tekst7
Start Omhoog

                 


 

 


Een zachter juk

Vincent Duindam

Verschenen in Volzin 23 september 2005 ( gepubliceerd op deze site met toestemming van de auteur)

Eigen keuze en autonomie zijn sleutelwoorden geworden in de hedendaagse theorieën over levenskunst. Maar alleen maar zelfredzaamheid en controle maken het leven zwaar. Waarom toch al die nadruk op ego-arbeid, vraagt Vincent Duindam zich af -is dat soms om de angst te beteugelen?

In het voorjaar was ik te gast in de Abdij Sion bij Diepenveen. Met mijn rugzak stapte ik uit de bus en ik liep de lange oprijlaan op. Aan beide zijden staan hoge  oude beuken. Dichtbij de provinciale weg zie je nog liefdesverklaringen in de stammen gekrast staan. Naarmate je dichter bij het klooster komt, wordt dat minder. En dan zie je eerst de houten schutting, met daarachter het abdijkerkhof.

In mijn rugzak zat een hoop sores van de universiteit die ik kwijt moest raken, en ook een paar boeken over levenskunst. Zou je 'levenskunst' ooit uit een boek kunnen halen? Een uurtje later zat ik in de kerk. Het leek nog stiller dan anders. Licht viel door de gebrandschilderde ramen. Even vallen dan verleden en toekomst weg. Alles is nu aanwezig. Ik was gekomen om vragen te stellen. Wat moest ik met mijn toekomst? Hoe nu verder? In de diepe stilte piepte alleen even het gehoorapparaat van één van de monniken. Toen was er een stille stem in me die mij duidelijk maakte dat ik misschien niet al die vragen moest stellen. Misschien kon ik beter luisteren naar wat mij gevraagd werd. Het drong amper tot me door.

Na de mis zocht ik in het bos rond Sion een mooi plekje uit en ik spreidde mijn boeken uit rondom mij. Twee boeken zaten erbij van de filosoof Wilhelm Schmid over levenskunst, een van Anselm Grün, ook over levenskunst, en verder sociaal-wetenschappelijke boeken. Psychologen, sociologen en filosofen zijn het met elkaar eens: het tijdperk van de grote Waarheden, van de grote Verhalen is voorbij. We leven nu in een tijd met minder vanzelfsprekendheden en meer keuzemogelijkheden. Mensen moeten hun leven zelf actief vormgeven, daarbij alles goed plannen en risico's minimaliseren. Vroeger had je een 'standaardbiografie': klasse, geslacht en geloof bepaalden een groot deel van je levensloop. Als je een katholiek meisje was van bescheiden komaf zag je leven er totaal anders uit dan wanneer je protestant was, jongen en van goeden huize. Dat is nu in veel mindere mate het geval. Daarom spreken sociale wetenschappers over een 'keuzebiografie' in plaats van een standaardbiografie.

Controle

Eigen keuze en autonomie zijn sleutelwoorden geworden, zowel in de wetenschappen als in het maatschappelijke debat. De boeken van Schmid ademen ook sterk deze sfeer. Schmid zegt eigenlijk: de grote verhalen zijn voorbij,  nu moeten we zelf ons eigen verhaal maken. Door bewust te kiezen, dingen uit te proberen kunnen we uiteindelijk een eigen levenskunst ontwikkelen. Objectieve criteria en aanwijzingen van buiten af zijn er niet. Het gaat er alleen maar om: houd jij het ermee uit, is dit voor jou een goede levenswijze? Op die manier zou je van je eigen leven een kunstwerk kunnen maken. Je zou de relatie die je met jezelf hebt moeten cultiveren en koesteren. Bevriend raken met jezelf, noemt Schmid dat. Het gaat om jouw levensproject, jouw identiteit, jouw toekomstperspectief. Ook dat sluit weer naadloos aan bij de dominante visie in de sociale wetenschappen: geef mensen greep op hun leven, zorg voor  zelfredzaamheid, geef ze een identiteit, een verhaal.

Langzaam maar zeker krijg ik zin de boeken van Schmid in het ven tegenover me te kieperen. Wat staat me nu zo tegen? Ik heb geen last van nostalgie, geen heimwee naar de tijd dat alles overzichtelijker leek ("toen was geluk heel gewoon"). Nee, het f is de platheid, de horizontaliteit van deze benadering. Er spreekt ook een dwangmatige behoefte aan controle uit. Waarom al die autonomie, assertiviteit, beheersing, zelfredzaamheid? Waarom dat doorlichten van al je gedachten, dat ondersteboven halen van je emoties, met andere woorden: waarom al die ego-arbeid? Volgens mij om de onderliggende angst te beteugelen.

Toen ik het eerste boek van Schmid las, al wat langer geleden, was ik verbaasd dat iedereen er zo mee wegliep. Op tal van (academische) feesten en partijen deed men het elkaar cadeau. Ik vond het een boek dat als het ware rook naar angst, terwijl dat woord er niet in voorkomt. Daarom was ik niet verbaasd dat angst wel een centrale rol inneemt in Schmids tweede boek. Angst is hier het uitgangspunt: we moeten leren ermee te 'dealen'. Zegt Schmid.  Wat ik hierin mis, is de hoop of het vertrouwen dat alles al goed is. Heel mooi geïllustreerd zie je dit in het gedicht Verjaardag van iemand die niet bepaald als religieus denker bekend staat, Rudy Kousbroek:

 

Papa, toen ik nog niet was geboren,

Wat deden jullie dan op mijn verjaardag?

Dan was het feest natuurlijk!

Het werd altijd plechtig gevierd.

Ook als ik er niet bij was?

ja, dan misten we je wel erg,

Maar dan zeiden we: nog twee jaar,

Of nog maar één jaar, en dan komt ze.

Toen werd je geboren en we riepen:

Dat is haar! We herkenden je direct.

En honderd jaar geleden?

ja, toen ook al, twee september!

Dat is altijd je verjaardag geweest,

Vroeger en nu en voor eeuwig.

 

Dit gedicht trof me direct toen ik het las. Het doet me denken aan: onze namen staan in de palm van Gods hand geschreven. "Vrees niet", lezen we altijd als er een engel verschijnt. De wereld van Schmid is een lege woestenij die we zelf betekenis zullen moeten geven. We moeten onszelf bij de haren uit het moeras trekken. Het is een angstige en eenzame onderneming. En het is niet duidelijk of we erin zullen slagen, en of het tot iets zal leiden. We kunnen onze ideeën, gedachten en gevoelens geen seconde uit het oog verliezen. Er staat altijd wel een keuze voor de deur. En natuurlijk moeten we aan onszelf en anderen rekening kunnen afleggen voor onze keuze. Ook dat is overigens een hip begrip in de sociale wetenschappen: 'accountability'.

