sneeuw
Start snow neige schnee

                 


 

 


 

 

Sneeuwvlokken vallen

op eenden in een oude

vijver, des avonds.

 

Shiki

 


Een bonte kraai riep,

en toen riep hij niet verder

in de avondsneeuw.

 

Arö


Dat is nu mijn sneeuw!

als ik dat denk, weegt hij licht,

die laag op mijn hoed.

 

Kikaku


Een ijskoude maan

schrijft schaduwen van bomen

over het sneeuwveld.

 

Kubutsu


Het sneeuwt niet langer;

de vlokken op de struiken

schitteren in de nacht.

 

Röka


Een lange Zwarte

streng rivier, voortstromend langs

besneeuwde velden

 

Bonchö


Die witte reigers

- zonder hun kreet: een sneeuwvleug

tegen de hemel.

 

Sökan


Ik zag de bloesem,

de maan - nu ga ik schouwen

het schoonste: de sneeuw.

 

Rippo


Velden en bergen,

de sneeuw heeft ze genomen,

en niets is over.

 

]ösö


 

Het sinistere wit van de sneeuw. De lage, grijze zoldering van de hemel. De wolken als neergeslagen dieren over de daken. De vaalheid van de vleugel of de ruimte als een metalen plaat boven onze hoofden. Stad van bleek gewoeker. Anderen zullen naar je kunnen kijken met een blijmoediger hart. Nooit de vogel die nooit rust of verblijf in je vond.

Jose Angel Valente


  

SNEEUW

 

in memoriam Hans Henny Jahnn

 

De sneeuw jaagt,

het grote sleepnet van de hemel,

het zal de doden niet vangen.

 

Nu heeft de sneeuw zich

weer bedacht.

Hij stuift van tak tot tak.

 

De blauwe schaduwen

van vossen loeren

vanuit de hinderlaag. Ze ruiken

 

de witte

keel van de eenzaamheid.

 

Peter Huchel  


 

 

HET HUIS EN DE HANDEN

 

Twee handen waren als een huis.

Ze zeiden :

trek bij mij in.

Geen regen, geen vorst, geen angst.

Ik heb in dat huis gewoond

zonder regen, zonder vorst, zonder angst

tot de tijd het af kwam breken.

 

Nu zwerf ik weer langs de wegen.

Mijn jas is dun. Er is sneeuw

op komst.

 

Rolf Jacobsen


 

 

DE WINTER STAAT STIL

 

Schrijf de winter staat stil, lees een dag zonder dood

spel de sneeuw als een kind, smelt de tijd

als een klok die zich spiegelt in ijs

 

het is ijskoud vandaag, dus vertaal wat men schrijft

in een klok die niet loopt, in het vlees

dat bestaat als sneeuw voor de zon

 

en schrijf hoe haar lichaam bestond en zich boog

gelenigd in vlees en keek achterom

in het oog van vandaag, en lees wat hier staat

 

de zon op de sneeuw, het kind in de slee

het dichtgewaaid spoor, de onleesbare dood -

 

Gerrit Kouwenaar


 


 

MISSCHIEN ...

Licht als een woord onder woorden

Heb ik het lam van onze ontmoeting geweid:

Je gang van sneeuw je stem van blauw je ogen

Kleine lekken in de tijd

 

Op paddestoelen van geluk gezeten

Hebben wij lucht als brood gegeten

Hebben wij zon als wijn gedronken

Hebben wij kruimels van stilte vergaard

Tot een witglanzende bruiloftstaart

 

Wij kwamen uit gangen van misverstand

Uit kamers vol vingers vol kogelgaten

Wij hebben de deuren gesloten

Wij hebben de ogen geopend

 

De wereld was onze adem

Onze adem een vlammende vogel

Onze vogel een eenzame ster

De ster een kleine planeet

Een gouden schommel voor twee

 

Misschien is er een dijk gebroken, misschien

Een kat verdronken, een mens gestikt

Misschien heeft men geschoten, gemoord, gewroken, misschien

Is Atlantis opnieuw verzonken ...

 

-dit is, dit blijft, dit is gebleven

Daarom heb ik dit vers geschreven

Licht als een woord onder woorden


 

POOLREIS

De zon zinkt nooit terneer,

't Bestendig licht wordt steiler

En stralender, toch ijler

Dan in de wereld weleer.

