toorn razen door mij heen,

wilde nutteloze vragen roep ik in de leegte.

Waarom? Waarom? zeg ik steeds.

Waarom kunnen mij zintuigen je niet vasthouden

verlopen, verleden leven?

Ik wil blijven denken

tot ik vind wat ik verloren heb.

Maar ik voel, dat alles boven mij, naast mij, onder mij

raadselachtig en onbewogen glimlacht

om mijn zwoegen zonder hoop,

wind vangen -

verleden terugveroveren.

 

Oog en ziel worden kwaadaardig.

Ik haat wat ik zie,

ik haat wat in mij woelt,

ik haat wat leeft en mooi is -

smartengeld voor het verlorene.

 

Mijn leven wil ik, ik eis mijn leven terug

mijn verleden. Jou.

Jou - een traan welt in mijn oog.

Zou ik onder de sluier van tranen

jou, helemaal,

kunnen terugvinden?

Maar ik wil niet huilen.

Tranen helpen slechts de sterken,

zwakken worden er ziek van.

 

Moe bereik ik de avond,

het bed is mij welkom,

het belooft mij vergetelheid

voor wat ik niet bezitten kan.

Nacht, wis uit wat scheiding brengt,

schenk mij vergetelheid,

wees mij barmhartig, nacht, doe je milde plicht,

ik vertrouw me aan jou toe.

Maar de nacht is wijs en machtig,

wijzer dan ik en machtiger dan de dag.

Wat geen aardse kracht vermag,

waar gedachten en zintuigen, toorn en tranen moeten wijken,

de nacht stort het in volheid over mij uit.

Niet belaagd door de vijand tijd

zuiver, vrij en totaal

brengt de droom jou bij me,

jij verleden, jij mijn leven,

jij dag van gisteren, uur van gisteren.

 

In je nabijheid ontwaak ik,

midden in de diepe nacht en schrik,

ben je weer weg? zoek ik je dan altijd vergeefs,

mijn verleden?

 

Ik bid met uitgestrekte handen,

het nieuws komt onverwacht,

verleden wordt je teruggegeven

als kloppend hart van je leven,

als je dank en berouw betracht.

Grijp Gods goedheid en vergeving in het verleden,

bid, dat God je vasthoudt, morgen en heden.

Juni 1944


GELUK EN ONGELUK

Geluk en ongeluk

treffen ons plotseling en bij verrassing

en lijken in het begin bijna sprekend op elkaar

zoals hitte en kou bij plotseling aanraken.

 

Als meteoren geslingerd uit bovenaardse verten

trekken ze een dreigende lichtende baan

over onze hoofden.

Getroffenen staan als versteend bij de puinhopen van hun alledaags, glansloos

bestaan.

 

Groot en verheven, vernietigend, overweldigend

houden geluk en ongeluk, gevraagd of ongevraagd

zegevierend hun intocht bij de verbijsterde mensen.

Ze omkleden en tooien de getroffenen

met ernst en gewijde sfeer.

 

Geluk is vol huivering, ongeluk vol zoetheid.

Ongescheiden lijken ze beide

uit het Eeuwige voort te komen.

Groot en verschrikkelijk beide.

 

Mensen komen van heinde en ver, kijken en staren

half jaloers, half huiverend

naar het ijzingwekkende gebeuren,

waar het bovenaardse

tegelijk zegenend en vernietigend

een verwarrend, onontwarbaar

aards schouwspel opvoert.

Wat is geluk? Wat ongeluk?

 

De tijd zal hen scheiden.

Als het onvoorstelbaar opwindende

plotselinge gebeuren

verandert in vermoeiend voortdurende druk,

als de langzaam voortglijdende uren van de dag

pas de ware gedaante van het ongeluk onthullen

dan wenden de meesten

zich teleurgesteld en verveeld af.

Ze hebben genoeg van de eentonigheid,

het ongeluk is oud geworden.

 

Dat is het uur van de trouw,

het uur van de moeder en de geliefde

het uur van de vriend en de broer.

Trouw zet elk ongeluk in het licht,

omhult het zacht met milde bovenaardse glans.


WIE BEN IK

Wie ben ik? Ze zeggen mij vaak

dat ik uit mijn cel treed

gelaten, opgewekt, vast

als een hereboer uit zijn slot.

 

Wie ben ik? Ze zeggen mij vaak

dat ik met mijn bewakers spreek

vrij, vriendelijk, helder

als gaf ik de bevelen.

 

Wie ben ik? Ze zeggen mij ook

dat ik de dagen van het ongeluk draag

gelijkmoedig, glimlachend, trots

als iemand, gewend te winnen.

 

Ben ik dat werkelijk

wat anderen van mij zeggen?

Of ben ik slechts

wat ik weet van mijzelf?

Onrustig, verlangend, ziek

als een vogel in een kooi,

smachtend naar levensadem,

alsof iemand mijn keel wurgt

hongerend naar kleuren, bloemen,

naar vogelstemmen

dorstend naar goede woorden

naar menselijke nabijheid

bevend van toorn over willekeur

en de minste krenking,

opgejaagd door wachten op grote dingen,

machteloos bezorgd om vrienden

eindeloos ver,

te moe en te leeg om te bidden, denken

werken

mat en bereid

van alles afscheid te nemen?

 

Wie ben ik? Deze of gene?

Ben ik dan vandaag deze

en morgen een ander?

Ben ik beiden tegelijk

Voor mensen een huichelaar

en voor mijzelf

een verachtelijk klagende slappeling?

Of lijkt wat in mij nog rest

een verslagen leger

dat wanordelijk wijkt

bij een reeds gewonnen slag?

 

Wie ben ik? Eenzaam vragen drijft de spot met mij

Wie ik ook ben, Gij kent mij

U behoor ik toe, o God!

Juni 1944


CHRISTEN EN HEIDEN

Mensen gaan tot God in hun nood,

smeken om hulp, vragen geluk en brood,

redding uit ziekte, schuld en dood;

Allen doen zo, christen of heiden.

 

Mensen gaan tot God in Zijn nood,

vinden Hem arm, veracht, zonder huis en brood,

zien Hem ten prooi aan zonde, zwakheid en dood,

Christenen staan naast God en Zijn lijden.

 

God gaat tot alle mensen in hun nood,

verzadigt lichaam en ziel met Zijn brood,

sterft voor christen en heiden aan 't kruis de dood,

en vergeeft hen beiden.

Juli 1944  


STADIA OP WEG NAAR DE VRIJHEID

Discipline

Ga je op weg om de vrijheid te zoeken? Leer dan vooral

discipline in zinnen en ziel, dat begeerten en lichaam

niet dan weer zus, dan weer zo je verleiden.

Houd je geest en je lichaam kuis,

onderworpen gehoorzaam aan jou

om te zoeken het doel, dat God hen gesteld heeft.