Ik pak een reclamefoldertje uit een boek voor me: "Wees onbescheiden, neem een abonnement op Filosofie Magazine." Wees onbescheiden: duidelijke weerspiegeling van de tijdgeest. Maar wat een druk legt het op mensen. Je moet helemaal zelf voortdurend je optimale nut uitrekenen. Het onderste uit de kan halen. Ik stel me Atlas voor: door zijn 'onbescheidenheid' moest hij uiteindelijk de hele wereld op zijn schouders meetorsen. Veel mensen lijken zich zo te voelen.

Deemoed

Bescheidenheid, dienstbaarheid: ze nemen een enorme last van je schouders. "Hoe kan ik helpen?" Het niet meer overal en altijd laten meeresoneren van je ego geeft rust, ruimte en stilte. Anselm Grüin schrijft in zijn boek over levenskunst ook over "deemoed". Wie kent het begrip nog? De kern van het geluk is voor Grün: "Wees wie je bent -maar houd je niet voortdurend bezig met je ego. Maak jezelf niets wijs. Accepteer dat je geen held bent, en beschouw jezelf niet als zo belangrijk. Werk aan je zwakke kanten. Maar bijt je er niet in vast. Laat ze los. Accepteer jezelf met je ongerijmdheden, je tegenstellingen." 

Eens zag ik een affiche van Loesje hangen met deze tekst: "het Leven is een feest, en jij bent ook uitgenodigd." "Leer dansen, anders weten de engelen in de hemel niets met jou te beginnen", schreef Augustinus. Ja, het leven is een geschenk. Iets dat je in de schoot geworpen krijgt. Iets om dankbaar voor te zijn. Het besef dat je iets krijgt waarvoor je dankbaar kunt zijn, wordt ook prachtig verwoord door Abraham Heschel: "Leven is wat we doen met Gods tijd, wat we doen met Gods wereld". We mogen werken en spelen in Gods wereld, en met Gods tijd. Voor sommige mensen zal dat klinken alsof iets hen ontnomen wordt: is het niet hun tijd, hun wereld, hun eigen zaak? In eerste instantie lijkt het paradoxaal, maar de ervaring leert dat er een enorme last van je schouders valt, als je je verbonden weet met anderen. In een spirituele visie kun je natuurlijk ook dolend zijn, eenzaam en angstig in een heelal dat als krankzinnig aanvoelt, maar er is wel ergens een bodem, een anker. Je kunt leren zien dat je al veilig bent en met elkaar verbonden.

De benedictijn Talafous besluit een van zijn overwegingen op internet met een verwijzing naar "Ik ben de wijnrank, jullie zijn de takken" Johannes 15, 1- 8). Op tal van manieren zijn we met elkaar verbonden en op elkaar aangewezen. Hij concludeert dat we door onze verbinding met Christus ook delen in zijn kracht, en daaruit de moed en energie kunnen putten om verder te gaan. Deze tekst van Johannes laat voor mij niet alleen onze verbondenheid met Christus zien, maar ook die met elkaar. Wanneer je al je drukke gedachten, overwegingen en gevoelens met stilte kunt omringen, wordt juist daardoor helder dat we niet los staan van elkaar. Natuurlijk is het goed om "bevriend te raken met jezelf", maar de relatie die je met jezelf hebt, moet nooit het focuspunt worden, zoals in de levenskunst van Schmid. Wanneer je deze relatie diepgaand kunt relativeren, met andere woorden als je al je ego-werk transparant maakt, dan kun je een werktuig van de liefde worden. Dan zal je juk zacht zijn, en je last licht. .


We lopen in de fuik van georganiseerde hebzucht
door Cokky van Limp 2005-06-03

Boeddhisme-auteur Han de Wit ziet een relatie tussen de toenemende belangstelling voor boeddhisme en het maatschappelijk onbehagen. ,,Wij voelen ons ingeklemd tussen politiek en economie. In het krachtige 'nee' tegen het referendum komt het maatschappelijke onbehagen tot uiting.''

Na 'Contemplatieve psychologie', de bestseller 'De verborgen bloei' (elf drukken) en 'De lotus en de roos' (vijfde druk) was boeddhisme-auteur en -leraar Han de Wit eigenlijk een beetje uitgeschreven. Hij had dan ook geen manuscript, zelfs geen concept voor een boek klaarliggen, toen de uitgever weer eens langskwam. Alleen een serie openbare lezingen, over wat het betekent 'toevlucht te nemen' - je daadwerkelijk te verbinden met het boeddhisme.

,,Ten Have las ze, was erg enthousiast en wilde ze graag uitgeven.'' Uit de honger van uitgevers naar boeddhistische publicaties leest De Wit de groeiende belangstelling voor het boeddhisme in Nederland af. ,,Er verschijnen niet alleen populaire inleidingen, maar ook publicaties van klassieke boeddhistische teksten. Dat duidt op een veel groter publiek dan enkele decennia geleden, anders zouden uitgevers zich daar niet aan wagen. Je ziet het ook op de televisie. Vrijwel dagelijks zie je op televisie een boeddhistisch programma.''

De Wit ziet een duidelijke relatie tussen de toenemende belangstelling voor het boeddhisme en het groeiende onbehagen van veel mensen over de tijdgeest en de cultuur waarin we leven. ,,Ik kan mij in dit verband helemaal vinden in de opvattingen van de Rotterdamse cultuureconoom Arjo Klamer. In zijn boek 'In hemelsnaam. Over de economie van overvloed en onbehagen' constateert Klamer dat veel Nederlanders ondanks de toegenomen economische welvaart een tekort ervaren. Niet een tekort aan materiële welvaart, maar aan immateriële waarden, zoals solidariteit, wellevendheid, stabiliteit, geborgenheid. Zij verlangen naar 'het goede leven', met vrienden en familie, goede onderlinge contacten, een mooi concert enzovoorts. En ze beseffen dat dat goede leven maar zeer ten dele 'te koop is'.''