 

Sneeuwen ijsvelden flonkren,

Eindeloos hermelijn,

Wij zijn de eenige donkren

In de witte woestijn,

 

Waar een volstrekte vrede

Besterft, alleen begaan

Door honden, mannen, sleden,

Smalle karavaan.

 

Door allen vergeten

Die hen kenden op aarde,

Door den drift bezeten

Naar het einde der aarde.

 

J. SLAUERHOFF


 

DE POOLVULKAAN

Barre verlatenheid

Duldde ik eeuwen reeds,

In gelatenheid

Trotsch en uitgebrand.

 

Wolken sneeuwen steeds.

Zwaar en eindeloos;

Wit  en eindeloos

Ligt het poolland rond.

 

't Laaiend Noorderlicht

In staalharden nacht

Houdt in mij de hoop

Dat een langre schicht

Mij inééns losscheurt uit mijn krater

 

En in v]ammenv]oed

Al het eeuwig ijs

Smelt tot groen, schuimbekkend water,

Waar ik rood en donker uit verrijs.

 

J. SLAUERHOFF


 

SAY IT WITH SONGS

Scheef valt een sneeuwbui door de vale middag.

Stadstuinen worden grauwwit, pleksgewijs:

De natte grond verdoet de zuivre sneeuw.

 

Voor een der matte ruiten staat een man

Met geel gelaat en ingevallen wangen

Om scheeve en stompzinnig starende oogen.

 

Hij staat roerloos, maar voelt zijn lichaam kreunen;

"Wat heeft mij hier gebracht? Ik hoor hier niet,

Allang behoorde ik in 't graf te liggen.

 

"Weet jij niet wat dat is; niet kunnen sterven

Ver van Mongolië, van de eenige plaats

Waar ik kan rusten in de moedergrond ?"

 

Maar hij blijft staan, wil niet naar Tsjita gaan.

Dan valt hij met een slag als zand ineen,

Want zijn gebeente wrong zich los uit 't vleesch.

 

En zijn geraamte staat bij hem, gebogen,

Een schim, voortijdig en met pijn geboren,

Met vleesch beflard: afgrijselijk verwijt.

 

 

J. SLAUERHOFF


 

Winter

Noodlot en sneeuw

En ik achter mijn paar vriendelijke maskers

Bouw dan mijn stad, mijn stad van gekleurd glas,

 

Spreid ook de kleden van mijn landschappen uit

En zoek naar de dronken landloper van de zon

En naar een waaien, een beekbedding, een even

Geeuwende bloem,

 

Dus naar een traag en zacht zich opende vrouw.

 

H. Andreus


Winters 1

Kinderen spelend

in de sneeuw. Zonder heimwee

zit ik binnen

in mijn stenen winterjas.

 

Zonder heimwee:

het kind dat ik was,

het is niet eens dood en begraven,

het heeft nooit bestaan .

 

Maar ik merk dat mijn blik

nu het laatste zonlicht

van de ramen likt

 

in bijna beschamende gretigheid,

goed voor nog hoeveel jaar?

 

De kinderen zijn naar huis gegaan.

Nieuwe sneeuw vlokt

in het geluidledige neer.

 

H. Andreus


 

Winters 2

De akkers goor van verregende

en weer opgevroren sneeuw.

Vrek, zeg ik tegen het daglicht.

 

Een man die ik eens kende,

een dichter van milde verzen,

dacht het meest aan de dood in de zomer:

 

dat bolle groen, dat gekwetter,

dat opgeklommen licht;

't besef dat het niet lang kon duren.

 

Mij neemt het, als meer gebruikelijk,

nu waar: letter na letter

teken ik weigerachtige woorden,

 

en lees ik uit mijn liefste boeken

de oude bezweringen op,

is er niet één die werkt. 

 

H. Andreus


 

WINTERSTILTE

De grond is wit, de nevel wit,

De wolken, waar nog sneeuw in zit,

Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.

Het fijngetakt geboomte zit

Met witten rijp beijzeld.

 

De wind houdt zich behoedzaam stil,

Dat niet het minste takgetril

't Kristallen kunstwerk breke,

De klank zelfs van mijn schreden wil

Zich in de sneeuw versteken.

 

De grond is wit, de nevel wit,

Wat zwijgend tooverland is dit?

Wat hemel loop ik onder?

