|
|
op eenden in een oude vijver, des avonds.
Shiki
en toen riep hij niet verder in de avondsneeuw.
Arö als ik dat denk, weegt hij licht, die laag op mijn hoed.
Kikaku schrijft schaduwen van bomen over het sneeuwveld.
Kubutsu de vlokken op de struiken schitteren in de nacht.
Röka streng rivier, voortstromend langs besneeuwde velden
Bonchö - zonder hun kreet: een sneeuwvleug tegen de hemel.
Sökan de maan - nu ga ik schouwen het schoonste: de sneeuw.
Rippo de sneeuw heeft ze genomen, en niets is over.
]ösö
Het sinistere wit van de sneeuw. De lage, grijze zoldering van de hemel. De wolken als neergeslagen dieren over de daken. De vaalheid van de vleugel of de ruimte als een metalen plaat boven onze hoofden. Stad van bleek gewoeker. Anderen zullen naar je kunnen kijken met een blijmoediger hart. Nooit de vogel die nooit rust of verblijf in je vond. Jose Angel Valente
in memoriam Hans Henny Jahnn
De sneeuw jaagt, het grote sleepnet van de hemel, het zal de doden niet vangen.
Nu heeft de sneeuw zich weer bedacht. Hij stuift van tak tot tak.
De blauwe schaduwen van vossen loeren vanuit de hinderlaag. Ze ruiken
de witte keel van de eenzaamheid.
Peter Huchel
Twee handen waren als een huis. Ze zeiden : trek bij mij in. Geen regen, geen vorst, geen angst. Ik heb in dat huis gewoond zonder regen, zonder vorst, zonder angst tot de tijd het af kwam breken.
Nu zwerf ik weer langs de wegen. Mijn jas is dun. Er is sneeuw op komst.
Rolf Jacobsen
Schrijf de winter staat stil, lees een dag zonder dood spel de sneeuw als een kind, smelt de tijd als een klok die zich spiegelt in ijs
het is ijskoud vandaag, dus vertaal wat men schrijft in een klok die niet loopt, in het vlees dat bestaat als sneeuw voor de zon
en schrijf hoe haar lichaam bestond en zich boog gelenigd in vlees en keek achterom in het oog van vandaag, en lees wat hier staat
de zon op de sneeuw, het kind in de slee het dichtgewaaid spoor, de onleesbare dood -
Gerrit Kouwenaar
Licht als een woord onder woorden Heb ik het lam van onze ontmoeting geweid: Je gang van sneeuw je stem van blauw je ogen Kleine lekken in de tijd
Op paddestoelen van geluk gezeten Hebben wij lucht als brood gegeten Hebben wij zon als wijn gedronken Hebben wij kruimels van stilte vergaard Tot een witglanzende bruiloftstaart
Wij kwamen uit gangen van misverstand Uit kamers vol vingers vol kogelgaten Wij hebben de deuren gesloten Wij hebben de ogen geopend
De wereld was onze adem Onze adem een vlammende vogel Onze vogel een eenzame ster De ster een kleine planeet Een gouden schommel voor twee
Misschien is er een dijk gebroken, misschien Een kat verdronken, een mens gestikt Misschien heeft men geschoten, gemoord, gewroken, misschien Is Atlantis opnieuw verzonken ...
-dit is, dit blijft, dit is gebleven Daarom heb ik dit vers geschreven Licht als een woord onder woorden
De zon zinkt nooit terneer, 't Bestendig licht wordt steiler En stralender, toch ijler Dan in de wereld weleer.
Sneeuwen ijsvelden flonkren, Eindeloos hermelijn, Wij zijn de eenige donkren In de witte woestijn,
Waar een volstrekte vrede Besterft, alleen begaan Door honden, mannen, sleden, Smalle karavaan.
Door allen vergeten Die hen kenden op aarde, Door den drift bezeten Naar het einde der aarde.
J. SLAUERHOFF
Barre verlatenheid Duldde ik eeuwen reeds, In gelatenheid Trotsch en uitgebrand.
Wolken sneeuwen steeds. Zwaar en eindeloos; Wit en eindeloos Ligt het poolland rond.