Niemand ervaart het geheim van de vrijheid

dan door discipline alleen.

 

Doen

Niet zo maar iets, maar het juiste te doen en te durven,

niet in het mogelijke zweven,

maar dapper de werkelijkheid grijpen

vrijheid ligt niet in de stroom der gedachten

maar enkel in het doen.

Laat varen het angstige aarzelen,

stap in de storm van het gebeuren,

slechts gedragen door God, zijn gebod en je geloof

zal de vrijheid je juichend ontvangen.

 

Lijden

Wondere metamorfose. Je sterke, bezige handen,

gebonden en machteloos, eenzaam,

je ziet nu het eind van je daden nabij,

toch leef je op, leg de vraag: wat is juist?

stil en getroost in een sterkere hand, tevreden.

slechts een ogenblik heb je aan het geluk van de vrijheid

geraakt,

toen gaf je het over aan God,

om haar heerlijk en goed te voltooien.

 

Dood

Kom dan, hoogtepunt, feest op de weg naar de eeuwige vrijheid,

dood, doe de lastige boeien en muren opzij

van het vergankelijk lichaam en onze verblinde ziel.

Laten we eindelijk aanschouwen,

wat ons niet vergund was te zien.

Vrijheid, we zochten je in discipline, in doen en in lijden,

sterven herkennen we jou in het aangezicht Gods.

Juli 1944


DE VRIEND

De zware bodem,

waar bloed, afkomst en eed

als machtig en heilig gelden,

waar de aarde zelf

de gewijzigde, oeroude orde

tegen weerzin en heiligschennis

beschermt en bewaakt,

is in de bron van de vriendschap.

Niet uit de zware aarde,

maar uit vrije wil

en vrij verlangen van de geest,

die geen eed of wet behoeft,

geven vrienden zich aan elkaar.

 

Naast het voedende korenveld,

dat de mensen met eerbied bebouwen en verzorgen,

waar ze het zweet van hun arbeid offeren

- en als het moet het bloed van hun lichaam -

naast de akker van hun dagelijks brood,

laten mensen toch ook

de mooie korenbloem bloeien.

Niemand heeft haar geplant of begoten,

onbeschermd groeit ze in vrijheid

en in blij vertrouwen

dat onder de wijde hemel

haar het leven gegund wordt.

Er zijn in het leven noodzakelijke dingen,

gevormd uit zwaar aarden stof,

huwelijk, werk en strijd -

maar daarnaast

moet er ook spontaan leven zijn,

dat opbloeit onder de zon.

Niet alleen de rijpe vrucht

ook de bloesem is mooi.

Is de bloesem er voor de vrucht

of de vrucht voor de bloesem?

Wie zal het zeggen -

toch zijn zij ons beide gegeven.

 

Als een kostbare, zeldzame bloesem

- ontsproten aan de vrijheid

van de geest, speels,

vrijmoedig en vol vertrouwen

in een uur van geluk -

zo is een vriend voor zijn vriend.

 

Eerst kameraden

op de speelwei van de geest,

een wonderlijk, ver rijk,

dat in de sluier van de morgenzon

oplicht als goud.

In de hitte van de middag

trekken lichte wolkjes aan de blauwe lucht

daarheen.

In de opwindende nacht

worden zoekers gelokt

met lichtschijnsel

als heimelijk verborgen schatten.

 

Als dan hoofd en hart van de mens

aangezet worden

tot grote, heldere, moedige gedachten

en hij met heldere ogen en vrij gebaar

de wereld ontmoet,

als dan daaruit de daad ontspringt

- waarbij iemand voor zich staat of valt -

als uit de daad, sterk en gezond

een werk voortvloeit,

dat het leven van de man

zin en inhoud geeft,

dan verlangt de mens ,

de doener, de werker, de eenzame,

naar een bevriende, begrijpende geest.

 

Als een helder, koel water,

waarin de geest het stof van de dag afspoelt

en verkoeling zoekt in gloeiende hitte

en kracht put in moede tijden,

als een burcht, waarin de geest

na gevaar en verwarring terugkeert

en waar hij toevlucht, steun en kracht vindt,

zo is een vriend voor zijn vriend.

 

De geest wil vertrouwen

onbegrensd vertrouwen.

Misselijk van de kronkelende wormen,

die in de schaduw van het goede

leven van afgunst, nieuwsgierig, argwanend,

van het gesis van slangen

met hun giftige tongen,

die het geheim van de vrije gedachte,

van het oprechte hart

vrezen, haten en verachten,

verlangt de geest ernaar

alle onechtheid af te werpen

en zich helemaal te openen

voor een geestverwant.

Zonder afgunst wil hij bevestigen,

beamen, dankbaar zijn,

blij zijn en gesterkt worden

door de ander.

 

Maar hij buigt gewillig het hoofd

voor een streng oordeel,

een ernstig verwijt.

De rijpe man zoekt bij zijn trouwe vriend

geen bevelen, dwingende wetten of leer,

maar goed, serieus advies,

dat vrij maakt.

Verreweg of dichtbij,

in geluk of ongeluk,

ze zien in elkaar

de trouwe helper

op de weg naar vrijheid

en menselijkheid.

 

Toen de sirenen loeiden te middernacht,

heb ik lang stil aan jou gedacht,

hoe het met je gaat en wat we samen hebben gedaan,

hopelijk kun je spoedig huiswaarts gaan.

 

Na lang zwijgen hoor ik om half twee,

het signaal weerklinkt, het gevaar is geweken.

Ik zag daarin een gunstig teken:

al het gevaar glijdt langs je heen.

Augustus 1944


DE DOOD VAN MOZES

Op de bergtop, hoog verheven,

staat Mozes aan het einde van zijn leven.

 

Hij houdt de ogen vast gericht

op 't beloofde land, dat voor hem ligt.

 

'Zo vervult Gij, Heer, wat komen zou

nooit werd Gij Uw woord ontrouw.

 

Uw genade redt ons en maakt vrij,

Uw toorn tuchtigt en verstoot mij.

 

Trouwe Heer, Uw knecht is U nIet waardig,

ik weet het, Gij zijt altijd rechtvaardig.

 

Heden zult Gij Uw straf aan mij voltrekken,

mij met de slaap des doods bedekken.

 

Alleen wie ongeschonden zijn geloof bewaarde,

proeft de druiven van de beloofde aarde.

 

Geef mij, twijfelaar, maar de bittere drank.

In het geloof zeg ik U lof en dank.

 

Gij hebt wonderen aan mij gedaan,

verbittering en zachtmoedigheid om doen slaan.

 

Laat mij zien door de sluier van de doodswoestijn,

hoe mijn volk optrekt naar het groots festijn.

 

Ik zink weg in Uw eeuwigheid, God, voorgoed

maar zie: mijn volk gaat de vrijheid tegemoet.