Ik vouw de handen en aanbid

Dit grootsche, stille wonder.

 

J. v.d. Waals


 

SNEEUWVAL

Al

Dalen de vlokken,

Dalen de luchtige vlokken en lokken

Mijn ziel met geruischlooze vreugde in stillen,

onhoorbaren val.

 

Dicht

Sneeuwt aan den hemel,

Sneeuwt aan den loodgrauwen hemel gewemel

Van volle, van koelblijde blankheid in feestelijk,

zachtgedempt licht.

 

Traag

Reikt mijn begeeren,

Reikt mijn afgunstig begeeren, te keeren

In tot de sneeuwkoele, diepe, volkomene ruste omlaag.

 

J. v.d. Waals


SNEEUW; WIND; PIJN

 

Sneeuw

Sneeuw, voetstappen en brieven

van wie ver weg zijn, verder

dan van de maan deze regels,

heilige sneeuw, sneeuw over ons

nu en in het uur van onze dood. amen.

 

Wind

 

Wind,

die de mond dichtwaait

laat vallen het blad

bij ons blijft van de slag

van het autoportier tot het graf.

 

Pijn

De leeuw brullend tegen de tijgergestreepte pijn

van de kogels (pie-p pie-p) fluitend in zijn warm lijf

wou een muis zijn, als een piepende muis klein

(zoveel kleiner) kreunde hij (zoveel kleiner de pijn).

 

H.H. ter Balkt


 

SNEEUW

 

... het oude is voorbij gegaan,

ziet, het is alles nieuw geworden. 2 Cor. 5:17b

 

Toen sneeuw openbrak de ogen,

dien versen morgen,

voelden mijn kleren vreemd en koel

bij het aankleden, een geluksgevoel

maakte elke handeling ingetogen:

bedachtzaam en overwogen

heb ik me langzaam gewassen,

of iets heiligs me zou verrassen.

 

Ik vond je beneden al aan 't zorgen.

Je stond voor de open kachel gebogen,

waarin houtjes waren geborgen,

klaar om te worden aangestoken.

Je had dezelfde gedachte.

 

De kamer stond op een wonder te wachten;

het plafond lag betogen

van blauw ontwaken;

het bleef eeuwig bij achten.

 

We hebben bezit genomen

van elkanders huivering,

achtgevende op de hunkering

daarachter ...

 

Gerrit Achterberg


 

Hij snelde toe. Het kind was net gestorven.

Hij hurkte in een hoek en werd zo koud

als sneeuw. Hij noemde zich Elia, oud

kind. Zong: het sneeuwt, het sneeuwt tussen de korven.

 

Waar is de sterkte die men overhoudt

als uit de leeuw de honing is geworven?

De sterke neemt en eet. Tot hier gezworven

kwam hij niet verder dan een rekenfout.

 

Taal kent het pathos. Hij was in taal thuis:

hij noemde haar zijn moeder - die bewaarde

al wat zij hoorde in haar hart. Hij riep:

 

sta op. Hij stond op. Liep naar buiten. Liep

het dorp uit. Met de vinger 'beenderaarde'

in de sneeuw schrijvend, en 'geboortegruis'.

 

C.O.]ellema


SNEEUW

Ergens zei iemand het sneeuwt

al en de dag is in een doodshemd

voorbijgelopen zonder op

of om te zien het laatste schip

met overwonnen dromen is zojuist

zonder bestemming vertrokken om

in een land zonder achterland

aan een zee zonder horizon

tegen de kademuren van een

gevreesd maar nog onuitgesproken

onbegrip roestend voor anker te gaan

 

het is te laat om nog iets te beginnen

door alle kieren wringt een grijze

compacte mist naar binnen ergens

zei iemand het sneeuwt al.

II

De morgen in witte gesteven

kleren een oosterse begrafenis

de partituur van de hemel is

maat voor maat in mineur geschreven

 

stoelen worden fossielen

de mensen zijn uitgestorven

de warenhuizen zomerlicht

staan uitverkocht of leeggestolen

 

de uren slaan in onverholen

doodsangst open en dicht.

 

Ellen Warmond


 

SNEEUW

Het sneeuwt. Om de weemlende stilte begeven hun vleugels den winden.

De onzijdige hemel is niet te vermurwen gelijk  het bestaan.