,,De staat wil 'gelijkheid', de markt 'vrijheid', de mensen 'broederschap'. Maar in hun streven naar broederschap, naar datgene wat gelukkig maakt in de persoonlijke levenssfeer, voelen zij zich bedreigd door een staat die iedereen over één kam wil scheren, wat zeer inhumane gevolgen kan hebben, bijvoorbeeld in het asielbeleid. En door een markt die naar ongebreidelde vrijheid streeft, met soms even inhumane gevolgen. Dat schuurt: veel mensen voelen zich in toenemende mate ingeklemd en vermalen tussen de onbeheersbare grote structuren en machten van politiek en economie. In het krachtige 'nee' tegen het referendum over de Europese Grondwet komt dit maatschappelijke onbehagen naar mijn mening eveneens tot uiting.''

Onder meer in de toegenomen belangstelling voor het boeddhisme en voor spiritualiteit in het algemeen ziet De Wit een tegenbeweging op gang komen tegen het pure materialisme. ,,Ook spiritualiteit gaat immers over hoe je van dag tot dag je leven leidt en hoe dat aanvoelt. Krijgen wat je hebben wilt, leidt alleen maar tot nieuwe wensen.''

,,Voor je het weet zit je in een vicieuze cirkel. Totdat het besef doorbreekt dat je geluksgevoel in materie niet te vinden is.''

Waarin dan wel? ,,Noem het het ervaren van harmonie, van flow, het genoegen om de situatie waarin je je bevindt tot bloei te brengen, zonder dat daar iets tegenover hoeft te staan. Vergelijk het met een tuin, die je tot bloei brengt door hem goed te verzorgen, op tijd water te geven. Die bloei op zich doet goed, zonder dat de bloemen je bedanken. En dat verwacht je ook niet van ze; de schoonheid van de bloei is voldoende, dat is wat gelukkig maakt.''

Het vermogen waaruit deze harmonische manier van omgaan met de situatie voortkomt, noemt Aristoteles de ware deugd van de ethiek. Het boeddhisme noemt het de boeddhanatuur die elk levend wezen in zich draagt. ,,Leven vanuit de boeddhanatuur is een ervaringskwaliteit. Het betekent leven vanuit onze humaniteit, vanuit onze fundamentele goedheid. Een goedheid die dieper gaat dan ethische normen en regels, omdat ze daaraan voorafgaat en eraan ten grondslag ligt.''

Wijlen Chögyam Trungpa, leermeester van Han de Wit, had het, sprekend over de boeddhanatuur, ook wel over enlighted genes -'verlichte genen'- bij mens en bij dier. ,,Dat sluit aan bij de opvatting van bioloog Frans de Waal, die ervan overtuigd is dat ook dieren compassie kennen. Hij schrijft daarover in zijn boek 'Van nature goed'. Dieren hebben geen ethiek, kennen geen hogere macht en geen tien geboden, maar evengoed tonen ze compassie. Ontroerend is in dit verband zijn verhaal over een groep olifanten die elk jaar terugkeert naar een bepaalde plek om een familielid te groeten dat daar de dood heeft gevonden.''

Die verlichte genen in ons tot ontwikkeling brengen, daar de ruimte aan geven, is volgens De Wit waar het in alle authentieke spiritualiteit uiteindelijk over gaat. Voor het boeddhisme is dat het expliciete doel. Onderricht en meditatieoefeningen dienen om 'de boeddhakiem tot bloei te brengen'.

Komen die verlichte genen echter in een situatie waarin zij zich juist níet kunnen ontwikkelen, dan ontstaat er onbehagen, zegt De Wit. ,,Er klopt iets niet, je kunt je draai niet vinden, gaat je ongelukkig voelen. Dát eerder genoemde onbehagen noem ik 'gefrustreerde boeddhanatuur'. Het is het onbehagen van de boeddhanatuur die zich niet meer kan uitdrukken; het komt voort uit de wens om gelukkig zijn.''

In zijn nieuwe boek geeft De Wit een bekend, extreem voorbeeld van 'gefrustreerde boeddhanatuur': dat van de soldaten die voor het eerst op mensen moeten schieten. Die soldaten doen het in hun broek, geven over, moeten door iets heen. Bij thuiskomst blijkt dat ze getraumatiseerd zijn. ,,Niet omdat wat ze deden volgens ethische normen en regels slecht zou zijn, maar omdat schieten op mensen indruist tegen hun humaniteit. Omdat het haaks staat op het diepe menselijke verlangen om de situatie waarin we verkeren tot bloei te brengen.''

De Nederlander wordt niet op een vergelijkbare wijze in zijn humaniteit aangetast als die soldaten, maar moet zijn humaniteit veiligstellen tegenover de typisch westerse bedreigingen ervan, zoals de ideologie van het consumentisme.

De Wit: ,,Hoe meer je consumeert, des te gelukkiger word je, luidt deze ideologie. En om veel te consumeren moet je veel verdienen. Zo loop je in de fuik van de georganiseerde hebzucht. Maar daar blijft het niet bij. Hebzucht schept tevens de behoefte om je bezit te beveiligen en te verdedigen. Dat leidt weer tot agressie en tot imperialisme - denk aan het beveiligen van de olievelden in Irak door de Verenigde Staten. Ook het taalgebruik in de economie is agressief: het gaat om het veroveren van nieuwe markten. En de agressie waarmee dat gepaard gaat, wordt gelegitimeerd door te zeggen dat we het recht hebben te houden wat we hebben veroverd.''

De ideologie blijft bovendien niet beperkt tot de eigen westerse leef sfeer. Het consumentisme wordt ook doorgedrukt in andere culturen. Han de Wit hoort daar wel over, onder meer van de Thaise boeddhistische leider Sulak Sivaraksa, een van de grondleggers van het geëngageerde boeddhisme. ,,Hij ziet multinationals in Thailand mensen inhuren in kleine dorpjes, waar ze een winkeltje drijven of zo. Ze treden bij de multinational in dienst, ten koste van hun winkeltje, want daar hebben ze dan geen tijd meer voor. Maar als de multinational na gedane zaken weer vertrokken is, is de persoonlijke levenssfeer van deze mensen totaal ontwricht.''

Dat brengt De Wit op de derde smet die kleeft aan de ideologie van het doorgeschoten consumentisme: de onverschilligheid, door geen oog te hebben voor de effecten van je handelen op anderen én op jezelf.