't Laaiend Noorderlicht In staalharden nacht Houdt in mij de hoop Dat een langre schicht Mij inééns losscheurt uit mijn krater
En in v]ammenv]oed Al het eeuwig ijs Smelt tot groen, schuimbekkend water, Waar ik rood en donker uit verrijs.
J. SLAUERHOFF
Scheef valt een sneeuwbui door de vale middag. Stadstuinen worden grauwwit, pleksgewijs: De natte grond verdoet de zuivre sneeuw.
Voor een der matte ruiten staat een man Met geel gelaat en ingevallen wangen Om scheeve en stompzinnig starende oogen.
Hij staat roerloos, maar voelt zijn lichaam kreunen; "Wat heeft mij hier gebracht? Ik hoor hier niet, Allang behoorde ik in 't graf te liggen.
"Weet jij niet wat dat is; niet kunnen sterven Ver van Mongolië, van de eenige plaats Waar ik kan rusten in de moedergrond ?"
Maar hij blijft staan, wil niet naar Tsjita gaan. Dan valt hij met een slag als zand ineen, Want zijn gebeente wrong zich los uit 't vleesch.
En zijn geraamte staat bij hem, gebogen, Een schim, voortijdig en met pijn geboren, Met vleesch beflard: afgrijselijk verwijt.
J. SLAUERHOFF
Noodlot en sneeuw En ik achter mijn paar vriendelijke maskers Bouw dan mijn stad, mijn stad van gekleurd glas,
Spreid ook de kleden van mijn landschappen uit En zoek naar de dronken landloper van de zon En naar een waaien, een beekbedding, een even Geeuwende bloem,
Dus naar een traag en zacht zich opende vrouw.
H. Andreus Kinderen spelend in de sneeuw. Zonder heimwee zit ik binnen in mijn stenen winterjas.
Zonder heimwee: het kind dat ik was, het is niet eens dood en begraven, het heeft nooit bestaan .
Maar ik merk dat mijn blik nu het laatste zonlicht van de ramen likt
in bijna beschamende gretigheid, goed voor nog hoeveel jaar?
De kinderen zijn naar huis gegaan. Nieuwe sneeuw vlokt in het geluidledige neer.
H. Andreus
De akkers goor van verregende en weer opgevroren sneeuw. Vrek, zeg ik tegen het daglicht.
Een man die ik eens kende, een dichter van milde verzen, dacht het meest aan de dood in de zomer:
dat bolle groen, dat gekwetter, dat opgeklommen licht; 't besef dat het niet lang kon duren.
Mij neemt het, als meer gebruikelijk, nu waar: letter na letter teken ik weigerachtige woorden,
en lees ik uit mijn liefste boeken de oude bezweringen op, is er niet één die werkt.
H. Andreus
De grond is wit, de nevel wit, De wolken, waar nog sneeuw in zit, Zijn wit, dat zacht vergrijzelt. Het fijngetakt geboomte zit Met witten rijp beijzeld.
De wind houdt zich behoedzaam stil, Dat niet het minste takgetril 't Kristallen kunstwerk breke, De klank zelfs van mijn schreden wil Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit, Wat zwijgend tooverland is dit? Wat hemel loop ik onder? Ik vouw de handen en aanbid Dit grootsche, stille wonder.
J. v.d. Waals
Al Dalen de vlokken, Dalen de luchtige vlokken en lokken Mijn ziel met geruischlooze vreugde in stillen, onhoorbaren val.
Dicht Sneeuwt aan den hemel, Sneeuwt aan den loodgrauwen hemel gewemel Van volle, van koelblijde blankheid in feestelijk, zachtgedempt licht.
Traag Reikt mijn begeeren, Reikt mijn afgunstig begeeren, te keeren In tot de sneeuwkoele, diepe, volkomene ruste omlaag.
J. v.d. Waals
Sneeuw Sneeuw, voetstappen en brieven van wie ver weg zijn, verder dan van de maan deze regels, heilige sneeuw, sneeuw over ons nu en in het uur van onze dood. amen.
Wind
Wind, die de mond dichtwaait laat vallen het blad bij ons blijft van de slag van het autoportier tot het graf.
Pijn De leeuw brullend tegen de tijgergestreepte pijn van de kogels (pie-p pie-p) fluitend in zijn warm lijf wou een muis zijn, als een piepende muis klein (zoveel kleiner) kreunde hij (zoveel kleiner de pijn).