-De rechtvaardige sneeuw valt over versmaden en over beminden.

De sneeuw valt over de stenen waaronder de doden vergaan.

 

J.C. Bloem


 

Liefde smelt als sneeuw

Liefde smelt als sneeuw

wordt door de aarde opgezogen

komt weer boven

manen, zonnen later,

als de kleur van gras

of de geur van schimmel in een kelder.

``````                                     

Remco Campert


 

SNEEUWLIEDJE

Ik: zag je treden

Over de blankte,

Waar de weekte en de

Rijzige rankte

Van uwe leden

Teer afteekende -

 

De sparren alle

Bloeiden toen wonder'

Wit bloesemend open.

De grond er onder

Was van gevallen

Bloesems bedropen.

 

MARTINUS NIJHOFF


 

Compactgedroomd,

ademwit staan we

aan de sneeuwpoort.

 

Een staarboze erratische heilige

citeert uit het verschrevene

wat de staf over ons breekt.

 

We gaan trappen op en af

van onsterfelijkheid tot stof.

 

Jacques Hamelink

 


Sneeuwpsalm

 

Vandaag noem ik Jou sneeuw,

Jij onuitputtelijke Schepper,

vergankelijk sterrekristal,

dat de naakte akkers bekleedt,

voor de zwervers de weg verstopt

en de armoedigste hutjes

vult met geborgenheid en inkeer.

 

Zwervende Jij, die voor de bomen ballast wordt,

die de dappere kraaien naar buiten gooit

de stilte in, en de dieren

uit de bossen naar de mensen toedrijft,

die de hulpeloze hulpelozer maakt

en de hulpvaardigen vaardiger.

 

Geluidloze, die het vertrouwde ontvreemdt,

zal Jouw volheid ons begraven,

zullen vloeken de lofprijzing verstikken?

Morgen misschien al zal Jouw wit ons

verblinden en begin Je te ontdooien.

Heerlijke! Dan noem ik Jou zon.

 

Christine Busta - Oostenrijk  


 

WINTERS GEBED

Sneeuw de bomen

sneeuw in het haar van mijn ogen

smelt toch vandaag nog niet.

Sneeuw in de schoot van mijn moeder

sneeuw in de hand van mijn vader

smelt toch vandaag nog niet.

Jij bent vandaag onze schoonheid

Sneeuw in het haar van de bomen

Sneeuw in de schoot van de vrouw

Sneeuwwitte sneeuw in mij

Smelt toch vandaag nog niet.

 

H. Oosterhuis


 

BESNEEUWD LANDSCHAP 

 

Het ijle glaswerk van het middaguur 

 

Bomen van rood glazuur 

Archaïseren de sneeuw 

Het licht staat hoog en puur 

Als de voetstap van een verpleegster 

 

Men moet dit langzaam leren : 

Er zijn geen goden en de waarheid 

Is niet van sandelhout gemaakt 

De passie is eenzelvig als een menhir 

Er is geen schaduwen geen lichaamswarmte 

Er is geen echo en geen weerschijn 

Er is geen lijn van nu naar weer-nu 

Er is geen pijn met bladzij zoveel 

Er is geen rijm op leven 

Het hart heeft geen geschiedenis  

 

(het ijle glaswerk van het middaguur 

de sneeuw een metropool van stilte 

en de organen ingedeeld naar rang en ras)  

 

Men moet dit langzaam leren : 

Men moet dit leren met handen als de ceremonieuze spiegels in een rococopaleis 

Men moet dit leren het voorhoofd een stenen bassin waarin pronkzieke duiven 

hun weerga van pronkzucht betichten 

Men moet dit leren als de litanie van zand en zand 

Men moet dit leren met het maagdlijk rituaal van klimrozen 

De gestyleerde adem van een basilisk  

 

Men moet dit leren als een vergezicht 

Men moet dit leren met de ernst waarmee een drachtige wolvin astronomie

studeert 

Met het geduld waarmee de wijn in grijze kloosterkelders een god schept naar 

zijn eigen beeld 

Men moet dit leren als de groepsmoraal van wilde eenden 

Als de lucide liefde van een vogelspin 

Als het vóór-ijlen van een distichon 

Men moet dit leren met de roerloze trots van een reiger 

Men moet dit leren de schouders symmetrisch 