,,Die drie -georganiseerde hebzucht in de vorm van consumentisme, georganiseerde agressie in de vorm van imperialisme, en onverschilligheid voor de gevolgen van dat alles- worden in het boeddhisme 'de drie vergiften' genoemd. Vergiften die onze boeddhanatuur, onze humaniteit, verstikken en de mogelijkheid afsnijden om onze verlichte genen tot ontwikkeling te brengen. Door 'toevlucht te nemen' zeggen wij in wezen dat we op het pad gaan om ons van deze drie vergiften te bevrijden.''

,,In de westerse cultuur wordt ervan uitgegaan dat die drie eigen zijn aan het menszijn, omdat de mens nu eenmaal zo in elkaar zit. Het boeddhisme zegt echter: hebzucht, agressie en onverschilligheid zijn niet eigen aan de mens, ze zijn eigen aan de niet ontwaakte mens - de mens met een egocentrische levenshouding die de wereld om zich heen enkel ziet als consumptiegoed. Door zich te bevrijden van de drie vergiften, is de overtuiging van de boeddhist, gaat deze meer vanuit zijn boeddhanatuur leven. Dát is wat eigen is aan de mens.''

Han F. de Wit, De drie juwelen. Hoe het pad van de Boeddha op te gaan.
Ten Have, 144 blz., ISBN 9025954936, €13,90.

Van theoretisch psycholoog tot boeddhistisch leraar
Dr. Han F. de Wit (1944) is van huis uit theoretisch psycholoog. Het onderzoek dat hij rond 1980 aan de Vrije Universiteit in Amsterdam begon naar de psychologische inzichten in de contemplatieve tradities, leidde tot een nieuwe vorm van psychologie, de contemplatieve psychologie, waarmee hij internationale bekendheid verwierf. Hij raakte nauw betrokken bij de dialoog tussen westerse en niet-westerse psychologie en bij de interreligieuze dialoog.
In 1975 werd Han de Wit leerling van meditatiemeester Chögyam Trungpa. Sinds 1977 geeft hij onderricht in de boeddhistische visie en meditatiebeoefening. Trungpa's opvolger, Sakyong Mipham Rinpoche, heeft De Wit in 2000 aangesteld als acharya (leraar) in de door Trungpa in het Westen gentroduceerde Shambala-traditie.
De Wit geeft lezingen en is een veelgelezen auteur.

 


 

God leeft in mijn hoofd. Zijn velden zijn er onmetelijk, zijn tuinen staan er vol schoone bloemen, die niet sterven, en statige vrouwen wandelen er naakt, vele duizenden. En de zon gaat er op en onder en schijnt laag en hoog en weer laag en 't eindeloze gebied is eindeloos 't zelfde en geen oogenblik gelijk. En breede rivieren stroomen er door met vele bochten en de zon schijnt er in en ze voeren 't licht naar de zee.

En aan de rivieren mijner gedachten zit ik stilletjes en genoeglijk en rook een steenen pijpje en voel de zon op mijn lijf schijnen en zie 't water stroomen, voortdurend stroomen naar 't onbekende.

En 't onbekende deert mij niet. En ik knik maar eens tegen de schoone vrouwen, die de bloemen plukken in mijn tuinen en hoor den wind ruischen door de hooge dennen, door de wouden der zekerheid, dat dit alles bestaat, omdat ik 't zoo verkies te denken. En ik ben dankbaar dat mij dit gegeven is. En in ootmoed pijp ik nog eens aan en voel mij God, de oneindigheid zelf.

Doelloos zit ik, Gods doel is de doelloosheid. 

Maar voor geen mensch is het weggelegd dit bij voortduring te beseffen.

 

Nescio (Uit: Nescio - Titaantjes, Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam)


Wladimir der Wolkenmaler

Sie sind wieder mal ganz herunter, Überflüssige, Abtrünnige, Betrogene in jedem Sinne. Jeder fängt bei sich selber an und verachtet so weiter nach oben und nach unten.
Aus diesem Gefühle heraus sagt der Baron: »Man kann nicht mehr in dieses Caféhaus gehen. Keine Zeitungen, keine Bedienung, nichts.«
Die beiden anderen sind ganz seiner Meinung.
So sitzt man weiter um den kleinen Marmortisch herum, der nicht weiß, was diese drei Menschen von ihm wollen. Ruhe wollen sie, einfach Ruhe. Der Dichter drückt das ebenso deutlich wie onomatopoetisch aus.
»Quatsch« sagt er nach einer halben Stunde.
Und wieder sind die anderen derselben Ansicht.
Man wartet weiter, weiß Gott auf was.
Dem Maler beginnt ein Bein zu pendeln. Er betrachtet es eine Weile tiefsinnig. Dann begreift er die Bewegung und beginnt, langsam und mit Gefühl:
       »Stumpfsinn, Stumpfsinn, du mein Vergnügen -«
Da ist es aber höchste Zeit aufzubrechen. Einer hinter dem anderen gehen sie und Kragen hoch. Das Wetter ist nämlich auch so. Heulen möchte man.
Was tun? Bleibt nur Eines: zwischen fünfund sechs zu Wladimir Lubowski gehen, auf eine Dämmerung. Natürlich. Vorwärts also: Parkstraße 17. Ateliergebäude.