 

Gij, die de zonde straft en graag vergeeft,

God, ik heb voor dit volk geleefd.

 

Dat ik de lasten ervan droeg,

en nu zijn heil aanschouw - dat is genoeg.

 

Houd mij vast! Mij ontvalt mijn straf.

Trouwe God, geef mij een graf.'

September 1944


JONA

Ze schreeuwden het uit van angst voor de dood,

klampten zich aan touwen in stormende vlagen,

verstarden van afschuw voor wat ze zagen:

de zee komt in opstand, rukt aan hun boot.

 

'O eeuwige, goede, toornige goden,

help ons toch, zeg ons, wie u verwondde,

met zijn heimelijk verborgen zonde.

Wie heeft er gespot, vals gezworen? Wie doodde?

 

Wie wil niet zeggen, wat hij heeft verkorven?

Wie brengt ons onheil, zo vreselijk?'

Zo riepen ze. En Jona zei: 'Dat ben ik!

Ik heb gezondigd voor God. Mijn leven is bedorven.

 

Het is mijn schuld. Doe met mij naar Uw wil.

God is vertoornd. Maar vromen hoeven daarvoor niet te boeten.'

Ze huiverden. Ze grepen hem bij handen en bij voeten

en wierpen de schuldige over boord. De zee werd stil.

Oktober 1944


GOEDE MACHTEN  

Door goede machten trouw en stil omgeven

beschermd, getroost, beveiligd wonderbaar,

zo wil ik deze dagen met u leven

en met u binnengaan in 't nieuwe jaar.

 

Nog drukt de zware last van kwade dagen,

nog komt het oude kwellen hart en hoofd.

Voor onze opgejaagde zielen vragen

wij, Heer, het heil, dat Gij ons hebt beloofd.

 

En zo Gij ons de bittere kelk wilt geven

vol leed, gevuld tot boven aan de rand,

dan nemen wij hem dankbaar, zonder beven,

aan uit Uw goede en getrouwe hand.

 

Maar wilt Gij ons nog eenmaal vreugde schenken

aan deze wereld en de glans der zon,

dan willen wij al wat voorbij is nu gedenken,

U zij ons leven, dat uit U begon.

 

Laat warm en stil vandaag de kaarsen branden,

Gij hebt ze in onze duisternis gebracht.

Breng, als het kan, ons allen bij elkander.

Wij weten het, Uw licht schijnt in de nacht.

 

Als 't diepe zwijgen ons wil gaan omringen,

laat ons toch horen, Heer, nu als voorheen,

het lofgezang, dat al uw kinderen zingen,

de klank van heel de wereld om ons heen.

 

Door goede machten wonderbaar geborgen

wachten wij rustig, wat ons lot ook zij.

God is met ons in de avond en de morgen,

en elke nieuwe dag is Hij nabij.

December 1944

 


Alex Polari

Herinneringen aan het paradijs - gevangenisgedichten  

1

De kleine dingen

van de cel

een hoornsignaal

zonsondergang stil zijn

de kleine dingen

van een cel

het hart krimpt samen

gevoelens van walging

in het bed

ligt de deken om je heen

de angst ligt bloot

2

Etenstijd

een bak wordt

door de tralies gereikt

een radio speelt in de jaszak

van de zwijgende bewaker

naast de kuil

waar de lijken moeten liggen

4

Ik kon mij niet herinneren

hoe mijn gezicht was

tot ik het zag in de wc

en ernaar spuwde

Nee dat kan mijn gezicht niet zijn

staar me niet zo aan, ik ben niet schuldig

6

Ik voel dat ik nog van iets houden kan

hoe weinig het ook waard mag zijn

het verwart me te geloven dat

er iets is dat verzet rechtvaardigt

Morgen als ik ondervraagd word

weet ik niet hoe ik me zal voelen

maar misschien laten ze mij dan

een foto van mij zien

9

Er is een kans dat ze mij niet vermoorden

Daarvan heb ik mijzelf vandaag weten te overtuigen

tenslotte is mijn schoonvader bij de marine

Ik ben net twintig en zie er nogal verlegen uit

zonder mijn bril.

Aan het eten bereken ik mijn kansen

Als het beter is geloof ik niet

dat ze mij zullen doden, niet

althans zolang deze gebakken aardappelen

hier voor mij staan

11

Sommige sporen verdwijnen

andere blijven een tijd

die smaak

die geur

die kreten

blijven zwijgend van binnen

liggen vast in een oergeheugen

zonder hiaat

zo te zeggen voor goed

13

Een stilte die je gek maakt

was er maar iemand anders

dan zou het gemakkelijker zijn

Vandaag kwam de dokter

hij zei tegen de kolonel

dat mijn ribben in orde zijn

voor meer slaag

14

De kleren die ik vandaag heb gedragen

om een koude plek te bedekken

waren niet van mij, waren misschien

van iemand die vermoord is

er zat opgedroogd bloed aan het hemd

en het had een vreemde geur

van smeken om genade


Samuel Feijoo   Een bezoek aan de loopgraven  

De avond kleurt violet

net als gister. Blauwgrijs is nog

de zee die het spoedig zal afleggen

tegen de avond en de sterren.

De soldaat

blikt naar de horizon. Hij wacht

op de binnendringer die komt voor zijn huizen,

zijn landerijen, zijn olievelden,

zijn hoeren, zijn slaven.

Hij wacht. De mangrovebossen worden donker.

En als in deze dichte nacht

wij het leven moeten geven, laat het dan

met de arme mensen zijn;

maar als wij mogen leven, laat het dan

met waardige arme mensen zijn.


Het leed kwam telkens op mij aan  

Het leed kwam telkens op mij aan.

Onmogelijk om het af te weren

Met geen tranen te bezweren

'k Had het anders lang gedaan.

 

Toen ging het boven op me staan

Tot ik stil lag zonder wenen.

Duldend, wachtend moest ik leren.

En toen eerst is het heengegaan.

Dat is nu al een poos geleˆn.

Ik zie het nu van verre nog.

En ik begrijp niet, waarom toch

Ik toen zo leed met veel geween.  

T. Brandsma 1942


Ik vind alleen mijn pappa  

Ik breng de nacht door in de open lucht

en bereik met moeite een schuilplaats

ik vind alleen mijn pappa

Mamma en Y-chan zijn dood...

 

De volgende ochtend

pappa droeg een lege doos

en ik nam een schoffel op m'n schouders.

We gingen de ruïnes in

van de branden van Hiroshima.

 

Eindelijk kwamen we

bij de lucht van verbrande lichamen

als de geur van makreel.

De grond is bezaaid met dakpannen

heet van de zon.

Stil gaan we op in ons werk.

We doorzoeken de grond.

 

Ah,

mamma's beenderen.