De lippen geslepen 

De ogen 

Exakt en teder als een kaukasische dolk  

 

(de hemel vorstelijk van bouw 

de lucht een kitteling van pauweveren) 

 

Men moet dit langzaam leren 

Men moet dit langzaam leren 

Men moet dit leren als een naam 

(maar wie leert er nog namen 

wie heeft er nog tijd voor namen 

wij leren de astronomie van hoeden 

de teleskopage van woord in waard 

de funktieverdeling van mond- en vrouwzeer 

de kybernetiek van tafel en bed 

wij leren het in en het uit van de treinen 

wij leren de straten maar niet de pleinen 

het scherp van een stem maar niet zijn gevest 

de vlam van een blik maar niet zijn kristal 

wij leren de massa en de gratie 

maar niet hun kruisiging 

wij leren de som en de multiplicatie 

maar niet de verenkelvoudiging)  

Men moet dit leren langzaam als een naam : 

Het is 

II 

Het is 

 

Niet de gevilde god niet 

De Gevilde huilend 

In de ijzeren schroef van de ijzige stilte 

In de withete buik van de gietijzeren stier 

Een rose beest van waanzin 

Zo modern 

 

Het is 

drie uur, geloof ik 

de sterren schijnen op klaarlichte dag 

de sterren zijn scherpe witte messen 

ik heb je nog nooit zo menselijk gezien- 

liefste, betoverde buldog 

(ik moet je fotograferen)

  

Niet de Verstilde: 

Hij de spitse niet, de witte muis, de lotosbloem 

De zwevende op een boek als een tapijt 

Met de glanzende glimlach van paraffine 

De zwevende op een boek als water: 

Waterwandelaar, pierrot, poëet, gedresseerde 

Zeehond op het klappend wereldboek

 

 

-En Hij niet de Zitter, de wereldbuik 

De luisteraar met het hangende oor der wijsheid 

De eter van stilte als rijstebrij 

De hoeder van het oliën geheim der vier kwartieren 

Genaamd 'de draaideur der geschiedenis' 

 

 

Het is 

Dat is 

Een ruimte zonder heiligen 

Een ruimte zonder kengetal 

De oude stad niet met de vier koperen ruiters trompettend 

Als olifanten rond de zwarte put van de moederschoot 

En niet de snorrende driehoek van de nomadische luchteters 

Ikaros stijgend, Ikaros vallend 

-een rat, een woord, de dood gemaskerd, hooggeschoeid 

En de wind bewegend in de purpren gordijnen 

 

 

Het is 

koud, geloof ik 

je handen zijn haneogen, ingrijpende spiegels: 

ik zie een lichtrode japanse prins 

een open borst vol prentjes, een navel in sierschrift 

kijk, met een gouden lever, een erepoort 

sssst

 

Dat is 

(misschien: een zadelvormig ei 

een gouden haan van overmorgen 

en overmorgen een sterrebeeld 

een voetstap als een tornado 

-of wie weet hebben zij gelijk die zeggen: 

'gewoon een vis in een vogelkooi'-) 

De wreedheid die geen gezicht heeft 

Zoals een fotograaf geen gezicht heeft 

Zoals een explosie geen gezicht heeft 

Maar een kuis profiel van watten;- 

De binnenwaartse sprong, een daverende leegte 

Verbaasde, verglaasde 

Verlamming 

 

 

Het is 

Dat is 

Zien: het voorhoofd een schild, een bark 

Weten : een onmerkbare verdikking 

Zijn:... 

Dat is 

Een lang mes, een zeer langzame vis 

Een dom als een brandende hooimijt 

Een verschrikkelijke aandacht als een moederwarmte

 

 

Een ruggegraat: 

Engelachtig, engelachtig opgeschroefd 

Een woedende trompet 

Stilte 

Ja 

 

 

III Woorden van brood... 

(Guillaume van der Graft)

 

 

Woorden van steen:

 

 

Niet de verduurzaamde, niet de gebeitelde liefde 

De hals de heilige toren en de stenen welpjes, de borsten 

Niet de betonnen zweepslag van de atletische schoonheid 

En geen altaar, geen pyramidale dood 