Zu Wladimir Lubowski kommt man nur durch seine Werke. Er raucht nämlich seine Bilder alle. Das ganze Atelier ist voll des phantastischen Qualmes. Du kannst von Glück reden, wenn du durch diese Urnebel auf dem kürzesten Wege zu dem alten abgenutzten Ruhebett gefunden hast, auf welchem Wladimir wohnt - tagaus, tagein.
Auch heute natürlich. Er steht nicht auf und wartet die drei »Betrogenen« ruhig ab. Die setzen sich rings um ihn, ein jeder nach Art und Anlage. Sie haben irgendwo grüne Chartreuse gefunden und Zigaretten. Selbstverständlich machen sie ohneweiters Gebrauch davon, mit der Miene von Menschen, die sich fortwährend aufopfern. Die Zigaretten sind sogar fein: Gott ja - was tut man nicht alles diesem elenden Leben zu Liebe.
Der Dichter lehnt sich zurück: »Oder ist es etwa nicht ein Machwerk, das Leben, etwas für Dilettanten - wie?«
Wladimir Lubowski antwortet nicht.
Die anderen warten gerne. Es ist so seltsam gut in diesem duftenden Dunkel. Man muß nichts tun als stillhalten, dann nimmt es einen hin und beginnt einen zu wiegen -
»Wie Sie das machen, Lubowski, es riecht gar nicht nach Terpentin bei Ihnen -« meint der Maler obenhin und der Baron ergänzt:
»Im Gegenteil. Haben Sie hier irgendwo Blumen?«
Stille. Wladimir bleibt weit hinter seinen Wolken.
Aber die drei sind geduldig. Sie haben Zeit und Chartreuse.
Sie kennen das: abwarten, es wird schon kommen.
Und dann kommt es:
Rauch, Rauch, Rauch und dann liebe, langsame Worte, welche durch die Welt gehen und die Dinge bewundern von weit. Die Wolken heben sie hoch. Lauter heimliche Himmelfahrten.
Zum Beispiel:
Rauch. »Das macht: Die Menschen schauen immer von Gott fort. Sie suchen ihn im Licht, das immer kälter und schärfer wird, oben.« Rauch. »Und Gott wartet anderswo - wartet - ganz am Grund von Allem. Tief. Wo die Wurzeln sind. Wo es warm ist und dunkel -« Rauch.
Und der Dichter beginnt auf und ab zu gehen, plötzlich.
Die Drei denken an den Gott, der irgendwo hinter den Dingen wohnt - wunderwo. -
Und später:
»Angst - haben -?« Rauch. »Wozu?« Rauch.
»Man ist ja immer über ihm. Wie eine Frucht, unter welche jemand eine schöne Schale hält. Golden - leuchtend im Laube. Und wenn die Frucht reif ist, läßt sie sich los -«
Da hat der Maler den Rauch zerrissen, so mit einer ungestümen Bewegung: »Herrrr Gott -« sagt er und findet auf dem Ruhebett einen kleinen blassen Menschen, der große merkwürdige Augen hat. Augen, mit ewiger Trauer hinter allem Glanz, - so frauenhaft froh. Und ganz kalte Hände.
Und der Maler bleibt unbeholfen davor. Er weiß nicht mehr recht, was er wollte.
Es ist gut, daß der Baron hinzutritt: »Das müssen Sie malen, Lubowski -« Was weiß der Baron nicht genau. Immerhin wiederholt er: »Wirklich, Lubowski.« Und das klingt fast ein wenig gönnerhaft, ohne daß er es will.
Wladimir hat indessen einen weiten Weg gemacht: vom Schrecken durch ein dunkles Staunen durch. Endlich kommt er beim Lächeln an und träumt leise: »Oh ja, morgen.« Rauch.

Da haben die Drei keinen Raum mehr im Atelier. Einer stößt sich am anderen. Sie gehen alle: »Auf Wiedersehen, Lubowski.«
An der nächsten Ecke schon schütteln sie sich die Hände mit unnötiger Heftigkeit. Sie haben Eile einander loszuwerden.
Sie trennen sich weit.
Ein kleines behagliches Café. Kein Mensch drin und summende Lampen. Da hat der Dichter begonnen Verse zu schreiben auf den Umschlag eines empfangenen Briefes. Und immer schneller wird die Schrift und immer kleiner; denn er fühlt: es kommen viele, viele.
Dann fünf Treppen hoch, im Atelier des Malers ist ein Vorbereiten für morgen. Mit einem Lied hat er den Staub von der Staffelei gepfiffen, den alten Staub. Steht eine neue Leinwand drauf, wie eine Stirne licht. Umkränzen möcht man sie.
Nur der Baron ist noch unterwegs. »Halbdf, Olympiatheater, Seitentür!« hat er einem Kutscher anvertraut und ist ruhig weiter gegangen. Es ist ja noch eine Menge Zeit vorher zum Ausruhen und zum Toilettemachen. Keiner denkt an Wladimir Lubowski.

Wladimir hat seine Tür verschlossen und gewartet, bis es ganz dunkel geworden ist. Dann sitzt er, klein, am Rande des Ruhebettes und weint in die weißen eisigen Hände hinein. Es kommt ihm leicht und leise, ohne Anstrengung und ohne Pathos. Es ist das Einzige, das er noch nicht verraten hat, das ihm allein gehört. Sein Einsames.

 

Wladimir de wolkenschilder

Ze zitten weer eens volkomen in de put, ze voelen zich overbodig, afvallig, bedrogen in alle opzichten. Elk verachten ze zich zelf en breiden hun verachting daarna uit naar boven en naar beneden. Dit gevoel geeft de baron de uitspraak in: 'Naar dit café kunnen we ook al niet meer. Je hebt hier niets, geen kranten, geen bediening, niets.'

De twee anderen zijn het volkomen met hem eens. En zo blijven ze om de kleine marmeren tafel zitten, die niet weet wat deze drie mensen van hem willen. Rust willen ze, alleen maar rust. De dichter geeft even helder als onomatopoëtisch aan dit verlangen uitdrukking. 'Quatsch,' zegt hij na een half uur. En wederom zijn de anderen dezelfde mening toegedaan.

Ze blijven wachten, god weet waarop. Het ene been van de schilder begint te schommelen. Hij blijft er een poos diepzinnig naar kijken. Dan heeft hij de beweging doorgrond en begint langzaam en gevoelvol te zingen: 'Saaiheid, gruwelijke saaiheid, jij, mijn lust en mijn leven...' Maar dan is het de hoogste tijd geworden om op te breken. Achter elkaar gaan ze naar buiten, met opgeslagen kraag. Want het weer is al net zo beroerd. Om te huilen.

Wat zullen ze nu eens gaan doen? Er blijft hen maar één ding over: tussen vijf en zes naar Wladimir Lubowski, als het schemert. Natuurlijk. Vooruit dus: Parkstraat 17. Ateliergebouw. Wladimir Lubowski kan men alleen via zijn werk benaderen. Want al zijn schilderijen rookt hij. Een fantastische walm vult het hele atelier. Je mag van geluk spreken als je door deze voorhistorische nevel de kortste weg vindt naar de oude versleten divan waar Wladimir op woont... dag in, dag uit.

VanzeIfsprekend ook vandaag. Hij staat niet op en wacht de drie 'bedrogenen' rustig af. Dezen gaan om hem heen zitten, ieder naar eigen aard en aanleg. Ze hebben ergens groene chartreuse en sigaretten opgescharreId. Natuurlijk maken ze die zonder omhaal soldaat, met het gezicht van mensen die zich altijd maar opofferen. De sigaretten smaken zelfs naar meer: ach ja, wat getroost een mens zich al niet voor dit ellendige bestaan.