Ik pak ze op

en de witte poeder vervliegt in de wind.

Het is een gevoel van volkomen eenzaamheid.

We verzamelen de beenderen

en doen ze in de kartonnen doos

met een zacht droog geluid.

Naast mamma

liggen de beenderen van mijn broer

en zijn vlees, nog niet door het vuur verteerd.

 

Later

Over heel het lichaam van pappa

zonder zichtbare verwondingen

verschijnen vlekken.

'Ik wil druiven eten'.

'Ik heb alleen komkommer voor je'.

Het is de ochtend van de eerste september.

Terwijl hij met lege blik in de lucht kijkt

zegt pappa plotseling:

'De wind is woest

er komt een storm .. een storm'.

 

En met een diepe zucht

viel hij neer

en bewoog niet meer.

 

Het is minder dan een maand

en ik ben alleen.

Er komen geen tranen meer

alles is leeg.

Ik zit en staar

naar de rivier die voor me stroomt.

 

Schone en prachtige blauwe hemel

boven Hiroshima.

Hayashi Yokiki  


ik wil gedichten schrijven,

die niet alleen gaan over de lucht licht en geluid,

kleuren en wolken.

Ik wil gedichten schrijven voor kinderen

die touwtje springen op het schoolplein,

die verstoppertje spelen en knikkeren voor hun huis,

die huilen omdat ze dit jaar niet zijn overgegaan.

Ik wil gedichten schrijven waardoor

mensen van 55 zich weer voelen als 25

en anderen van 24 worden 54 voor hun gevoel,

waar ze mijn gedichten ook lezen,

hoe ze mijn gedichten ook lezen: liggend of zittend.

Ik wil gedichten schrijven voor sigarettenverkopers,

overhemdstikkers, uienkwekers,

voor de veerman die mensen overzet op de rivier,

voor schrijvers van computerprogramma's

en dissertaties in de chirurgie,

zodat ze een ogenblik ophouden met hun werk en zeggen:

het leven is eigenlijk wel mooi.

Ik wil gedichten schrijven voor onderwijzers met pensioen,

sollicitanten op zoek naar een baan,

voor vaste pandhuisbezoekers,

en eerstejaarsstudenten die worden ontgroend,

voor astmalijders en suikerzieken,

voor werkloze academici zodat

wanneer ze een paar regels lezen van mijn gedicht

ze zeggen: misschien is er toch voor het leven in Indonesië nog hoop.

Ik wil gedichten schrijven vol proteïne, zwavel, kalk

en onontbeerlijke vitaminen,

zodat mijn gedichten nog een beetje van nut zijn

voor het werk van huisartsen, veeartsen,

landbouw en veeteeltdeskundigen.

Ik wil gedichten schrijven voor gepensioneerden

die hun pensioen door ambtelijke onwil met uitstel ontvangen,

voor gevangenen, zowel politieke als criminele,

voor allen die worden mishandeld,

zodat ze weten dat voor het recht nog steeds wordt gestreden.

Ik wil gedichten schrijven die mensen

God indachtig doen zijn, wanneer het ze goed gaat,

tamelijk goed of geweldig goed.

Zo kan ik misschien niet dichten.

Maar zo wil ik graag dichten.

Ik wil.

 

Ik wil gedichten schrijven die nauwkeurig zijn te richten

op het lijf van het leven, die door het slijmvlies de vetlaag,

de vleeslaag, de bloedvaten dringen,

door de aderen heen, tot op het bot,

tot in het merg zodat fysiek en chemisch verandering ontstaat.

Ik wil gedichten schrijven in het notulenboek

van het nationaal planbureau,

op de agenda van studentenraad-vergaderingen,

op de liefdesbrieven van de Indonesische jeugd

op de linkerstrook van geldwissels

iedere maand door ouders gestuurd naar hun kinderen

op school ver weg in de stad.

Ik wil gedichten schrijven op blauwdrukken van ingenieurs in de bouwkunde,

op parachutes die opengaan in de lucht

op advertenties voor kraamvrouwen-kruiden,

op de hoofdartikelen in de nationale pers,

op de toppop van de jeugd.

Ik wil een nieuw gedicht schrijven over generaal Sudirman

die nog maar één long had, en over sergeanten

en soldaten gedropt in de nacht boven West-Irian

en verstrikt geraakt in de takken van reusachtige bomen

of verdronken in malariamoerassen.

Ik wil gedichten schrijven waardoor korporaals

die nooit hebben gevochten,

niet meer inslaan op de bestuurders van huurbusjes die met verlies rijden.

Ik wil een gedicht schrijven zo ambitieus dat het de burgeroorlog doet ophouden en

alle andere oorlogen ook, een wapenstilstand-concept in dichtvorm, een gedicht dat

verkiezingen voor ongeldig verklaren kan de bureaucratie oplappen kan, vluchteling

en opvrolijken, geesteszieken genezen.

Ik wil honderden versjes voor kinderen schrijven

tussen vijf en tien jaar zodat ze schateren van de lach

wanneer ze die horen en hun mooie witte tanden duidelijk te zien zijn.

Ik wil gedichten schrijven waardoor goedkope rijst

voortaan smaakt als een fijn gerecht uit een duur hotel

die boeren doen afzien van een bedevaart naar Mekka

die ze alleen kunnen betalen door hun land te belenen

en de sieraden van hun vrouw.

Ik wil gedichten schrijven over de achteruitgang in het onderwijs,

de profeet Adam, geboortebeperking, de Hikari-expres,

de Anai vallei, minister Amirmachmud, Piccadilly Circus,

de kleuterschool, de BVD, koning Idris,

rijst met nangka, de stad Samarkand, Raymond Westerling,

Laos, Emil Salim, Roxas Boulevard, Dja'afar Nur Aidit,

buitenlands kapitaal, Checkpoint Charlie, Zainal Zaksa, een buitenlandse schuld van

$ 3 miljard, de haven van Rotterdam, de Champs Elysees,

wonderbabies, alles opnieuw opgenoemd nu in alfabetische orde.

Ik wil gedichten schrijven die het Japanse zakenlui onmogelijk maken

het oerwoud van Borneo leeg te roven,

die het boren naar olie verbieden, die voorkomen

dat investeerders uit vreemde landen onstandvastige autoriteiten kunnen omkopen

en steekpenningen toestoppen

aan ambtenaren van de douane en de rechtelijke macht.

Ik wil gedichten schrijven die de haat verdrijven

van de kinderen die hun verwanten verloren

en wees zijn geworden als gevolg van de moorden

bij de communistische coup.

Misschien kan ik over zoveel dingen niet dichten.

Maar zo wil ik dichten.

Ik wil.