Geen huis van marmeren poorten op blauwlinnen luchten 

Napoleon laveloos onder de rozen op 't binnenplein 

 

 De stenen tafelen dan, de runen ? Spijker- 

Schrift van het hart, de tweekoppige adelaar 

Die zijn welsprekende klauwen haakt in de horizon 

Dromend van 't duizendjarige rijk? 

'Het hart is een hamer,' spreekt Hammoerabi, 'langs 

Wolkloze wegen gaat de hamer het hart 

Geharnaste vrede stichtend, grenzen stellend.' 

En de lieflijke slang 1 Vermorzeld onder de hak der wegenbouwers. 

De klappertandende vogels 1 Verjaagd naar de engelenbak. 

 

Maar Herakles, de bastaardheld, de rattenvanger 

Het waswijf Herakles met de ontblote dijen - 

Hij hangt gespietst aan de gehoornde horizon 

Bloedende lap aan de gehoornde horizon: 

'Dank u, Hoogheid,' zegt de oude dichter buigend 

En knoopt zich aan Zijn nachtelijke darmen op 

'0 haan, o morgenrood,' zeggen de zwartgezichten 

En hurken smakkend voor het vettig doodshoofd 

Morgen 

 

('Laten de lieve, kwijnende 

vlasblonde meisjes 

de poëzie 

gaan háten') 

 

De stenen spreken een taal 

Die niet voor de meisjes is 

De stenen spreken een taal 

Niet voor de vromen, niet voor de goedwillenden 

De stenen spreken een taal 

(de poëzie is een gloeiende bol 

de poëzie is een woedende maagzweer) 

 

Donker en afgezonderd 

Schroeiend en onverstaanbaar 

Vuistdikke eierschaal 

Kolom van zwijgen 

Gezichtloze, zwartgeblakerde 

Engel het woord 

 

Paul Rodenko

 


 

ADVENT

 

Zoo stil, zoo stil - nu kan het sneeuwen

op d'aarde, die, tot slaap bereid,

vergat de heugenis van eeuwen

en niets verwekt in dezen tijd.

 

Waar zijn uw eerzucht, angst en droomen,

de liefde en haar ijdelheid?

Zaagt gij wel ooit een winter komen,

in doffer deemstering verbeid?

 

Verwacht niet meer! - gij moet het dulden,

dat alles naar de bodem buigt.

Het bloed, dat eens de harten vulde,

heeft niet de zielsdrift overtuigd.

 

Verwacht een kind - en die zal stralen

aan Jesse, aan zijn stam en stok.

Wanneer de witte sneeuw wil dalen

legt hij ze voor u, vlok na vlok.

 

De weg, de waarheid en het leven

zijn van dien sneeuwval geplaveid.

Geen mensch kan minder aan hem geven

dan honger naar zijn eeuwigheid.

 

Jan Engelman uit: Het Bezegeld Hart, 1937.


 

SNEEUW


In deze sneeuw ben ik een tekening.
Een plaat, waarop ik langzaam levend ben.
Er is geen onderscheid tussen de boom en mij
dan dat ik hier en daar bewegend ben.

Verzonken in het eindeloze wit,
dat om mij ligt geopend, ben ik dit.
Bevangen door dezelfde zuiverheid,
waar in de verte ook een kraai op zit.


Gerrit Achterberg
uit: Verzamelde gedichten
Querido, Amsterdam 1984


 

‘Sneeuw’

 

Wij hebben niets meer dan het witte blad van noode,

waar - zooals zuiver sneeuwen op de aarde dwaalt

de overluchtsche vlucht van de gedachte daalt,

door ééne wenk der wimpers tot dit uur ontboden.

 

Wij waagden éénmaal ons, het overvele ontvloden,

in 't hart der stilte, wit van een volstrekt gemis.

Waar aanvang nam wat thans dit levend sneeuwen is,

hebben wij niets meer dan het witte blad van noode.

 

Ida Gerhardt (ca. 1950)


Alleen de sneeuw

 

Ik denk aan God en niet zozeer

aan sneeuw. Dat is niet waar.

God denkt aan mij en hij vreet mij op.

Niemand denkt aan om het even wie.

Een kleine kar gaat door de straat.

Sneeuw valt als hij valt.

God is een volkomen vreemde,door niets geplant.

Ik zou mijzelf willen planten als een wilg.

Ik zou mijzelf willen planten als het gras.

Om dan daarop neer te vallen als de sneeuw, zacht.