H.H. ter Balkt
... het oude is voorbij gegaan, ziet, het is alles nieuw geworden. 2 Cor. 5:17b
Toen sneeuw openbrak de ogen, dien versen morgen, voelden mijn kleren vreemd en koel bij het aankleden, een geluksgevoel maakte elke handeling ingetogen: bedachtzaam en overwogen heb ik me langzaam gewassen, of iets heiligs me zou verrassen.
Ik vond je beneden al aan 't zorgen. Je stond voor de open kachel gebogen, waarin houtjes waren geborgen, klaar om te worden aangestoken. Je had dezelfde gedachte.
De kamer stond op een wonder te wachten; het plafond lag betogen van blauw ontwaken; het bleef eeuwig bij achten.
We hebben bezit genomen van elkanders huivering, achtgevende op de hunkering daarachter ...
Gerrit Achterberg
Hij snelde toe. Het kind was net gestorven. Hij hurkte in een hoek en werd zo koud als sneeuw. Hij noemde zich Elia, oud kind. Zong: het sneeuwt, het sneeuwt tussen de korven.
Waar is de sterkte die men overhoudt als uit de leeuw de honing is geworven? De sterke neemt en eet. Tot hier gezworven kwam hij niet verder dan een rekenfout.
Taal kent het pathos. Hij was in taal thuis: hij noemde haar zijn moeder - die bewaarde al wat zij hoorde in haar hart. Hij riep:
sta op. Hij stond op. Liep naar buiten. Liep het dorp uit. Met de vinger 'beenderaarde' in de sneeuw schrijvend, en 'geboortegruis'.
C.O.]ellema
Ergens zei iemand het sneeuwt al en de dag is in een doodshemd voorbijgelopen zonder op of om te zien het laatste schip met overwonnen dromen is zojuist zonder bestemming vertrokken om in een land zonder achterland aan een zee zonder horizon tegen de kademuren van een gevreesd maar nog onuitgesproken onbegrip roestend voor anker te gaan
het is te laat om nog iets te beginnen door alle kieren wringt een grijze compacte mist naar binnen ergens zei iemand het sneeuwt al. II De morgen in witte gesteven kleren een oosterse begrafenis de partituur van de hemel is maat voor maat in mineur geschreven
stoelen worden fossielen de mensen zijn uitgestorven de warenhuizen zomerlicht staan uitverkocht of leeggestolen
de uren slaan in onverholen doodsangst open en dicht.
Ellen Warmond
SNEEUW Het sneeuwt. Om de weemlende stilte begeven hun vleugels den winden. De onzijdige hemel is niet te vermurwen gelijk het bestaan. -De rechtvaardige sneeuw valt over versmaden en over beminden. De sneeuw valt over de stenen waaronder de doden vergaan.
J.C. Bloem
Liefde smelt als sneeuw wordt door de aarde opgezogen komt weer boven manen, zonnen later, als de kleur van gras of de geur van schimmel in een kelder. `````` Remco Campert
Ik: zag je treden Over de blankte, Waar de weekte en de Rijzige rankte Van uwe leden Teer afteekende -
De sparren alle Bloeiden toen wonder' Wit bloesemend open. De grond er onder Was van gevallen Bloesems bedropen.
MARTINUS NIJHOFF
ademwit staan we aan de sneeuwpoort.
Een staarboze erratische heilige citeert uit het verschrevene wat de staf over ons breekt.
We gaan trappen op en af van onsterfelijkheid tot stof.
Jacques Hamelink
Vandaag noem ik Jou sneeuw, Jij onuitputtelijke Schepper, vergankelijk sterrekristal, dat de naakte akkers bekleedt, voor de zwervers de weg verstopt en de armoedigste hutjes vult met geborgenheid en inkeer.
Zwervende Jij, die voor de bomen ballast wordt, die de dappere kraaien naar buiten gooit de stilte in, en de dieren uit de bossen naar de mensen toedrijft, die de hulpeloze hulpelozer maakt en de hulpvaardigen vaardiger.
Geluidloze, die het vertrouwde ontvreemdt, zal Jouw volheid ons begraven, zullen vloeken de lofprijzing verstikken? Morgen misschien al zal Jouw wit ons verblinden en begin Je te ontdooien. Heerlijke! Dan noem ik Jou zon.