Ze kwamen mij arresteren  

Ze kwamen mij arresteren

hun gezichten de woorden die ze zeiden

doen er weinig toe

zijn het niet altijd dezelfden

de moordenaars van Guevara of de cipiers van Samih al Qassim

dezelfde beul die foltert

in een of andere kelder in Brazilië

in een of andere tijgerkooi in Vietnam

dezelfde beestmens die Ben Barka in de villa van misdaad lokte

dezelfde beul die de volkeren geterroriseerd heeft

sinds de Inquisitie

hetzelfde gruwelmuseum

het was een tere morgen

de januariregen was zacht

en vreselijk het halfdonker van de onderdompeling in pijn

Ik herinner mij de afscheidskus

op jouw voorhoofd

en dat van de kinderen

 

ik vertrok

als voor een of andere reis

terwijl de zon de wolken verdreef

ik herinner mij je buik

sinds acht maanden zwanger

ons derde kind

dat wij om ons van Terugkeer te verzekeren

Qods hebben genoemd,

Jeruzalem van onze hoop

daarna werd de hemel donker

en de folteraars deden hun 'werk'  

Bartolina


Ze hebben de deur van de cel weer dichtgedaan  

Dichtgedaan, dicht.

Dicht, dicht, dicht.

 

Komen we deze maand vrij?

Nou, dan noem ik nog eens geluk hebben!

Een maand,

een maand tussen je hand en de hoop!

 

Ik die me nog maar

veertien jaar moet inhouden, wat wil je nog meer,

ik die eruit kom als ik vijftig ben,

ik die me de rivieren niet meer herinner,

ik die me niet meer herinner dat ik me iets herinner,

ik die geen liedjes meer ken, ook niet wil kennen,

ik die niet meer door de straten zou kunnen lopen

ik die al vijf jaar in Hoger Beroep ben,

ik die door dat dikke jurylid zit te niksen hier

hoofd op mijn vuist en hart op mijn rug,

ik die door de Officier die mijn moeder nooit

blind heeft gezien, die arme, van het huilen om mij en ik onschuldig,

zonder enige schuld

omdat die gier zonodig carrière wilde maken,

ik om mijn eeuwige, totale armoede,

ik omdat ik goed en gek was,

ik omdat de wereld verbeterd moest worden,

ik omdat ik ja zei,

ik omdat ik spuwde en omdat ik nee zei,

ik omdat ik spuwde,

ik omdat

ik om

ik

en

en de

en de deur

en de deur dicht

en de deur van de cel dicht,

dicht, dicht, dicht,

dicht,

dicht...  

nauw en donker cachot

Quinta: vijfde  

Gioconda Belli


Vreemd deze zon weer te voelen

en de vreugde te zien in de straten vol mensen

overal de rood zwarte vlaggen

en een nieuwe aanblik van de stad die ontwaakt

met nog steeds de geur van verbrande autobanden

met de barricaden overeind.

 

De wind raakt me midden in het gezicht

waarin stof en tranen vrij dwarrelen

ik haal diep adem om me ervan te overtuigen dat het geen droom is

dat het echt de Motastepe, de Momotombo, het meer is,

dat we het uiteindelijk gedaan hebben

dat we gewonnen hebben,

jaren en jaren hebben wij erin geloofd ondanks alle tegenslagen,

geloofd dat deze dag mogelijk was

zelfs nadat we hoorden van de dood van Ricardo, van Pedro, van Carlos...

van al die anderen die ze van ons wegrukten

ogen die ze ons uitstaken

zonder erin te slagen ons blind te maken voor deze dag

die nu tussen onze handen uiteenspat.

 

Talloze doden verdringen zich in mijn keel

doden van wie we hielden en met wie we eens deze droom deelden

ik zie hun gezichten, hun ogen

de stelligheid waarmee ze deze overwinning kenden,

de opofferingsgezindheid waarmee ze haar voorbereidden

overtuigd van dit gelukkige uur dat in de toekomst wachtte

dat het de moeite waard was daarvoor te sterven.

 

Deze vreugde doet me pijn als een bevalling.

Het doet me pijn hen niet te kunnen wekken om te zien

hoe dit grootse volk uit de nacht oprijst,

met het gezicht zo fris en de glimlach zo vast op de lippen

alsof ze die lange tijd hadden opgespaard

en nu plotseling in de golven loslaten

duizenden glimlachen vanuit de doodkisten, de verbrande huizen,

de straatstenen

glimlachen gehuld in kleuren als stukken meloen of mispel.

 

Ik voel hoe ik geniet, hoe ik me verheug

zoals mijn slapende companéros ook gedaan zouden hebben;

geniet van deze triomf die hen toebehoort

kind van hun vlees en bloed

en te midden van de drukte op deze intens blauwe dag

bovenop de vrachtwagen

door de straten heen, temidden van de mooie gezichten van mijn volk,

zou ik armen willen hebben om hen allen te kunnen omhelzen,

en hen allen te zeggen dat ik van ze hou,

dat het bloed ons verenigd heeft met zijn smartelijke band

om opnieuw te leren spreken, opnieuw te lopen

dat in deze toekomst - erfenis van kreten en doden -

luid hamersalvo's zullen klinken

draaibanken zullen  gieren

kapmessen zullen fluiten

dat dit de wapens zullen zijn

om uit de as licht te maken,

cement, huizen, brood uit de as

dat we niet zullen verflauwen

het nooit zullen opgeven

dat we net als zij in staat zijn

te denken aan mooie dagen

die andere ogen zullen zien;

en in deze dronken roes van vrijheid

die de straten overweldigt, de bomen roert

de rook van vuren verdrijft

zullen ze ons gezelschap houden

 

rustig

gelukkig

altijd-levend

onze doden.  

19 Juli Vrij Vaderland  


Een stank bleef hangen tussen de rietvelden  

Een stank bleef hangen tussen de rietvelden:

een mengsel van bloed en lichaam, een doordringend

en walgelijk bloemblad.

Tussen de kokospalmen zijn de graven vol

stukgeslagen beenderen en verstikt gereutel.

De fijnzinnige satraap converseert

met hoge hoeden, boorden en gouden nestels.

Het kleine paleis glanst als een uurwerk

en de snelle, gehandschoende lachjes

steken soms de nauwe gangen over

en verenigen zich met de dode stemmen

en de blauwe pas begraven monden.

Het geween is verborgen als een plant

waarvan het zaad zonder ophouden op de grond valt

en die zonder licht zijn grote blinde bladeren doet groeien.

De haat is gegroeid, schub na schub,

slag na slag, in het vreselijke water van het moeras,

met een snuit vol modder en stilte.  