Het zou inslapen en ik zou Gods deken onthullen, mijn

Huid, en zou verdwijnen over straat, in de nacht.

Gisteren kwam ik langs een deur.

Een klapdeurtje, van knie tot borst.

Ik wilde weten of er een engel was daarbinnen.

Het was alleen een oude man met een sombrero.

Met donkere huid en nog donkerder ogen.

Ik schonk mijn tequila te vol.

Ik sloeg hem achterover.

Het geluid was anders dan

Dat van water uit een kraan.

Ik moet tequila drinken.

Ik moet een boom zijn, geplant in de aarde, en stoot de deur open.

Ik moet de engel tegemoet gaan.

 

Tomaz Salamun


III

Rondom het vallen van een blad

zijn licht en lucht en uurslag

ijler. Het laatst bewegen spaart

een zilveren ruimte uit, gaat

open als een kinderoog, draalt

in verwondering om nieuwe staat

van vrijheid, wiekt even op maar

wijkt snel uit, bevreesd, omdat

de boom nu oud is. Het pad

beneden staat vol sporen naar

een nieuwe, zegenende dageraad:

sterven, inkeer, sneeuwen overgaan

in bronkracht, ongeschapen klaar.

 

Gabriël Smit


't Hoorngeschal is nu verstild,

Raadsels in 't hart zijn gebleven,

Herfstsneeuw komt luchtig en mild

Over het croguetveld zweven,

 

Ruis nog maar voort, laatste blad!

Kwijn nog maar, laatste gedachten'

Nooit wou 'k verhinderen dat

Hij, die zo vrolijk was, lachte.

 

Ik heb de dierbare mond 't

Bittere grapje vergeven...

O, als je morgen hier komt

Over de sneeuwwitte dreven,

 

Dan gaan de kaarsen aan die

's Middags het vriendelijkst stralen,

En uit de oranjerie

Zullen we rozen gaan halen.

 

Augustus 1910, Tsarskoje Selo

A. Achmatova

 


 

BEVRIJD

Frisse sneeuw verstuift langs de voren,

't Pijnbos wuift in de frisse wind.

Geen vijandige stap meer te horen

In mijn land dat zijn rust hervindt.

 

Februari 1945

A. Achmatova 

 


 

't Betraande najaar lijkt een weduwvrouw

Die, in het zwart gekleed, het hart doet schromen.

De woorden van haar man gedenkend, diep in rouw,

Laat zij haar tranen almaar stromen.

Zo gaat het tot de stilste sneeuw zich vlijt

Over die treurende, vol medeleven ...

Vergetelheid van pijn en zaligheid -

Daarvoor je leven zelfs te geven.

 

15 september 1921, Tsarskojee Selo

 

A. Achmatova

 


 

Lied van witte sneeuw, ten uitgeleide van administratief- assistent Wu bij zijn terugkeer naar de Hoofdstad  

De noorderstorm rolt aarde op en witte grassen breken: De Hunse hemel, Achtste Maand, en stuiven doet de sneeuw!  

Opeens was midden in de nacht een lentebries gekomen: Op honderd bomen, duizend bomen bloeit de perebloesem!  

 

Zij dringt door paarlen deurgordijnen, weekt door zijden klamboes,

Geen vossebont is nu nog warm en zijden dekens slinken.

 

De generaal is niet in staat een hoornen boog te spannen.

De resident kan door de kou geen ijzeren harnas dragen.

 

In elke richting op de steppe: honderd voet van ijs.

De droeve wolken, zwart en zwaar, zijn duizend mijl gestold.

 

Het hoofdkwartier bereidt een feest want iemand gaat terug,

Met Hunse citers, platte luiten, Tibetaanse fluiten.

 

De late sneeuw danst driftig neer op de kazernepoort,

De storm rukt aan de rode vlag: bevroren en onwrikbaar.

 

Bij Luntai's oosterpoort doen wij u uitgeleide,

Nu u vertrekt bedekt de sneeuw de Hemelbergenweg.

Waar bergen keren draait de weg zodat we u niet zien

En in de sneeuw blijven alleen de sporen van uw paard.

 


Voorjaarssneeuw

Het nieuwe jaar bleef nog geheel van geur en bloei verstoken,

De Tweede Maand verrast ons pas door gras dat uit gaat lopen.

De witte sneeuw is kwaad omdat de lentekleuren talmen