Christine Busta - Oostenrijk
Sneeuw de bomen sneeuw in het haar van mijn ogen smelt toch vandaag nog niet. Sneeuw in de schoot van mijn moeder sneeuw in de hand van mijn vader smelt toch vandaag nog niet. Jij bent vandaag onze schoonheid Sneeuw in het haar van de bomen Sneeuw in de schoot van de vrouw Sneeuwwitte sneeuw in mij Smelt toch vandaag nog niet.
H. Oosterhuis
Het ijle glaswerk van het middaguur
Bomen van rood glazuur Archaïseren de sneeuw Het licht staat hoog en puur Als de voetstap van een verpleegster
Men moet dit langzaam leren : Er zijn geen goden en de waarheid Is niet van sandelhout gemaakt De passie is eenzelvig als een menhir Er is geen schaduwen geen lichaamswarmte Er is geen echo en geen weerschijn Er is geen lijn van nu naar weer-nu Er is geen pijn met bladzij zoveel Er is geen rijm op leven Het hart heeft geen geschiedenis
(het ijle glaswerk van het middaguur de sneeuw een metropool van stilte en de organen ingedeeld naar rang en ras)
Men moet dit langzaam leren : Men moet dit leren met handen als de ceremonieuze spiegels in een rococopaleis Men moet dit leren het voorhoofd een stenen bassin waarin pronkzieke duiven hun weerga van pronkzucht betichten Men moet dit leren als de litanie van zand en zand Men moet dit leren met het maagdlijk rituaal van klimrozen De gestyleerde adem van een basilisk
Men moet dit leren als een vergezicht Men moet dit leren met de ernst waarmee een drachtige wolvin astronomie studeert Met het geduld waarmee de wijn in grijze kloosterkelders een god schept naar zijn eigen beeld Men moet dit leren als de groepsmoraal van wilde eenden Als de lucide liefde van een vogelspin Als het vóór-ijlen van een distichon Men moet dit leren met de roerloze trots van een reiger Men moet dit leren de schouders symmetrisch De lippen geslepen De ogen Exakt en teder als een kaukasische dolk
(de hemel vorstelijk van bouw de lucht een kitteling van pauweveren)
Men moet dit langzaam leren Men moet dit langzaam leren Men moet dit leren als een naam (maar wie leert er nog namen wie heeft er nog tijd voor namen wij leren de astronomie van hoeden de teleskopage van woord in waard de funktieverdeling van mond- en vrouwzeer de kybernetiek van tafel en bed wij leren het in en het uit van de treinen wij leren de straten maar niet de pleinen het scherp van een stem maar niet zijn gevest de vlam van een blik maar niet zijn kristal wij leren de massa en de gratie maar niet hun kruisiging wij leren de som en de multiplicatie maar niet de verenkelvoudiging) Men moet dit leren langzaam als een naam : Het is II Het is
Niet de gevilde god niet De Gevilde huilend In de ijzeren schroef van de ijzige stilte In de withete buik van de gietijzeren stier Een rose beest van waanzin Zo modern
Het is drie uur, geloof ik de sterren schijnen op klaarlichte dag de sterren zijn scherpe witte messen ik heb je nog nooit zo menselijk gezien- liefste, betoverde buldog (ik moet je fotograferen)
Niet de Verstilde: Hij de spitse niet, de witte muis, de lotosbloem De zwevende op een boek als een tapijt Met de glanzende glimlach van paraffine De zwevende op een boek als water: Waterwandelaar, pierrot, poëet, gedresseerde Zeehond op het klappend wereldboek
-En Hij niet de Zitter, de wereldbuik De luisteraar met het hangende oor der wijsheid De eter van stilte als rijstebrij De hoeder van het oliën geheim der vier kwartieren Genaamd 'de draaideur der geschiedenis'
Het is Dat is Een ruimte zonder heiligen Een ruimte zonder kengetal De oude stad niet met de vier koperen ruiters trompettend Als olifanten rond de zwarte put van de moederschoot En niet de snorrende driehoek van de nomadische luchteters Ikaros stijgend, Ikaros vallend -een rat, een woord, de dood gemaskerd, hooggeschoeid En de wind bewegend in de purpren gordijnen