* De United Fruit Company    *

Toen de trompet weerklonk, was

alles klaargemaakt op aarde

en Jahweh verdeelde de wereld

tussen Coca-Cola Inc. Anaconda,

Ford Motors, en andere firma's:

de Compania Frutera Inc.

reserveerde voor zichzelf het sapigste,

de centrale kust van mijn aarde,

de zachte leest van Amerika,

Ze herdoopte haar landen

tot 'Bananenrepublieken',

en boven de slapende doden

boven de onrustige helden

die de grootheid, de vrijheid

en de vlaggen hadden veroverd,

vestigde ze de opera buffa:

ze vervreemdde de ongeschreven rechten

gaf keizerskronen cadeau,

werkte de begeerte, trok de

dictatuur van de vliegen aan,

Trujillovliegen, Tachovliegen,

Cariasvliegen, Martinezvliegen,

Ubicovliegen, vlieger nat

van nederig bloed en confituur,

dronken vliegen die zoemen

boven de graven van het volk,

cirkusvliegen, geleerde vliegen

ervaren in tirannie.

 

Tussen de bloederige vliegen

legt de Frutera aan,

verzoetend de koffie en het fruit

in haar schepen die als schalen

de schat van onze overspoelde

lande meevoerden.

Ondertussen, in de versuikerde

afgronden van de havens,

vallen Indio's begraven

in de rook van de vroege morgen:

een lichaam rolt, een naamloos

ding, een nummer valt,

een tros dode vruchten

uitgestrooid op de mesthoop.  


E. Wiesel

Nooit zal ik die nacht vergeten, de eerste kampnacht,

die van mijn leven een lange, zevenmaal vergrendelde nacht heeft gemaakt.Nooit

zal ik die rook vergeten.

Nooit zal ik de gezichtjes van de kinderen vergeten

wier lijfjes zich kronkelden onder een zwijgende hemel.

Nooit zal ik de vlammen vergeten die voor eeuwig

mijn Geloof verteerden.

Nooit zal ik die nachtelijke stilte vergeten

die mij voor eeuwig van het verlangen om te leven heeft beroofd.

Nooit zal ik die ogenblikken vergeten die mijn God

en mijn ziel vermoorden en mijn dromen,

die het aanzien van de woestijn kregen.

Nooit zal ik dat vergeten, zelfs niet wanneer

ik gedoemd zou zijn even lang te leven als God zelf. Nooit  


Bij de slachting  

O hemel, pleit barmhartigheid voor mij!

Woont er in u een God en voert tot Hem een pad -

Ik heb het niet gevonden -

Wees gij mijn voorspraak dan!

Want ik - mijn hart is dood, geen beˆ meer op mijn lippen,

Mijn laatste kracht week heen, geen hoop zelfs is gebleven -

O, tot wanneer? tot waar?O, tot wanneer?

 

Hei, beul! daar is mijn hals - kom op maar, slacht!

Je arm treft met de bijl mijn nek als was 'k een hond.

'N schavot is mij heel de aarde -

En wij - zijn niet in tel!

Mijn bloed is vrij - sla toe! 't zal spuiten uit de schedel,

Het bloed van zuigeling en grijsaard op je beulshemd -

Maar 't wordt niet uitgewist in eeuwigheid.

 

Is er nog recht - dat het terstond verschijn'!

Maar als na mijn verdelging onder 't wijd gewelf

Het recht eerst zal verschijnen -

Dan valt zijn troon voorgoed!

Door 's werelds boosheid zal in wee vergaan de hemel,

Maar jullie, schurken - gaat vrij uit in jullie schande!

Leeft in je bloed! En weest van schuld bevrijd!

 

Gevloekt wie nog het woord durft spreken: Wreek!

Een wraak als dit moest zijn, een wraak om kinderbloed,

Heeft Satan nog gewrocht niet.

In de afgrond dring' het bloed!

Het bloed dring' door tot in de duisternis des afgronds,

Het vrete in 't donker voort en moog' daar ondermijnen

De grondvesten der aarde, die vergaan.  

CH.N.Bialik


Uit bloei  

De treinen zijn gegaan: verlangend zoemden

de rails voortdurend van herinneringen

aan vaderlanden: sabels klinken, water ruist.

Al zwervend vinden elkaar 's nachts de ogen

van reizigers, naar ergens op transport

gesteld. Een vleugelschaduw, bliksem, angst.

En bleke vingers raken in het donker,

en luistrend naar zichzelf, vertelt er een

iets van een zoon, een huis, dat op een tuin zag.

De treinen zijn gegaan en bleven weg.

Lea Goldberg


Hoe kunnen wij  

Hoe kunnen wij ons hart, stuiptrekkend, brengen

tot nieuwe dag met het herrijzend licht?

Als eens gloeit weer de wijn in de bokalen,

als een gordt zich de hemel met zijn boog,

als eens danst weer de morgen in de greppels

en vlijt de zon zich, zinkend, met haar wang

aan die der wateren. Slechts wij, geslagen

van angst, beroofd van droom, getuigen van

verbranding, wij slechts, wij slechts dragen

ons bloeiend land als rouwkrans naar een graf.


De stier  

Ik was als een stier die men bond in de nacht:

zijn woede zwelt roder één spier onder kluisters,

zijn ogen één bloedvoor door angstfloers verduisterd,

en de ring brandt zijn neus, en de brandstapel wacht.

 

Mijn haken naar vrijheid door onmacht bestuurd

of de schim van het vaderland van verre gerezen?

Of de roep van het vaderland, uitschreeuwend zijn vrezen

als een dier dat men bond met riemen rood vuur?

 

Mijn land, 'k weet als evenveel ouders je stenen,

elke hals staat gespannen strak onder het mes.

Mijn broeder stiet diep in het veld naar zijn einde

en zijn bloed heeft de dorst van het bergpad gelest.

 

Zo zal ik mijn neus van de ring losscheuren

en losbreken uit deze dodencel.

Ik zal het staal rond mijn nek verbreken,-

de slachter onder mijn horens verplett'ren!

De slachter vertreden!

De binder vertrappen!

stotende, dodende, stotende, dodende!

A. Ajin


Zet mij in de bres  

Voor elke wegrollende steen

vervul met m¡j de bres,

sla vast me met mokers.

Wie weet verzoen ik mijn land,

wordt het falen vergeven

van het volk dat verzuimde

zijn bressen te dichten.

 

Hoe goed, mocht ik me weten

steen in Jeroesjalajiems gesteente -

hoe bevestigd, mocht mijn gebeente

opgaan in haar ommuring.

 

Mijn lichaam, zou het armer zijn dan mijn ziel,

die ging met het volk, door water en vuur

schreeuwend van pijn of in zwijgen?

 

Neem me op in Jeroesjalajiems stenen,

voeg me vast in de wanden,

pleister me over met pleister

en uit de muurwand juicht mijn gebeente

de Masjiach tegemoet.  

Jehoeda Karni  


Auschwitz

Jou werd in negen tekens

Voorbij taal

Een taal-ban aangezegd

Tot merksteen

Van voorbij bestaan.