De dichter leunt in zijn stoel naar achteren: 'Of is hel: leven soms géén knoeiboel, iets voor dilettanten – nou?’

Wladimir Lubowski antwoordt niet. De anderen wachten met alle plezier. Het is verrukkelijk hier in dit geurige duister. Je hoeft alleen maar stil te blijven zitten, dan voert het je weg en begint je te wiegen.

'Hoe speel je dat toch klaar, Lubowski, het ruikt !lier helemaal niet naar terpentijn...' merkt de schilder langs zijn neus weg op en de baron vult aan: 'Integendeel zelfs. Hebt u hier ergens bloemen staan?' Stilte. Wladimir verschuilt zich achter zijn wolken. Maar het drietal is geduldig. Ze hebben tijd en chartreuse genoeg. Ze kennen dit: rustig afwachten, straks komt het wel.

En dan komt het. Rook, rook en nog eens rook en daarna lieve, langzame woorden, die door de wereld trekken en de dingen uit de verte bewonderen. Door de wolken worden ze hoog opgetild. Allemaal geheimzinnige hemelvaarten. Bij voorbeeld: rookwolk. 'Dus: de mensen kijken altijd de verkeerde kant op als ze God willen zien. Ze zoeken hem in het licht, dat steeds kouder en scherper wordt, boven ons.' Rookwolk. 'En God wacht ergens anders... wacht... helemaal op de bodem van alles. In de diepte. Waar de wortels zijn. Waar het warm is en donker...' Rookwolk.

En de dichter begint ineens te ijsberen. Alle drie denken zij aan de God die ergens achter de dingen woont... ergens op een wonderbaarlijke plek... En later: 'Bang... zijn?' Rookwolk. 'Waarvoor?' Rookwolk.

'Je bent toch altijd boven hém? Als een vrucht, waar iemand een mooie schaal onder houdt. Een gouden vrucht... stralend in het gebladerte. En als ze rijp is laat ze los...'

Dan verscheurt de schilder plotseling met een wilde beweging de rookwolk: 'Lieve héémel' zegt hij en ziet op de divan een kleine bleke man zitten met grote, opvallende ogen. Ogen waarin ondanks al hun glans een eeuwige droefheid ligt... vrouwelijk blijde ogen. En erg koude handen.

En de schilder staat onbeholpen voor hem. Hij is vergeten wat hij eigenlijk van plan was. Gelukkig komt de baron erbij staan: 'Dat moet u schilderen, Lubowski.' Wát, dat weet de baron ook niet precies. Hij herhaalt toch maar voor alle zekerheid: 'Werkelijk, Lubowski.' En dat klinkt bijna een beetje vaderlijk beschermend, zonder dat hij het zo bedoelt. Wladimir heeft ondertussen een lange weg afgelegd: na zijn schrik moest hij door een donkere verbazing heen. Eindelijk arriveert hij bij een lachje en mijmert zacht: 'O ja, morgen.' Rookwolk.

Dan vinden ze het atelier ineens te klein voor hun drieën. Ze zitten elkaar in de weg. Ze gaan er vandoor: 'Tot ziens, Lubowski.' Al bij de eerste straathoek geven ze elkaar een overdreven stevige hand. Ze hebben haast om van elkaar af te komen. Ze gaan ver uiteen.

Een klein, behaaglijk café. Er zit geen mens, de lampen suizen. De dichter is er begonnen verzen te schrijven op de envelop van een brief die hij gekregen heeft. En hij gaat steeds sneller en kleiner schrijven; want hij voelt dat er veel, heel veel in aantocht zijn. En in het atelier van de schilder, vijf hoog, worden voorbereidingen getroffen voor morgen. Met een lied heeft hij het stof van de ezel gefloten, het stof dat daar al zo lang lag. Er staat een nieuw doek op de ezel, wit als een voorhoofd. Het liefst zou je er een krans om willen hangen.

Alleen de baron is nog onderweg. 'Half elf zijdeur Olympiatheater!' heeft hij een koetsier vertrouwelijk toegevoegd en is zonder zich te haasten doorgelopen. Hij heeft immers nog een zee van tijd om uit te rusten en toilet te maken. Niemand denkt aan Wladimir Lubowski.  

Wladimir heeft zijn deur op slot gedaan en wacht tot het volkomen donker is. Dan zit hij klein op de rand van de divan en huilt in zijn witte, ijskoude handen. Het komt licht en zacht, zonder dat hij zich ervoor inspant of zich aanstelt. Het is het enige dat hij nog niet verraden heeft, het enige dat alleen van hem is. Zijn eenzaamheid.

R. M. Rilke (1899)

 