Het is koud, geloof ik je handen zijn haneogen, ingrijpende spiegels: ik zie een lichtrode japanse prins een open borst vol prentjes, een navel in sierschrift kijk, met een gouden lever, een erepoort sssst
Dat is (misschien: een zadelvormig ei een gouden haan van overmorgen en overmorgen een sterrebeeld een voetstap als een tornado -of wie weet hebben zij gelijk die zeggen: 'gewoon een vis in een vogelkooi'-) De wreedheid die geen gezicht heeft Zoals een fotograaf geen gezicht heeft Zoals een explosie geen gezicht heeft Maar een kuis profiel van watten;- De binnenwaartse sprong, een daverende leegte Verbaasde, verglaasde Verlamming
Het is Dat is Zien: het voorhoofd een schild, een bark Weten : een onmerkbare verdikking Zijn:... Dat is Een lang mes, een zeer langzame vis Een dom als een brandende hooimijt Een verschrikkelijke aandacht als een moederwarmte
Een ruggegraat: Engelachtig, engelachtig opgeschroefd Een woedende trompet Stilte Ja
III Woorden van brood... (Guillaume van der Graft)
Woorden van steen:
Niet de verduurzaamde, niet de gebeitelde liefde De hals de heilige toren en de stenen welpjes, de borsten Niet de betonnen zweepslag van de atletische schoonheid En geen altaar, geen pyramidale dood Geen huis van marmeren poorten op blauwlinnen luchten Napoleon laveloos onder de rozen op 't binnenplein
De stenen tafelen dan, de runen ? Spijker- Schrift van het hart, de tweekoppige adelaar Die zijn welsprekende klauwen haakt in de horizon Dromend van 't duizendjarige rijk? 'Het hart is een hamer,' spreekt Hammoerabi, 'langs Wolkloze wegen gaat de hamer het hart Geharnaste vrede stichtend, grenzen stellend.' En de lieflijke slang 1 Vermorzeld onder de hak der wegenbouwers. De klappertandende vogels 1 Verjaagd naar de engelenbak.
Maar Herakles, de bastaardheld, de rattenvanger Het waswijf Herakles met de ontblote dijen - Hij hangt gespietst aan de gehoornde horizon Bloedende lap aan de gehoornde horizon: 'Dank u, Hoogheid,' zegt de oude dichter buigend En knoopt zich aan Zijn nachtelijke darmen op '0 haan, o morgenrood,' zeggen de zwartgezichten En hurken smakkend voor het vettig doodshoofd Morgen
('Laten de lieve, kwijnende vlasblonde meisjes de poëzie gaan háten')
De stenen spreken een taal Die niet voor de meisjes is De stenen spreken een taal Niet voor de vromen, niet voor de goedwillenden De stenen spreken een taal (de poëzie is een gloeiende bol de poëzie is een woedende maagzweer)
Donker en afgezonderd Schroeiend en onverstaanbaar Vuistdikke eierschaal Kolom van zwijgen Gezichtloze, zwartgeblakerde Engel het woord
Paul Rodenko
Zoo stil, zoo stil - nu kan het sneeuwen op d'aarde, die, tot slaap bereid, vergat de heugenis van eeuwen en niets verwekt in dezen tijd.
Waar zijn uw eerzucht, angst en droomen, de liefde en haar ijdelheid? Zaagt gij wel ooit een winter komen, in doffer deemstering verbeid?
Verwacht niet meer! - gij moet het dulden, dat alles naar de bodem buigt. Het bloed, dat eens de harten vulde, heeft niet de zielsdrift overtuigd.
Verwacht een kind - en die zal stralen aan Jesse, aan zijn stam en stok. Wanneer de witte sneeuw wil dalen legt hij ze voor u, vlok na vlok.
De weg, de waarheid en het leven zijn van dien sneeuwval geplaveid. Geen mensch kan minder aan hem geven dan honger naar zijn eeuwigheid.
Jan Engelman uit: Het Bezegeld Hart, 1937.
Wij hebben niets meer dan het witte blad van noode, waar - zooals zuiver sneeuwen op de aarde dwaalt de overluchtsche vlucht van de gedachte daalt, door ééne wenk der wimpers tot dit uur ontboden.