Gestolde cirkelvormen,

Gespannen oppervlak,

In hun donkere kern gesloten

Is de adem die jij liet:

 

Morene

In de hoogste gletsjerrand,

 

Melk-zwart kiezel

Aan de overzijde

Van het laatste strand,

 

Kristal

Geslingerd voorbij sterren

Langs de krachtlijn

Van je dode hand.  

G. van der Graft  


Bosnië kinderen aan het woord 

Ze wacht  

Ze wacht

op haar dochter, weggenomen

door soldaten en verkracht.

 

Ze zegt

dat haar zoon terug zal komen

na het einde van 't gevecht.

 

Ze hoopt

dat haar man werk heeft gekregen

en nu brood en kleding koopt.

 

Ze zal

blijven staren naar de wegen,

maandenlang doet zij het al.

 

Zolang

zij kan wachten, kan zij hopen.

Niet meer wachten, maakt haar bang.  

Nemanja, 11 jaar uit Sutomore  

Ik praat tegen jou  

Ik praat tegen jou. Jij werd gedwongen je speelplaats en je straat, het huis en de kamer waarin je woonde, te verlaten. 

Als jij lijdt, lijd ik meer. En als jij niet kunt slapen kan ik het ook niet. Echt waar, ik voetbal en ik zing niet meer zoals vroeger. Ik heb mijn fiets opgeborgen en mijn glimlach weggestopt. Ook mijn spelletjes en mijn kinderachtige grapjes heb ik weggedaan. 

Zal het lang duren! Ik wil niet oud worden terwijl ik nog maar een kind ben. Ik ben bang dat tijdens het wachten je geboortedorp snel vergeten zal zijn. 

Daarom, welkom hier. Als het mooi weer is, gaan we samen op het strand spelen. We zullen luisteren naar het zingen van de vogels en samen ons huiswerk maken.

Kazimir, 13 jaar, ontheemd

Er was een granaat  

Er was een granaat op onze schuilplaats gevallen. We moesten over de lijken klimmen om naar buiten te kunnen. Intussen bleven de sluipschutters schieten. 

Mijn vader was een van de gewonden en hij is naar het ziekenhuis gebracht. Sindsdien hebben we hem niet meer gezien, maar ik hoop dat hij nog leeft. Misschien dat hij in een van de strafkampen zit. 

Ik probeer om niet over deze dingen te praten. Ik ben zo bang en ik heb steeds nachtmerries over wat gebeurd is,

Lepa, 11 jaar, uit Belgrado

Ik ben geen vluchteling  

Ik ben geen vluchteling, maar ik begrijp de angst en het lijden van de andere kinderen. 

Mijn vader is een Kroaat, mijn moeder een Servische, maar ik weet niet wie ik ben. 

Mijn broers, mijn zussen, mijn opa en oma, mijn tantes en ooms zijn allemaal in Kroatië. Ik heb hen niet meer gezien sinds het begin van deze vreselijke oorlog. 

Het is meer dan een jaar geleden dat ik hun stemmen heb gehoord. Het enige dat ik heb zijn brieven, brieven, alleen brieven......

  Zana, 12 jaar, gevlucht uit Brcko

Als je eens wist hoe het is om een vader  

Als je eens wist hoe het is om een vader in de oorlog te hebben. Je vlucht voor de ellende, maar er komt steeds nieuwe ellende, Je hoort geen woord over je vader maar op een dag staat hij ineens voor de deur. Hij blijft een paar dagen bij je, maar dan is het geluk weer verdwenen. 

Mijn hart gaat als een razende tekeer, Ik ben bijna niet in staat om dit op te schrijven, want mijn lieve papa is ook nu niet bij me.

Ivana, 11 jaar, uit Cepin

Stop de oorlog en het vechten  

Stop de oorlog en het vechten

voor een glimlach op een kindergezicht.

 

Stop de vliegtuigen en de granaten

voor een glimlach op een kindergezicht.

 

Stop alle tanks

voor een glimlach op een kindergezicht.

 

Stop alles dat doodt en verwoest

voor een gelukkige glimlach op een kindergezicht.

Dunja, 14 jaar, uit Belgrado

Het is allemaal zo raar  

Het is allemaal zo raar! Ineens is alles belangrijk.

Iedereen vraagt wie je bent, wat je doet en waar je vandaan komt.

 Veel mensen zijn vermoord omdat ze vochten voor gerechtigheid. Maar wat is gerechtigheid! Weten ze wel waarvóór ze vechten? Of tegen w¡e ze vechten?

 Het wordt nu steeds kouder. Het zingen van de vogels is niet meer te horen. Het enige dat je hoort zijn kinderen die huilen omdat ze hun moeder of vader, hun broer of zus hebben verloren.

Wij zijn kinderen zonder land en zonder hoop.

Lana - 8 jaar, uit Sarajevo

We zijn vijf maanden bij mijn oma in huis  

We zijn vijf maanden bij mijn oma in huis geweest. Er waren veel granaataanvallen en luchtalarmen. Heel veel gebouwen zijn afgebrand en elk huis is door minstens ‚‚n granaat geraakt. 

Mak en ik sliepen op de grond, mijn moeder en vader op een bank. We hadden bijna niets te eten. Een beetje rijst, spaghetti en soms bonen. Andere groente was er niet, alleen een tomaat die we in drie stukjes sneden, voor Mak, Deni en mij... 

We zijn allemaal magerder geworden, behalve Asja, Zij krijgt geen voedselhulp, maar ze eet met ons mee.Arm dier, ze wordt nooit uitgelaten. Toch heeft ze meer geluk dan andere honden die hun baasje hebben verloren.

Jelena, 11 jaar, uit Moscenica.

Mijn zusje en ik zijn gevlucht uit Moscenica.  

Mijn zusje en ik zijn gevlucht uit Moscenica.

We woonden bij onze oma in Zagorje.

Ze was altijd erg opgewonden en ze schreeuwde de hele tijd tegen ons.

Elke dag en elke nacht wachtten we op onze moeder.

Maar ze kwam niet.

Op een dag zat ik op de trap voor mijn oma's huis toen een blauwe auto de straat in kwam rijden. In de auto zat mijn moeder. Ik rende naar haar toe en omhelsde haar. 

Ik was heel gelukkig toen ze zei dat we terug naar huis zouden gaan, naar Moscenica. Maar toen we daar aankwamen, waren de meeste huizen kapot en dat maakte me heel verdrietig. 

Ik kan niet geloven dat er ooit nog iemand in ons dorp zal wonen. Iedereen die de verwoestingen heeft gezien, zal hetzelfde denken. Daarom moet deze smerige oorlog ophouden.

Nedim, 5 jaar, vluchteling.

Ik had een nieuwe driewieler  

Ik had een nieuwe driewieler, rood en geel, met een bel...