En stuift met opzet door de bomen als hun bloesemblaadjes  

 


Bij een bezoek aan de berg de Taiping

 

Stenen zo steil: de hemel wordt gedeeld,

Bomen gekruisd: de zon is onvolledig.

De koele beek doet voorjaarsbloesems vallen,

De koude rots behoudt de zomersneeuw

 

Kong Zhigui


 

De noordenwind

De noordenwind is o zo koud,

De sneeuw die valt is o zo dik-

Als jij aan mij je liefde schenkt,

Neem ik je hand, ik zal je volgen!

Je bent zo sloom, je bent zo traag

En het heeft haast!

 

De noordenwind, die snerpt en joelt,

De sneeuw die valt dwarrelt en stuift –

Als jij aan mij je liefde schenkt,

Neem ik je hand, ik word je vrouw!

Je bent zo sloom, je bent zo traag

En het heeft haast!

 

Er is niets roder dan de vos,

Er is niets zwarter dan de raaf-

Als jij aan mij je liefde schenkt,

Neem ik je hand, ik deel je wagen!

Je bent zo sloom, je bent zo traag

En het heeft haast!

 

Uit de Oden van Bei


 

Sneeuw op de rivier

Honderd heuvels – vogels vlogen heen,

Duizenden paden – zonder spoor van mensen.

Eenzaam een boot: onder strocape en riethoed zit een oude man

Alleen te vissen in de sneeuw op de koude rivier.

 


Gezegend,

is deze zuidelijke vallei

waar een zachte wind waait –

vage geur van sneeuw.

 

Matsuo Basho


 

Slechts halverwege

Naar de oude hoofdstad,

En boven mijn hoofd

De wolken, zwaar van sneeuw.

 

Matsuo Basho

 


Zelfs een paard

Is een gebeurtenis,

Ik moest wel stoppen om te kijken

Op deze besneeuwde ochtend

Basho 

 


Ik ga zo ver mogelijk

Hoe hoog de sneeuw ook ligt

Tot ik struikel en val,

Kijkend naar het witte landschap.

 

Basho


TERUGKEER VAN DE JAGER

 

De middag was een lichtgeworden paradijs. Het hoge

sneeuwland nam hem op. Er was geen tijd,

geen honger en het dal waar zijn moe huis moest staan

bestond niet meer. Geen schuld, geen spijt.

 

Wanneer de zon hem onverbiddelijk verlaat hervindt

de jager zich verstijfd en kwaad. Als voor een kind

wordt hem de tijd tot plaats, tot afstand die hij

wegtrapt. Om zijn schouders vlijt zich zwaar,

 

als de ontkende jaren, het gedode dier. Wurgend.

Zo opent zich het asgrauw dal waar mensen

die hij kent zwoegen met vuur en hout. Hij hoort

het stil gekras van schaatsen op de vijver. Haat

 

het huis waarin hij woont en veilig is. Vernederd

buigt hij voor seizoen en uur. De jager smijt

de schatten die hij meebracht in de gore sneeuw:

een zak vol dood, bevroren bloed, koud vuur.

 

Anna Enquist

 


WEGGAAN

 

Moedwillig afscheid waar wrok noch

zucht toe aanzet; het vee verlaat

de vredige wei voor een verdere helling.

Behagen trekt aan de benen: toch opstaan,

de haard is aan, de letters liggen daar

nog. Niet het halve glas omstoten

maar gaan. Buiten graag: sneeuw,

maanlicht, vermoeden van een weg.

 

Anna Enquist


HABANERA

 

De verzen waren zo woest uit de bodem

getrokken dat zij nog lang na-kraakten.

 

Toen lagen de letters als as in de sneeuw

en bewogen niet meer. Als iemand

ze aanblies vlamden ze even: oud vuur.

 

Er was een kind. Met haar danste ik

door de kamer, wij galoppeerden van hoek

naar hoek, wij zongen luidkeels een lied.

 

Zij had een warm gezicht. Zij was mijn dochter.

Als ik adem vonkt zij na in het gedicht.

 

Anna Enquist

 

 


                 

 

      de Rijn - collage 30 x 40 cm

 

  paintings:  http://landscape.candanann.nl

  texts: http://mystiek.canandanann.nl

  blog: http://waarnemingvandewerkelijkheid.blogspot.com

 

 

   Share |

 

 

canandanann 26-08-2010