Wij waagden éénmaal ons, het overvele ontvloden, in 't hart der stilte, wit van een volstrekt gemis. Waar aanvang nam wat thans dit levend sneeuwen is, hebben wij niets meer dan het witte blad van noode.
Ida Gerhardt (ca. 1950)
Ik denk aan God en niet zozeer aan sneeuw. Dat is niet waar. God denkt aan mij en hij vreet mij op. Niemand denkt aan om het even wie. Een kleine kar gaat door de straat. Sneeuw valt als hij valt. God is een volkomen vreemde,door niets geplant. Ik zou mijzelf willen planten als een wilg. Ik zou mijzelf willen planten als het gras. Om dan daarop neer te vallen als de sneeuw, zacht. Het zou inslapen en ik zou Gods deken onthullen, mijn Huid, en zou verdwijnen over straat, in de nacht. Gisteren kwam ik langs een deur. Een klapdeurtje, van knie tot borst. Ik wilde weten of er een engel was daarbinnen. Het was alleen een oude man met een sombrero. Met donkere huid en nog donkerder ogen. Ik schonk mijn tequila te vol. Ik sloeg hem achterover. Het geluid was anders dan Dat van water uit een kraan. Ik moet tequila drinken. Ik moet een boom zijn, geplant in de aarde, en stoot de deur open. Ik moet de engel tegemoet gaan.
Tomaz Salamun III Rondom het vallen van een blad zijn licht en lucht en uurslag ijler. Het laatst bewegen spaart een zilveren ruimte uit, gaat open als een kinderoog, draalt in verwondering om nieuwe staat van vrijheid, wiekt even op maar wijkt snel uit, bevreesd, omdat de boom nu oud is. Het pad beneden staat vol sporen naar een nieuwe, zegenende dageraad: sterven, inkeer, sneeuwen overgaan in bronkracht, ongeschapen klaar.
Gabriël Smit
't Hoorngeschal is nu verstild, Raadsels in 't hart zijn gebleven, Herfstsneeuw komt luchtig en mild Over het croguetveld zweven,
Ruis nog maar voort, laatste blad! Kwijn nog maar, laatste gedachten' Nooit wou 'k verhinderen dat Hij, die zo vrolijk was, lachte.
Ik heb de dierbare mond 't Bittere grapje vergeven... O, als je morgen hier komt Over de sneeuwwitte dreven,
Dan gaan de kaarsen aan die 's Middags het vriendelijkst stralen, En uit de oranjerie Zullen we rozen gaan halen.
Augustus 1910, Tsarskoje Selo A. Achmatova
Frisse sneeuw verstuift langs de voren, 't Pijnbos wuift in de frisse wind. Geen vijandige stap meer te horen In mijn land dat zijn rust hervindt.
Februari 1945 A. Achmatova
't Betraande najaar lijkt een weduwvrouw Die, in het zwart gekleed, het hart doet schromen. De woorden van haar man gedenkend, diep in rouw, Laat zij haar tranen almaar stromen. Zo gaat het tot de stilste sneeuw zich vlijt Over die treurende, vol medeleven ... Vergetelheid van pijn en zaligheid - Daarvoor je leven zelfs te geven.
15 september 1921, Tsarskojee Selo
A. Achmatova
Lied van witte sneeuw, ten uitgeleide van administratief- assistent Wu bij zijn terugkeer naar de Hoofdstad De noorderstorm rolt aarde op en witte grassen breken: De Hunse hemel, Achtste Maand, en stuiven doet de sneeuw! Opeens was midden in de nacht een lentebries gekomen: Op honderd bomen, duizend bomen bloeit de perebloesem!
Zij dringt door paarlen deurgordijnen, weekt door zijden klamboes, Geen vossebont is nu nog warm en zijden dekens slinken.
De generaal is niet in staat een hoornen boog te spannen. De resident kan door de kou geen ijzeren harnas dragen.
In elke richting op de steppe: honderd voet van ijs. De droeve wolken, zwart en zwaar, zijn duizend mijl gestold.
Het hoofdkwartier bereidt een feest want iemand gaat terug, Met Hunse citers, platte luiten, Tibetaanse fluiten.
De late sneeuw danst driftig neer op de kazernepoort, De storm rukt aan de rode vlag: bevroren en onwrikbaar.