Denk je dat ze die ook kapotgemaakt hebben?  

Maida, 12 jaar, uit Skopje.  

Oorlog is het droevigste woord

Oorlog is het droevigste woord dat tussen mijn trillende lippen vandaan komt. Het is een slechte vogel die nooit tot rust komt. Het is een dodelijke vogel die onze huizen verwoest en ons berooft van onze jeugd. Oorlog is de kwaadaardigste van alle vogels. Het kleurt de straten rood met bloed en verandert de wereld in een hel.  

Maria, 13 jaar, uit Bubrovnik

Dit is de ergste herinnering in mijn hart...  

Dit is de ergste herinnering in mijn hart...

Ik wil dat niemand dit meemaakt.

De vrouwen en kinderen werden met geweld

naar het concentratiekamp gebracht.

Ik kan dat beeld niet uit mijn geheugen krijgen

omdat ik het zelf heb meegemaakt.

Ivan, 13 jaar, gevlucht uit Tuzla.

Ik herinner me dat we naar onze flat gingen 

Ik herinner me dat we naar onze flat gingen tijdens een luchtalarm. Toen ik de gang inliep, waren alle deuren dicht. Langzaam liep ik door het donker. Ik deed de deur van de slaapkamer open. Ineens stond ik midden in het felle zonlicht. Mijn verdriet en angst waren helemaal verdwenen. Hoewel ik ervan genoot, vond ik toch dat ik geen recht had op dit geluk. 

Sandra, 10 jaar, uit Vukovar

Wanneer ik door het dorp loop 

Wanneer ik door het dorp loop, zie ik vreemde gezichten vol bitterheid en pijn. Waar is onze lach gebleven? Waar is ons geluk? Ergens ver, ver weg.

Waarom hebben ze ons dit aangedaan? Wij zijn hun kinderen. We willen alleen maar met onze vriendjes spelen. En niet deze verschrikkelijke oorlog.

Er zijn zoveel mensen die niet om deze oorlog hebben gevraagd. Of om de zwarte aarde die hen nu bedekt.

Onder hen zijn mijn vriendjes.

Ik stuur u deze boodschap: Doe de kinderen geen kwaad, z¡j zijn niet schuldig!  

Alik, 13 jaar, vluchteling.  

De soldaten joegen ons uit ons huis 

De soldaten joegen ons uit ons huis en staken het toen in brand. Ze brachten ons naar een trein waar ze alle mannen opdroegen op de grond te gaan liggen. 

Uit die groep kozen ze diegenen die ze gingen doden. Ze kozen mijn oom en een buurman! Toen schoten ze hen dood met en mitrailleur. Daarna stopten de soldaten de vrouwen in de voorste, en de mannen in de achterste wagons. Toen de trein in beweging kwam, koppelden ze de achterste wagons los en brachten de mannen naar kampen. Ik heb het allemaal gezien! 

En nu kan ik niet slapen. Ik probeer het te vergeten, maar dat lukt niet. Ik vind het moeilijk om sowieso nog iets te voelen.

kinderen uit een vijfde klas in Zenica  

Het is oorlog, maar we wachten op vrede  

Het is oorlog, maar we wachten op vrede. We zitten in een hoek van de wereld waar niemand ons schijnt te horen. Maar we zijn niet bang en we zullen niet opgeven.

Onze vaders verdienen niet veel, maar net genoeg om elke maand vijf kilo meel te kopen. En we hebben geen water, elektriciteit en verwarming. We zullen alles ondergaan, maar we kunnen de haat en het moorden niet verdragen.

Onze leraar heeft ons over Anne Frank verteld en we hebben haar dagboek gelezen. Vijftig jaar later herhaalt de geschiedenis zich, hier, door deze oorlog, met de haat en het moorden. En het je moeten verbergen om je leven te redden.

Wij zijn nog maar 12 jaar oud. Wij kunnen de politici en de oorlog niet be‹nvloeden, maar we willen leven! En we willen dat deze waanzin ophoudt. Net als Anne Frank vijftig jaar geleden, wachten we op vrede. Zij heeft het niet mogen meemaken. Wij wel?

Jozo, 12 jaar, uit Vukovar  

Mijn verlanglijstje  

Jeans: Levis 501

Sportschoenen: Reebok

Jas: een collegejas

Schoenen: cowboylaarzen

Roberto, 10 jaar, uit Pula  

Als ik president was  

Als ik president was,

zouden de tanks speelgoed zijn voor kinderen.

Zakken met snoep zouden uit de lucht vallen.

De mortieren zouden ballonnen afvuren,

en de geweren zouden in volle bloei staan.

 

Alle kinderen van de wereld

zouden slapen in vrede,

niet opgeschrikt door luchtalarm of beschietingen.

 

De vluchtelingen zouden teruggaan naar hun dorpen.

En wij zouden opnieuw beginnen.

Edina, 12 jaar, uit Sarajevo.

Aan alle kinderen over de hele wereld

Ik wil dat jullie weten hoe wij, de kinderen van Sarajevo, lijden. Ik ben nog jong, maar ik weet dat ik dingen heb meegemaakt die veel volwassenen nooit zullen meemaken. Ik wil jullie niet bang maken, maar ik wil dat jullie weten dat ik in door Servi‰rs bezet gebied was, toen mijn moeder en ik op een lijst werden aangekruist om gedood te worden. Mensen die een normaal leven leiden, kunnen zich zulke dingen niet voorstellen. Ik kon het ook niet, totdat het me overkwam. 

Terwijl jij fruit, chocolade en snoep zit te eten, eten wij gras om in leven te blijven. Als je weer eens lekker eten krijgt, zeg dan alsjeblieft tegen jezelf: "Dit is voor de kinderen in Sarajevo."

Terwijl jij naar de film gaat of naar mooie muziek luistert, rennen wij naar schuilkelders en horen we het verschrikkelijke gejank van de mortiergranaten.

Terwijl jij lacht en plezier maakt, huilen wij en hopen we dat deze verschrikking snel op zal houden. Terwijl jij, zonder er bij na te denken, gebruik maakt van elektriciteit en stromend water, en lekker in bad gaat, bidden wij tot God om regen zodat we weer drinkwater hebben.

Er is geen film die het lijden, de angst en de verschrikkingen die mijn volk doormaakt, écht kan laten zien., Sarajevo is overspoeld door bloed, en overal zie je graven. Ik smeek je, namens de kinderen uit Bosnië, te zorgen dat zoiets als dit nooit meer zal gebeuren.

 

 


 

 

                 

 

      de Rijn - collage 30 x 40 cm

 

  paintings:  http://landscape.candanann.nl

  texts: http://mystiek.canandanann.nl

  blog: http://waarnemingvandewerkelijkheid.blogspot.com

 

 

   Share |

 

 

canandanann 26-08-2010