Von der Landschaft

Man weiß so wenig von der Malerei des Altertums; aber es wird nicht zu gewagt sein anzunehmen, daß sie die Menschen sah, wie spätere Maler die Landschaft gesehen haben. In den Vasenbildern, diesen unvergeßlichen Erinnerungen aus einer großen Zeichenkunst, ist die Umgebung (Haus oder Straße) nur genannt, gleichsam abgekürzt, nur mit dem Anfangsbuchstaben angegeben, die nackten Menschen sind alles, sind wie Bäume, die Früchte tragen und Fruchtkränze, und wie Büsche, die blühen, und wie Frühlinge, in denen die Vögel singen. Damals war der Leib, den man bestellte wie ein Land, um den man sich mühte, wie um eine Ernte, und den man besaß, wie man ein gutes Grundstück besitzt, das Angeschaute und Schöne, das Bild, durch welches in rhythmischen Reihen alle Bedeutungen gingen, Götter und Tiere, und alle Sinne des Lebens. Der Mensch, obwohl seit Jahrtausenden dauernd, war sich selbst noch zu neu, zu entzückt von sich, um über sich fort oder von sich abzusehen. Die Landschaft, das war der Weg, auf dem er ging, die Bahn, darin er lief, alle die Spiel- und Tanzplätze waren es, auf denen der griechische Tag verging; die Täler, in denen das Heer sich versammelte, die Häfen, aus denen man zu Abendteuern fuhr und in die man unerhörter Erinnerungen voll und älter zurückkehrte; die Festtage und die geschmückten, silbern klingenden Nächte, die ihnen folgten, die Aufzüge zu den Göttern und der Umgang um den Altar -: das war die Landschaft, in der man lebte. Aber der Berg war fremd, auf dem nicht menschgestaltige Götter wohnten, das Vorgebirge, auf dem sich kein weithin sichtbares Standbild erhob, die Hänge, die kein Hirte gefunden hatte, - sie waren keines Wortes wert. Alles war Bühne und leer, solange der Mensch nicht auftrat und mit seines Leibes heiterer oder tragischer Handlung die Szene erfüllte. Ihn erwartete alles, und wo er kam, trat alles zurück und gab ihm Raum.
Die christliche Kunst verlor diese Beziehung zu dem Körper, ohne deshalb der Landschaft sich wirklich zu nähern; Menschen und Dinge waren wie Buchstaben in ihr, und sie bildete lange, gemalte Sätze mit einem Alphabet von Initialen. Die Menschen waren Gewänder und nur in der Hölle Leiber; und die Landschaft durfte selten die Erde sein. Fast immer mußte sie, wo sie lieblich  den Himmel bedeuten, und wo sie Schrecken erregte und wild und unwirtlich war, da galt sie als der Ort der Verbannten und für ewig Verlorenen. Man sah sie schon; denn die Menschen waren schmal geworden und durchscheinend, aber es lag in ihrer Art, die Landschaft ebenso zu empfinden, als eine kleine Vergänglichkeit, als ein Streifen von übergrünten Gräbern, unter denen die Hölle hing und über denen der große Himmel sich auftat als die eigentliche, tiefe, von allen Wesen gewollte Wirklichkeit. Nun, da es auf einmal drei Orte gab,drei Wohnungen, über welche viel Redens war: Himmel, Erde und Hölle, - war die Bestimmung der Örtlichkeit dringend notwendig geworden, und man mußte sich sie ansehen und sie darstellen; in den frühitalienischen Meistern wuchs diese Darstellung über ihren eigentlichen Zweck hinaus, zu großer Vollkommenheit, und man muß sich nur der Malereien im Campo santo zu Pisa erinnern, um zu fühlen, daß die landschaftliche Auffassung damals schon etwas selbstständiges geworden war. Man meint zwar noch einen Ort anzugeben und nichts mehr, aber man tat das mit solcher Herzlichkeit und Hingabe, man erzählte mit hinreißender Beredsamkeit und so sehr als Liebender von den Dingen, die an der Erde hingen, an der von den Menschen verleugneten und verdächtigten Erde -: daß jene Malerei uns heute wie ein Loblied auf sie erscheint, in welches die Heiligen einstimmen. Und alle Dinge, die man sah, waren neu, so daß mit dem Schauen sich ein fortwährendes Staunen verband und eine Freude an unzähligen Funden. So kam es von selbst, daß man die Erde den Himmel pries und sie kennen lernte, da man Sehnsucht war, ihn zu erkennen. Denn die tiefe Frömmigkeit ist wie ein Regen: sie fällt immmer wieder auf die Erde zurück, von der sie ausging, und ist Segen über den Feldern.
Man hatte so, ohne es zu wollen, die Wärme gefühlt, das Glück und die Herrlichkeit, die von einer Wiese, einem Bach, einem Blumenhang und von Bäumen, die fruchttragend beieinanderstehen, ausstrahlen kann, daß man, wenn man nun Madonnen malte, sie mit diesem Reichtum wie mit einem Mantel umgab, sie damit krönte wie mit einer Krone und Landschaften wie Fahnen entfaltete, ihnen zum Lobe; denn man wußte ihnen kein Fest zu bereiten, das rauschender war, keine Hingabe kannte man, die dieser glich: alles eben gefundene Schöne ihnen zuzutragen und mit ihnen zu verschmelzen. Man meinte keinen Ort mehr damit, auch den Himmel nicht, man stimmte die Landschaft an wie ein Marienlied, das in hellen klaren Farben erklang.
Aber damit war eine große Entwicklung geschehen: man malte die Landschaft und meinte doch nicht sie damit, sonder sich selbst; sie war Vorwand geworden für ein menschliches Gefühl, Gleichnis einer menschlichen Freude, Einfalt und Frömmigkeit. Sie war Kunst geworden. Und schon Lionardo übernahm sie so. Die Landschaften in seinen Bildern sind Ausdrücke seines tiefsten Erlebens und Wissens, blaue Spiegel, in denen geheime Gesetze sich sinnend betrachteten, Fernen, wie Zukünfte groß und unenträtselt wie sie. Es ist kein Zufall darin, daß Lionardo, welcher zuerst Menschen wie Erlebnisse malte, wie Schicksale, durch die er einsam hindurchgegangen war, auch die Landschaft als Ausdrucksmittel empfand für fast unsagbare Erfahrung, Tiefe und Traurigkeit. Diesem Überholer von vielen noch nicht gekommenen war es gegeben, alle Künste unendlich groß zugebrauchen; wie in vielen Sprachen redete er in ihnen von seinem Leben und von seines Lebens Fortschritten und Fernen.
Noch hat niemand eine Landschaft gemalt, die so ganz Landschaft ist und doch so sehr Geständnis und eigene Stimme wie jene Tiefe hinter der Madonna Lisa. Als ob alles Menschliche in ihren unendlich Stillen Bildern enthalten sei, alles andere aber, alles was vor dem Menschen liegt und über ihn hinaus, in diesen geheimnisvollen Zusammenhängen von Bergen, Bäumen, Brücken, Himmeln und Wassern. Diese Landschaft ist nicht eines Eindrucks Bild, nicht eines Menschen Meinung über die ruhenden Dinge; sie ist Natur, die entstand, Welt, die wurde, und dem Menschen so fremd wie der nie betretene Wald einer unentdeckten Insel. Und Landschaft so zu schauen als ein Fernes und Fremdes, als ein Entlegenes und Liebloses, das sich ganz in sich vollzieht, war notwendig, wenn sie je einer selbstständigen Kunst Mittel und Anlaß seien sollte; denn sie muß fern sein und sehr anders als wir, um ein erlösendes Gleichnis werden zu können unserem Schicksal. Fast feindlich muß sie sein, in erhabener Gleichgültigkeit, um unserrm Dasein eine neue Deutung zu geben mit ihren Dingen.
Und in diesem Sinn ging die Gestaltung jener Landschaftskunst vor sich, die Lionardo da Vinci vorahnend schon besaß. Langsam bildete sie sich aus, in den Händen von Einsamen, durch die Jahrhunderte hin. Sehr weit war der Weg, der gegangen seien mußte, denn es war schwer, sich der Welt so weit zu entwöhnen, um sie nicht länger mit dem voreingenommenen Auge der Einheimischen zu sehen, der alles auf sich selbst und seine Bedürfnisse anwendet, wenn er es schaut. Man weiß, wie schlecht man die Dinge sieht, unter denen man lebt, und daß oft erst einer kommen muß von fern, um uns zu sagen, was uns umgibt. Und so mußte man auch die Dinge von sich fortdrängen, damit man später fähig wäre, sich ihnen in gerechter und ruhiger Weise, mit weniger Vertraulichkeit und in ehrfürchigen Abstand zu nähern. Denn man begann die Natur erst zu begreifen, als man sie nicht mehr begriff; als man fühlte, als sie das Andere war, das Teilnahmlose, das keine Sinne hat, und aufzunehmen, da war man erst aus ihr herausgetreten, einsam, aus einer einsamen Welt.
Und das mußte man, um an ihr Künstler zu sein; man durfte sie nicht mehr stofflich empfinden auf die Bedeutung hin, die sie für uns besaß, sondern gegenständlich als eine große vorhandene Wirklichkeit.
So hatte man den Menschen empfunden zur Zeit, da man ihn groß malte; aber der Mensch war schwankend geworden und ungewiß, und sein Bild floß dahin in Verwandlung und war keum mehr zu fassen. Die Natur war dauernder und größer, alle Bewegung war breiter in ihr und alle Ruhe schlichter und einsamer. Es war eine Sehnsucht im Menschen, mit ihren erhabenen Mitteln von sich zu reden wie von etwas ebenso Wirklichem, und so entstanden die Bilder von Landschaftenm in denen nichts geschieht. Leere Meere hat man gemalt, weiße Häuser in Regentagen, Wege, auf denen keiner geht, und unsäglich einsame Wasser. Immer mehr entschwand der Pathos, und je besser man die Sprache verstand, in desto schlichterer Weise gebrauchte man sie. Man versenkte sich in die große Ruhe der Dinge, man empfand, wie ihr Dasein in Gesetzen verging, ohne Erwartung und ohne Ungeduld. Und still gingen unter ihnen die Tiere umher und ertrugen wie sie den Tag und die Nacht und waren voll von Gesetzen. Und als der Mensch aber später in diese Umgebung trat, als Hirte, als Bauer oder einfach als eine Gestalt aus der Tiefe des Bildes: da ist alle Überhebung von ihm abgefallen, und man sieht ihm an, daß er Ding sein will.
In diesem Aufwachsen der Landschafts-Kunst zu einem langsamen Landschafts-Werden der Welt liegt eine weite menschliche Entwicklung. Der Inhalt dieser Bilder, der so absichtslos aus Schauen und Arbeit entsprang, spricht uns davon, daß eine Zukunft begonnen hat mitten in unserer Zeit: daß der Mensch nicht mehr der Gesellige ist, der unter seinesgleichen im Gleichgewicht geht, und auch derjenige nicht mehr, um dessentwillen Abend und Morgen wird aus Nähe und Ferne. Daß er unter die Dinge gestellt ist wie ein Ding, unendlich allein, und daß alle Gemeinsamkeit aus Dingen und Menschen sich zurückgezogen hat in die gemeinsame Tiefe, aus der die Wurzeln alles Wachsenden trinken.