Bij Luntai's oosterpoort doen wij u uitgeleide, Nu u vertrekt bedekt de sneeuw de Hemelbergenweg. Waar bergen keren draait de weg zodat we u niet zien En in de sneeuw blijven alleen de sporen van uw paard.
Het nieuwe jaar bleef nog geheel van geur en bloei verstoken, De Tweede Maand verrast ons pas door gras dat uit gaat lopen. De witte sneeuw is kwaad omdat de lentekleuren talmen En stuift met opzet door de bomen als hun bloesemblaadjes
Bij een bezoek aan de berg de Taiping
Stenen zo steil: de hemel wordt gedeeld, Bomen gekruisd: de zon is onvolledig. De koele beek doet voorjaarsbloesems vallen, De koude rots behoudt de zomersneeuw
Kong Zhigui
De noordenwind is o zo koud, De sneeuw die valt is o zo dik- Als jij aan mij je liefde schenkt, Neem ik je hand, ik zal je volgen! Je bent zo sloom, je bent zo traag En het heeft haast!
De noordenwind, die snerpt en joelt, De sneeuw die valt dwarrelt en stuift – Als jij aan mij je liefde schenkt, Neem ik je hand, ik word je vrouw! Je bent zo sloom, je bent zo traag En het heeft haast!
Er is niets roder dan de vos, Er is niets zwarter dan de raaf- Als jij aan mij je liefde schenkt, Neem ik je hand, ik deel je wagen! Je bent zo sloom, je bent zo traag En het heeft haast!
Uit de Oden van Bei
Honderd heuvels – vogels vlogen heen, Duizenden paden – zonder spoor van mensen. Eenzaam een boot: onder strocape en riethoed zit een oude man Alleen te vissen in de sneeuw op de koude rivier.
is deze zuidelijke vallei waar een zachte wind waait – vage geur van sneeuw.
Matsuo Basho
Naar de oude hoofdstad, En boven mijn hoofd De wolken, zwaar van sneeuw.
Matsuo Basho
Is een gebeurtenis, Ik moest wel stoppen om te kijken Op deze besneeuwde ochtend Basho
Hoe hoog de sneeuw ook ligt Tot ik struikel en val, Kijkend naar het witte landschap.
Basho
De middag was een lichtgeworden paradijs. Het hoge sneeuwland nam hem op. Er was geen tijd, geen honger en het dal waar zijn moe huis moest staan bestond niet meer. Geen schuld, geen spijt.
Wanneer de zon hem onverbiddelijk verlaat hervindt de jager zich verstijfd en kwaad. Als voor een kind wordt hem de tijd tot plaats, tot afstand die hij wegtrapt. Om zijn schouders vlijt zich zwaar,
als de ontkende jaren, het gedode dier. Wurgend. Zo opent zich het asgrauw dal waar mensen die hij kent zwoegen met vuur en hout. Hij hoort het stil gekras van schaatsen op de vijver. Haat
het huis waarin hij woont en veilig is. Vernederd buigt hij voor seizoen en uur. De jager smijt de schatten die hij meebracht in de gore sneeuw: een zak vol dood, bevroren bloed, koud vuur.
Anna Enquist
Moedwillig afscheid waar wrok noch zucht toe aanzet; het vee verlaat de vredige wei voor een verdere helling. Behagen trekt aan de benen: toch opstaan, de haard is aan, de letters liggen daar nog. Niet het halve glas omstoten maar gaan. Buiten graag: sneeuw, maanlicht, vermoeden van een weg.
Anna Enquist
De verzen waren zo woest uit de bodem getrokken dat zij nog lang na-kraakten.
Toen lagen de letters als as in de sneeuw en bewogen niet meer. Als iemand ze aanblies vlamden ze even: oud vuur.
Er was een kind. Met haar danste ik door de kamer, wij galoppeerden van hoek naar hoek, wij zongen luidkeels een lied.
Zij had een warm gezicht. Zij was mijn dochter. Als ik adem vonkt zij na in het gedicht.
Anna Enquist
|
|
|
paintings: http://landscape.candanann.nltexts: http://mystiek.canandanann.nlblog: http://waarnemingvandewerkelijkheid.blogspot.com
Share |
canandanann 26-08-2010
|