De kleine parade

Oom Christiaan woonde op Olmstein en was een oom. Dat is te zeggen geen oom van mij, maar een oom van andere familieleden. De Wentincks en de Van O lmsteins zijn echter altijd neven geweest.

Verder had Oom Christiaan orchideeënkassen, en een eigen jachtterrein waarop ie joeg, en op een morgen zei Papa's kapper tegen Papa, dat Papa hartvervetting had, en Papa's kleermaker zei óók tegen Papa, dat Papa hartvervetting had, en toen haalde Papa een dokter voor de veiligheid, en die zei dat hartvervetting een erg ongezonde ziekte was en dat je moest jagen tegen hartvervetting, en toen ging Papa jagen op Olmstein en kleine konijnen.

En omdat Mama het veiliger vindt dat Papa onder geleide uit jagen gaat, gingen Mama en ik met Papa in de auto zitten, en reden naar Olmstein met de koffers voor een week achterop. Ik stond toentertijd nog midden in m'n studie als kunstdanseres, wat veel vergt van iemands uithoudingsvermogen en zenuwstelsel, en ik was die week juist begonnen met het uitvieren van een opgekropte overspanning.

Als ik alles van tevoren had geweten, had ik geweten dat Olmstein niet de goede sfeer was voor een gespannen kunstenares, maar de verkeerde sfeer. Er hangt om die hele omgeving een ondefinieerbaar iets. ..

Maar laat ik trachten nuchter te blijven tot het einde. We arriveerden om vijf uur, en zagen hoe uit de vroege najaarsschaduw van het portiek een man op ons afschoot: Menselijkerwijs gesproken was het een soort tuinman, en hij reed onze wagen in een garage die een stal was zonder paarden.

Toen was de laatste schakel met een betere wereld afgebroken en verdwenen we naar binnen. Het binnenste van oom Christiaan's huis is heel goed, maar z'n vrouw is verkeerd. Z'n vrouw is iemand van ver beneden ons. De vader van de vrouw van oom Christiaan was een man van niets en dat zegt alles.

Tante Marianne stamt uit de donkerste sloppen der middenstand, waar we nu nooit meer over spreken omdat ze door haar huwelijk op ons eigen peil is komen te zitten. Maar oom Christiaans stamboom is bedorven. Gelukkig hebben ze geen kinderen.

Oom Christiaans morganatische vrouw dan, ontving ons met een theetafel en een zwart-fluwelen zak die ze voor een japon aanzag. Het brandend haardvuur wierp z'n  stralen op haar hoofd, dat uit springend wit haar bestond, wat erg opzichtig is voor iemand met een verleden zoals zij, en toen ging de deur open, en stapte oom Christiaan in de hall met een geweer, een omgekeerde haas en een hond.

Henriëtte van Rijk

 


                 

 

    

de Rijn - collage 30 x 40 cm

 

 

  Share |

 

canandanann 31-01-2012